Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1378

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/319
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoeksplicht na eerdere uitspraak.

Eisers aanvraag is in de AC-procedure afgewezen. Het beroep tegen die beschikking is bij rechterlijke uitspraak gegrond verklaard en de beschikking is vernietigd, mede omdat verweerder geen nader onderzoek had ingesteld naar de gebeurtenissen die eiser in zijn asielrelaas heeft genoemd. Vervolgens is de aanvraag opnieuw afgewezen. In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder in de bestreden beschikking onvoldoende rekening heeft gehouden met de overwegingen in de eerdere AC-uitspraak. De rechtbank oordeelt dat verweerder, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, in redelijkheid van een algemeen onderzoek kon afzien en niet op grond van de AC-uitspraak gehouden was dat onderzoek in te stellen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 02/319 BEPTDN S6

uitspraak: 11 juni 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1976,

verblijvende te B,

van Togolese nationaliteit,

IND dossiernummer: 0105.28.8002,

eiser,

gemachtigde: mr. S.E. de Jong, advocaat te Assen,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.R. Roose, werkzaam bij de IND.

PROCESVERLOOP

Bij beroepschrift van 20 december 2001 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de afwijzende beschikking van 29 november 2001 op de aanvraag om toelating als vluchteling. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 maart 2003. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Togo. Naar aanleiding van de dood van zijn vader vanwege diens politieke activiteiten, is eiser lid geworden van de Union des Forces pour le Changement (UFC) en van de Togolese Liga voor de Rechten van de Mens (LTDH). Na de presidentsverkiezingen van 1998 zijn er onlusten ontstaan, omdat over de uitslag geen overeenstemming was. Eiser nam ook deel aan demonstraties. In mei 1998 publiceerde Amnesty International een rapport over de situatie in Togo. Naar aanleiding daarvan zijn veel mensen van de LTDH opgepakt, omdat zij achter dit negatieve rapport zouden zitten. De regering heeft in overleg met Amnesty International besloten dat een onafhankelijke onderzoekscommissie onderzoek moest doen naar de uitkomsten van het rapport. Op 21 februari 2001 heeft de commissie de resultaten bekend gemaakt en de bevindingen van Amnesty International bevestigd. Twee dagen later is eiser opgepakt zonder arrestatiebevel en is hij zonder proces opgesloten. Een bewaker heeft eiser geholpen te ontsnappen.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eisers verklaringen over zijn ontsnapping uit de gevangenis afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Daarnaast is overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Togolese autoriteiten eiser beschouwden als een belangrijke politieke opposant. Niet gebleken is dat hij een belangrijke rol speelde in de partij noch dat de autoriteiten op de hoogte waren van zijn activiteiten voor de partij. Voorts stelt verweerder dat niet gebleken is dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat vanwege zijn achternaam of vanwege de oppositie van zijn oom en zijn vader. Hierbij laat verweerder wegen dat eiser in 2001 is gearresteerd, terwijl zijn vader in 1998 reeds is overleden.

Eisers beroep op de algehele situatie zoals die beschreven is in het internetbericht van BBC News en het Jaarboek 2000 van Amnesty International kan niet leiden tot vluchtelingschap, nu deze berichten niet zien op de specifieke situatie van eiser. Indien voorts moet worden uitgegaan van de ontsnapping van eiser uit de gevangenis, stelt verweerder zich op het standpunt dat de eenvoudige wijze van ontsnappen er niet op duidt dat eiser als staatsgevaarlijk werd beschouwd. Tenslotte is niet aannemelijk geworden dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond vanwege zijn lidmaatschap van de UFC. Naar het oordeel van verweerder heeft eiser niet aannemelijk weten te maken dat hij risico loopt te worden onderworpen aan een met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheiden (EVRM) strijdige behandeling. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die nopen tot toelating van eiser hier te lande. De verklaringen van eiser zijn niet van dien aard dat aannemelijk is dat van eiser als gevolg van traumatische ervaringen in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de overwegingen die de rechtbank ertoe brachten om het beroep tegen de AC-beschikking gegrond te verklaren. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling van de aanvraag de politieke situatie in het land van herkomst onvoldoende betrokken. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gepubliceerd in RV 1983, nr 3.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het beroep

