Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1137

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2003
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
AWB 03/24554
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak / herhaalde aanvraag / categoriaal beschermingsbeleid.

Verzoeker heeft op 20 april 2003 een tweede aanvraag ingediend vanwege het door verweerder ingestelde categoriale beschermingsbeleid alsmede de door hem na de val van het regime onder Saddam Hoessein mogelijk te verwachten problemen tengevolge van zijn christelijke geloof.

Eiser komt volgens verweerder vanwege het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw 2000 niet in aanmerking voor categoriale bescherming. De voorzieningenrechter overweegt dat op 12 december 2002 het categoriaal beschermingsbeleid inzake Centraal-Irak (weer) van kracht is geworden. Dit betekent dat binnen de reikwijdte van de aanvraag, voorzover deze zich beperkt tot de d-grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000, bedoelde aanvraag moet worden gezien als een nieuwe aanvraag waarbij de vereisten van artikel 4:6 Awb niet spelen. Voorzover de aanvraag op de andere in artikel 29 Vw 2000 genoemde gronden ziet, gelden de vereisten van artikel 4:6 Awb. Ten aanzien van het beroep op artikel 29 a en/of b Vw 2000 is de rechtbank van oordeel dat reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht dat dit tot een andersluidende beslissing in de zin van artikel 4:6 Awb zou kunnen leiden. Ten aanzien van het door verweerder gevoerde openbare-ordebeleid is de rechtbank van oordeel dat de werking van artikel 4:84 Awb dermate wordt gemitigeerd dat er nog slechts een te beperkte belangenafweging mogelijk is. Het beleid is kennelijk onredelijk. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 03/24554 BEPTDN A S7

uitspraak: 19 juni 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1970,

van Iraakse nationaliteit,

IND-dossiernummer: 9707.07.8097,

eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Walls, advocaat te Dordrecht,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

PROCESVERLOOP

Eiser heeft op 8 juli 1997 aanvragen om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 26 april 1998 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Wel is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend met ingang van 8 juli 1997, geldig tot 9 juli 1998. Eiser heeft daartegen bij brief van 20 mei 1998 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 21 september 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 12 oktober 1998 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. Bij uitspraak van 16 december 1999 van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, is het beroep van 12 oktober 1998 ongegrond verklaard.

Bij beschikking van 26 mei 1999 heeft verweerder besloten de aan eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf in te trekken. Eiser heeft daartegen bij brief van 26 juli 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 31 augustus 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 29 september 2000 heeft eiser beroep ingesteld tegen de beschikking van 31 augustus 2000. Bij uitspraak van 20 juni 2002 van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, is het beroep van 29 september 2000 ongegrond verklaard.

Op 20 april 2003 heeft eiser (wederom) een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft bij beschikking van 23 april 2003 afwijzend op de aanvraag beslist.

Bij beroepschrift van 23 april 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen de beschikking van 23 april 2003. Eiser is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 23 april 2003 heeft eiser de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep wordt beslist. Bij uitspraak van 16 mei 2003 juni 2002 van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en eiser toegezonden. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 mei 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet ter zitting verschenen.

MOTIVERING

Feiten en standpunten van partijen

Eiser heeft op 20 april 2003 opnieuw een aanvraag ingediend, omdat verweerder een categoriaal beschermingsbeleid voert ten aanzien van asielzoekers met de Iraakse nationaliteit geboren in Centraal-Irak. Eiser heeft er verder op gewezen dat hij het christelijk geloof aanhangt en het onduidelijk is hoe de godsdienstvrijheid zich zal ontwikkelen na de val van Saddam Hoessein.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder betrokken de omstandigheid dat ingevolge artikel 31, tweede lid, sub k een aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Uit onderzoek bij het Justitiële Documentatieregister op 18 april 2003 is gebleken dat eiser op 2 september 1999 een transactieaanbod is gedaan van een bedrag van ƒ 240,- inzake een winkeldiefstal, welk transactieaanbod is aanvaard. De omstandigheden, die eiser heeft aangevoerd kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb. Zoals in de Vreemdelingencirculaire C1/5.13.2 wordt omschreven kunnen deze bijzondere omstandigheden geen verband houden met het gepleegde misdrijf of beoordeling daarvan. Om die reden wordt de omstandigheid dat eiser slechts ter voorkoming van strafvervolging een transactieaanbod heeft aanvaard en, zoals in de zienswijze is aangevoerd, volledig medewerking aan het politieonderzoek heeft verleend niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt.

