Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1391

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/88026
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezinshereniging / artikel 8 EVRM / familierechtelijke relatie.

De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de familierechtelijke relatie tussen referente en eiseres niet is aangetoond, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor gezinshereniging. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering om aan eiseres verblijf hier te lande toe te staan geen schending betekent van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in de eerdere besluitvorming naar aanleiding van de aanvraag steeds op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiseres en referente. Dit standpunt is thans – onder verwijzing naar een aantal omstandigheden met betrekking tot de gezinssituatie – verlaten. De genoemde omstandigheden waren – voorzover juist – echter reeds ten tijde van de eerdere besluitvorming bekend en vormden destijds voor verweerder geen grond om geen familie- of gezinsleven aan te nemen. Nu voorts niet is ingegaan op de uitkomst van de identificerende vragen die door de Consul-Generaal van de Nederlandse Diplomatieke vertegenwoordiging te Jeddah aan eiseres zijn gesteld, ontbeert het bestreden besluit een voldoende draagkrachtige motivering. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummers: Awb 02/88026

Datum uitspraak: 7 maart 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 en artikel 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1982,

van Somalische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. M.J. Verwers,

tegen

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

(Visadienst),

verweerder,

gemachtigde mr. M.J. van der Pijl.

Het procesverloop

Op 18 november 1997 heeft B, de moeder van eiseres (hierna: referente), ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel 'gezinshereniging'.

Bij besluit van 5 maart 1998 is deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft bij bezwaarschrift van 1 april 1998 bezwaar gemaakt.

Op 1 oktober 1999 is referente door een ambtelijke commissie gehoord.

Bij beroepschrift van 8 februari 2000 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 29 mei 2000 is het beroep gegrond verklaard.

Bij besluit van 26 juli 2000, bekendgemaakt op 3 augustus 2000, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 31 augustus 2000 heeft eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 mei 2001 is het beroep gegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 22 augustus 2001 heeft eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 12 oktober 2001 is het beroep gegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 5 februari 2002 heeft eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Referente is op 27 februari 2002 gehoord door een ambtelijke commissie.

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 2 mei 2002 is het beroep niet tijdig gegrond verklaard.

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft verweerder het bezwaar van 1 april 1998 ongegrond verklaard. Dit besluit is op 20 juni 2002 ingetrokken.

Op 14 augustus 2002 is referente gehoord door een ambtelijke commissie.

Eiseres is op 26 september 2002 gehoord door de Consul-Generaal van de Nederlandse Diplomatieke vertegenwoordiging te Jeddah, Saudi-Arabië.

Bij besluit van 24 oktober 2002 heeft verweerder het bezwaar van 1 april 1998 ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 21 november 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 januari 2003. Eiseres is verschenen bij gemachtigde, referente is eveneens verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Feiten

1. Referente heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) in het kader van gezinshereniging. Eiseres verblijft thans bij een vriendin van referente in Saudi-Arabië.

Standpunten van partijen

2. Verweerder heeft de aanvraag om verlening van een mvv op de volgende gronden afgewezen. Door eiseres is niet voldaan aan het vereiste dat de familierechtelijke relatie met de hoofdpersoon middels officiële gelegaliseerde bescheiden is aangetoond. In het geval van eiseres is voorts de biologische afstammingsrelatie met referente niet aangetoond. Ter zitting bij de ambtelijke commissie van 24 juni 2002 is door referente aangevoerd dat eiseres niet haar biologische kind is, maar dat zij is geadopteerd. Dat eiseres aldus het juridische kind van referente is, is echter niet aangetoond. Uit de door referente overgelegde verklaring blijkt immers niet dat eiseres is geadopteerd. Daarnaast is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden. Eiseres heeft vanaf 1996 tot 1999 bij andere familieleden in Somalië verbleven. Daarna is zij bij een vriendin van referente in Saudi-Arabië gaan verblijven. Een dreigende uitzetting uit Saudi-Arabië is niet nader onderbouwd. Tot slot acht verweerder het niet toestaan van verblijf niet in strijd met artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aangezien er tussen eiseres en referente geen sprake is van een familie- of gezinsband als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte niet in het bezit heeft gesteld van een mvv. Door verweerder is miskend dat het in het gezinsherenigingsbeleid gaat om de feitelijke gezinsband en niet om de bloedband. De gezinsband is voldoende aangetoond. Door referente is tijdens de zitting van de ambtelijke commissie gedetailleerd verklaard waarom niet eerder naar voren is gebracht dat eiseres is geadopteerd. Voorts blijkt uit de identificerende vragen zoals die plaatsvonden bij de Consul-Generaal dat sprake is van een gezinsband. Door verweerder is niet eerder tegengeworpen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Het feit dat thans niet sprake is van een natuurlijk kind maar van een aangenomen kind kan dit niet anders maken. Daarnaast is achterlating van eiseres in Saudi-Arabië van bijzondere hardheid. Voorts is sprake van klemmende redenen van humanitaire aard dan wel dient de inherente afwijkingsbevoegdheid te worden toegepast. Eiseres beroept zich voorts op artikel 8 van het EVRM. Tot slot is gesteld dat, gelet op de datum van de aanvraag, op grond van het consistentiebeginsel het beleid van de Vreemdelingencirculaire 1994 dient te worden toegepast.