Onder meer gelet op het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode tot 22 juli 2002 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de (voormalige) Staatssecretaris van Justitie, wiens handelingen en besluiten, voor zover deze tot stand zijn gekomen voor 22 juli 2002, rechtens dienen te worden toegerekend aan voornoemde Minister.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) en bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), wordt een vreemdeling als vluchteling aangemerkt indien deze uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Togo zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten worden dat met betrekking tot de persoonlijke feiten en omstandigheden van eiser, redenen bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

Verweerder heeft het bestreden besluit genomen nadat de rechtbank uitspraak had gedaan in de AC-procedure (zittingsplaats Zwolle, 20 juni 2001, AWB 01/23281), inhoudende de gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de AC-beschikking en bepaling dat verweerder een nieuw besluit moest nemen. In die uitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Gelet op hetgeen uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, bestaat, naar het oordeel van de rechtbank, thans onvoldoende duidelijkheid om de conclusie te rechtvaardigen dat er in het onderhavige geval tussen redelijk denkende mensen geen twijfel over kan bestaan dat eiser zich objectief beschouwd niet in een vluchtsituatie bevindt. Het vluchtrelaas is op zichzelf genomen niet inconsistent en past in het beeld dat uit BBC-news blijkt van de situatie rondom 24 februari 2001, zodat niet reeds om die reden kan worden gesteld dat dit ongeloofwaardig is. Het enkele feit dat er vragen resten over de ontsnapping uit de gevangenis is onvoldoende reden om het gehele relaas ongeloofwaardig te achten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet in geschil is dat de bewakers met hun familie op het bewaakte terrein woonden en de ontsnapping - kennelijk - moet worden beoordeeld in de context van een in een Afrikaans land georganiseerde gevangenis.

Zonder nader onderzoek naar de gebeurtenissen rondom 24 februari 2001 valt niet uit te sluiten dat de Togolese autoriteiten de activiteiten van eiser anders beoordelen of aan eiser meer activiteiten toedichten dan hij daadwerkelijk heeft verricht. Niet onaannemelijk is dat eiser daarover door de Togolese autoriteiten is ondervraagd en in de negatieve belangstelling is komen te staan, hetgeen geresulteerd heeft in zijn detentie. De rechtbank merkt op dat door verweerder in het onderhavige geval geen informatie is betrokken over de situatie rondom de publicatie van het onderzoeksrapport en de naar aanleiding daarvan georganiseerde demonstratie op 24 februari 2001. De berichtgeving van BBC-news over genoemde demonstratie is door verweerder onvoldoende weersproken.

Verweerder stelt uitvoering te hebben gegeven aan de uitspraak door eiser opnieuw te horen. Verweerder heeft geen algemeen onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen in Togo rond 24 februari 2001.

Namens eiser is als belangrijkste beroepsgrond aangevoerd dat verweerder geen uitvoering heeft gegeven aan genoemde uitspraak en dat het bestreden besluit mede om die reden onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

In het nader gehoor d.d. 24 september 2001 heeft verweerder eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld zijn visie op de gebeurtenissen in februari 2001 in Togo te geven. Uit dit gehoor heeft verweerder geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Dit standpunt heeft verweerder mede gebaseerd op de overweging dat eisers relaas omtrent zijn ontsnapping niet aannemelijk is en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een prominente rol in de partij heeft gespeeld. Verweerder heeft geen algemeen onderzoek gedaan naar de situatie in februari 2001. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder hier in redelijkheid ook vanaf kunnen zien, nu de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd een individueel karakter dragen en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat algemene onderzoek zou kunnen leiden tot een andere kwalificatie van de feiten in het licht van wat reeds over Togo bekend is.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding eiser te volgen in de stelling dat verweerder de overwegingen uit de AC-uitspraak niet heeft meegenomen en dat verweerder de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Om dezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding eiser te volgen in de stelling dat verweerder de algehele politieke situatie bij de beoordeling onvoldoende heeft meegenomen.

Eiser kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiser aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2003 in tegenwoordigheid van mr. M.P. Dijkema als griffier.

Afschrift verzonden: 17 juni 2003