Voor zover eiser in zowel het zwaarwegend advies als de zienswijze nadrukkelijk een beroep gedaan heeft op alle toelatingsgronden heeft verweerder als volgt overwogen. Ten aanzien van reeds in de vorige procedure, onherroepelijk geworden, getrokken conclusies omtrent aanspraken op vluchtelingschap, is niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, die aan de aanvraag ten grondslag liggen en die een ander licht op de zaak werpen. Eiser komt niet voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en a in aanmerking nu hij op geen enkele wijze aannemelijk heeft weten te maken dat het leven van betrokkene in Irak onhoudbaar is geworden ten gevolge van gestelde discriminatie vanwege zijn Christelijk geloof. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er bij terugkeer een reëel risico bestaat op een behandeling als beschreven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw 2000. Ook wordt eiser niet in het bezit gesteld van een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c Vw 2000, nu niet gebleken is dat als gevolg van traumatische ervaringen of andere klemmende redenen van humanitaire aard van eiser in redelijkheid niet gevergd kan worden dat eiser terugkeert naar zijn land van herkomst. Ook komt eiser niet in aanmerking voor een vergunning ex artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw 2000. Eiser valt niet onder het categoriaal beschermingsbeleid. Verweerder heeft verwijst naar artikel 31, eerste lid juncto tweede lid onder k van de Vw 2000. In de beleids- en beoordelingsvrijheid om over te gaan tot het voeren van een beleid van categoriale bescherming ligt de bevoegdheid besloten in het kader van het algemeen belang aan individuele personen een verblijfstitel op grond van dit beleid te onthouden indien zij een gevaar vormen voor de openbare orde.

Ten slotte komt eiser niet in aanmerking voor een vergunning op grond van het gestelde in artikel 29, eerste lid, aanhef, onder e en f, Vw 2000 omdat hij niet aan de daarin gestelde criteria voldoet.

Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte in de AC-procedure is afgedaan. Eiser stelt dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k van de Vreemdelingenwet 2000 wordt tegengeworpen en dat er verschillen in tegenwerping van een inbreuk op de openbare orde bestaan tussen de verschillende toelatingsgronden. Eiser heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank van 27 maart 2003 van deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, waarin is bepaald dat het toetsingskader van artikel 4:6 Awb in een situatie als de onderhavige de weg openlaat voor een nieuwe asielaanvraag op alle toelatingsgronden en waaruit tevens de conclusie getrokken moet worden dat een inbreuk op de openbare orde niet in alle gevallen als een absolute contra-indicatie beschouwd mag worden. Verder zou aan verweerder beleidsvrijheid toekomen in hoeverre bij toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k Vw 2000 en in welke mate daarbij gedifferentieerd zou moeten worden naargelang de aan de orde zijnde toelatingsgrond. Naar het oordeel van eiser mag een inbreuk op de openbare orde derhalve niet in alle gevallen als een absolute contra-indicatie worden beschouwd. Eiser heeft dienaangaande voorts verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 17 april 2002 van deze rechtbank, zittingsplaats Zutphen. Voorts heeft eiser gesteld dat het niet ondenkbaar is dat hij als Christen vervolgd zal worden dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM dreigt te ondergaan. Voorts is eiser van mening dat de wijze waarop hij het transactieaanbod heeft ondergaan dient te worden meegewogen. Slechts ter voorkoming van een strafvervolging is de transactie geaccepteerd, waarbij geenszins is beoogd aan te geven dat er werd erkend dat hij het feit, waarvan hij werd beschuldigd heeft gepleegd.

Beoordeling van het beroep

In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van verzoeker die ten grondslag ligt aan de onderhavige procedure diens tweede aanvraag voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel is. In die zin is er sprake van een herhaalde aanvraag.

De rechtbank overweegt in dit verband evenwel, dat op 12 december 2002 het categoriaal beschermingsbeleid inzake Centraal-Irak (weer) van kracht is geworden. Dit moet worden beschouwd als het in werking treden van nieuw beleid.

Blijkens de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (MvT, Kamerstukken II, 1988-1989, 21221 nr. 3, p. 93-94) dient de (herhaalde) aanvraag in een dergelijke situatie te worden behandeld als een nieuwe aanvraag. Artikel 4:6 van de Awb is niet in het leven geroepen voor de situatie dat het recht of het beleid wordt gewijzigd. Dit betekent dat bedoelde aanvraag, voorzover deze ziet op verkrijging van een vergunning ex artikel 29, eerste lid letter d, van de Vw 2000 moet worden gezien als een nieuwe aanvraag en als zodanig niet met toepassing van 4:6 van de Awb kan worden afgedaan, maar inhoudelijk moet worden getoetst.

Voorzover eiser zich beroept op de overige toelatingsgronden overweegt de rechtbank dat de aanvraag van eiser in zoverre als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb moet worden beschouwd.

Dit artikel omvat regels inzake de toegang tot de rechter en staat derhalve niet ter vrije beschikking van partijen, maar is van openbare orde.

Artikel 4:6 van de Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag is gedaan, de aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te melden. Indien daarvan geen sprake is, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerder afwijzende beschikking. Indien er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden dient het bestuursorgaan te onderzoeken of het omstandigheden betreffen die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding zouden kunnen geven.

Eiser stelt in dit verband dat in verband met de gewijzigde situatie in het land van herkomst na de val van het regime van Saddam Hoessein het niet ondenkbaar is, dat hij als Christen vervolgd zal worden dan wel een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM dreigt te ondergaan. De rechtbank merkt op dat, hoewel eiser stelt zich te beroepen op alle toelatingsgronden hiermee de omvang van "alle" gronden beperkt wordt tot de in artikel 29 onder letter a en b genoemde toelatingsgronden.