De beoordeling

4. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

5. Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingen-besluit 2000 (hierna: Vb 2000) moeten vreemdelingen, die zich naar Nederland begeven voor een verblijf aldaar van langer dan drie maanden, voor toegang tot Nederland in het bezit zijn van een geldig paspoort dat is voorzien van een geldige mvv. De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning.

6. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier, zoals bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, kan worden afgewezen op de gronden genoemd in artikel 16, eerste lid, van de Vw 2000. De afwijzingings-grond genoemd onder g van deze bepaling houdt in dat de verblijfs-vergunning kan worden geweigerd indien de vreemdeling niet voldoet aan de bijzondere voorwaarden die in het kader van het aangevraagde verblijfsdoel worden gesteld.

7. De bijzondere voorwaarden waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking, verband houdende met het verblijfsdoel 'gezinshereniging', wordt verleend, zijn nader uitgewerkt in de artikelen 3.13 tot en met 3.22 van het Vb 2000. De vereisten voor gezinshereniging met minderjarige kinderen zijn uitgewerkt in paragraaf B2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000).

8. Verweerder heeft de aanvraag in het bestreden besluit afgewezen omdat niet is voldaan aan het vereiste van de 'familierechtelijke relatie', welk vereiste is uitgewerkt in paragraaf B2/6.2 van de Vc 2000. De rechtbank stelt voorop dat in het kader van het gezinsherenigingbeleid, naast de feitelijke gezinsband, ook de familierechtelijke relatie als zelfstandige voorwaarde geldt. Vast staat dat de familierechtelijke relatie van eiseres met referente niet is aangetoond middels officiële gelegaliseerde bescheiden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts op het standpunt kunnen stellen dat door referente onvoldoende is aangetoond dat in geval van eiseres sprake is van een juridische relatie met eiseres. Aan de door referente overgelegde adoptieverklaring kan niet die waarde worden toegekend die referente daaraan gehecht wil zien. Zoals door verweerder is opgemerkt in het bestreden besluit blijkt uit de verklaring niet dat deze betrekking heeft op eiseres, noch dat er sprake is geweest van adoptie. Uit de verklaring blijkt slechts dat een verzoek van referente tot 'legalistatie van het meisje, dat voor uw deur (te vondeling) was gelegd' wordt gehonoreerd.

9. Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de familierechtelijke relatie tussen referente en eiseres niet is aangetoond, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor gezinshereniging. Op die grond heeft verweerder kunnen concluderen dat eiseres niet in aanmerking komt voor verblijf in het kader van gezinshereniging.

10. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan aanleiding bestaat de aanvraag in afwijking van het ter zake gevoerde beleid toch in te willigen. Daarbij is van belang dat afwijking van het beleid slechts is toegestaan indien toepassing daarvan voor de betrokkenen gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Daarvan is niet gebleken.

11. De rechtbank ziet zich tot slot gesteld voor de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering om aan eiseres verblijf hier te lande toe te staan geen schending betekent van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Zij overweegt daartoe het volgende.

12. In artikel 8, eerste lid van het EVRM is, voor zover hier van belang, bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ('family life'). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, het economische welzijn, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor bescherming van de rechten van anderen.

13. In paragraaf B2/13.2.1 van de Vc 2000 is vermeld dat het begrip familie- of gezinsleven in artikel 8 van het EVRM een andere betekenis heeft dan (nationale) begrippen als feitelijke gezinsband en familierechtelijke relatie. In veel gevallen waarin de feitelijke gezinsband is verbroken, zal er toch gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaan.

14. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in de eerdere besluitvorming naar aanleiding van de aanvraag, zoals vermeld in de rubriek 'het procesverloop', steeds op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referente. Verwezen zij onder meer naar het besluit van 26 juli 2000. Dit standpunt is bevestigd in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 mei 2001.

15. Thans heeft verweerder dat standpunt verlaten. Daarbij is gewezen op het langdurige verblijf van eiseres bij haar grootmoeder in de periode van 1982 tot 1992 en op de feitelijke gezinssituatie sedert 1997. Voorts is er op gewezen dat uitsluitend kan worden aangetoond dat referente in de periode van 1997 tot en met 1999 geld heeft overgemaakt ten behoeve van eiseres. In het verweerschrift is voorts opgemerkt dat eiseres nimmer heeft samengewoond met referente.

16. Vooropgesteld dient te worden dat de overweging in het verweerschrift dat eiseres nimmer met referente heeft samengewoond onjuist is. In de periode van 1992 tot 1996 heeft eiseres bij referente en de echtgenoot van referente gewoond. Hieruit volgt bovendien dat referente niet alleen in de periode van 1997 tot en met 1999 financieel heeft bijgedragen aan de verzorging van eiseres, maar ook in de jaren 1992 tot en met 1996.

Voorts kan worden vastgesteld dat reeds ten tijde van de eerdere besluitvorming bekend was dat eiseres gedurende de eerste tien jaar van haar leven bij haar grootmoeder woonde. Ook de gezinssituatie sedert 1997 was bekend.

In deze omstandigheden heeft verweerder destijds geen grond gevonden om geen familie- of gezinsleven aan te nemen. Niet gemotiveerd is op grond waarvan deze omstandigheden thans wel tot de conclusies leiden dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven. De enige wijziging die zich tijdens de bezwarenprocedure heeft voorgedaan is de bekendwording van het gegeven dat eiseres geen biologisch kind is van referente. Nu dit gegeven op zichzelf niet aan het aannemen van familie- of gezinsleven in de weg staat, kan uitsluitend het feit dat referente dit gegeven aanvankelijk heeft verzwegen voor verweerder een reden hebben gevormd voor de standpuntwijziging. Blijkens het verhandelde ter zitting ligt deze reden echter niet ten grondslag aan de wijziging van het standpunt van verweerder. Uit het bestreden besluit volgt overigens evenmin dat de wijziging van verweerders standpunt hierop zou zijn gebaseerd.

17. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat in het bestreden besluit niet nader is ingegaan op de uitkomst van de identificerende vragen zoals deze zijn gesteld aan eiseres. In de brief van verweerder, d.d. 16 september 2002, aan de Nederlandse Diplomatieke Vertegenwoordiging is het volgende vermeld: "Indien de beantwoording van de identificerende vragen geen twijfels over de identiteit van betrokkene overlaten, wordt per elektronische bericht akkoord tot afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf gegeven." Gesteld noch gebleken is dat de beantwoording van de vragen twijfels heeft gewekt over de identiteit van eiseres. Door verweerder is niet gemotiveerd waarom desondanks, in afwijking van de evenvermelde passage in de brief aan de Nederlandse Diplomatieke Vertegenwoordiging, is geweigerd een mvv te verstrekken. Ter zitting kon hieromtrent evenmin duidelijkheid worden verschaft.

18. Gelet op vorenstaande overwegingen kan het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsvereiste (artikel 7:12 van de Awb) in rechte geen stand houden. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. In verband daarmee overweegt de rechtbank ten overvloede het volgende. Voor zover verweerder in het nieuw te nemen besluit een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM maakt, zij er op gewezen dat de reeds eerder in het besluit van 26 juli 2000 in dat kader gemaakte belangenafweging door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, is beoordeeld in de uitspraak van 29 mei 2001. Verweerder dient ook deze uitspraak bij het nieuw te nemen besluit in acht te nemen.

19. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als rechtspersoon die aan eiseres het door haar betaalde griffiegeld dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 24 oktober 2002;

draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,- , onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiseres € 109,- te betalen ter vergoeding van het door haar betaalde griffiegeld.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.E.M. Messer-Dinnissen en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2003 in tegenwoordigheid van mr. N. Lont als griffier.

de griffier de rechter

w.g. Lont w.g. Messer-Dinnissen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 18 maart 2003

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.