De rechtbank is van oordeel dat het gezien de stelling van eiser, die op geen enkele wijze nader is onderbouwd, reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht dat dit zou leiden tot een andersluidende beslissing in bovenvermelde zin, nu hiermee allerminst gebleken is van de voor een geslaagd beroep op het Vluchtelingenverdrag vereiste gegronde vrees voor vervolging dan wel het voor verlening van een vergunning ex artikel 29, eerste lid, onder letter b van de Vw 2000 vereiste reëel risico.

Het vorengaande betekent dat verweerder onder verwijzing naar diens eerdere beschikking de aanvraag had moeten afwijzen voor zover dit ziet op andere gronden dan de onder artikel 29, eerste lid, onder letter d van de Vw 2000 genoemde grond. De rechtbank zal zich derhalve van een oordeel ten aanzien van het besluit op de aanvraag voorzover dit ziet op artikel 29, eerste lid, onder letter a en b van de Vw 2000 onthouden.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat, de beroepsgronden die zien op artikel 29, eerste lid, letter a en b ten spijt, de omvang van het thans voorliggende geschil zich thans nog beperkt tot de vraag of verweerder aan verzoeker een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 kon onthouden. Hierbij past een terughoudende toets.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Niet in geschil is dat aan eiser terzake van een misdrijf een transactieaanbod is gedaan op 2 september 1999, hetwelk eiser heeft aanvaard.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Op grond van artikel 31, derde lid, Vw, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot het tweede lid, onder j en k, van artikel 31, Vw.

Ingevolge artikel 3.77 Vb 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vw 2000, worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van een misdrijf een transactieactieaanbod heeft aanvaard.

Op grond van hoofdstuk B1/2.2.4 Vc 2000 wordt als regel van beleid de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling terzake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard, of sprake is van een veroordeling of oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete.

Volgens de Vreemdelingencirculaire (Vc) onder C1/5.13 is bij de beslissing omtrent verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 Vw 2000, het beleid, zoals omschreven in hoofdstuk B1/2.2.4 Vc 2000, van overeenkomstige toepassing, voorzover dit geen strijd oplevert met verdragsverplichtingen.

De rechtbank zal allereerst een oordeel geven over de vraag of dit beleid in overeenstemming is met de wet en of dit beleid redelijk is.

De rechtbank overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat artikel 31, tweede lid, Vw niet imperatief is geformuleerd omdat, indien het zich voordoen van een omstandigheid als bedoeld in dit artikellid dwingend zou moeten leiden tot afwijzen van de aanvraag, dit in strijd zou kunnen komen met het Vluchtelingenverdrag (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26732, nr. 7, p. 150).

De rechtbank is van oordeel dat nu het in het geval van verzoeker nog uitsluitend gaat om verlening van een verblijfsvergunning op grond het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, welk beleid nationaal rechtelijk van aard is en waarbij verweerder een ruime beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt, van strijd met het Vluchtelingenverdrag geen sprake is.

Tevens blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Vw 2000 dat in vergelijking met de Vw (oud) geen wijziging wordt beoogd waar het betreft het weigeren of intrekken van een vergunning op grond van een inbreuk op de openbare orde (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26732, nr. 7, p. 154-155).

De rechtbank stelt vast dat onder de vigeur van de Vreemdelingenwet 1994 het openbare orde beleid op grond waarvan de eerste toelating werd geweigerd, waaronder tevens werd begrepen een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, neergelegd in de Vc (oud) onder A4/4.3.2.1, imperatief geformuleerd was.

Gezien het vorenoverwogene ziet de rechtbank in het feit dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw, facultatief is geformuleerd geen aanleiding om het beleid neergelegd in de Vc onder C1/5.13 juncto B1/2.2.4 kennelijk onredelijk te achten.

Dit laat onverlet dat verweerder op grond van artikel 4:84 Awb gehouden is, indien de toepassing van het beleid voor verzoeker gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, van het beleid af te wijken.

Ter zake geldt volgens de Vc C1/5.13 het volgende;

"Voor de beoordeling van de verblijfsaanspraken is een individuele belangenafweging, gericht op het misdrijf en de beoordeling daarvan, niet nodig.

Slechts indien de asielzoeker bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht, stelt en aannemelijk maakt, is er reden om af te wijken van dit beleid. Deze bijzondere omstandigheden kunnen geen verband houden met het gepleegde misdrijf of de beoordeling ervan. Die afweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de strafrechtelijke vervolging.

Het enkele ontbreken van een gevaar voor recidive is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling van de verblijfsaanspraken nadat een vreemdeling een delict heeft gepleegd gaat het niet om de beoordeling van het toekomstig onzekere feit dat betrokkene niet meer een (soortgelijk) delict zal plegen. Wel kan het ontbreken van een gevaar voor recidive in samenhang met andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat gebruik moet worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid."

Bovenstaande impliceert dat het beleid geen enkele ruimte biedt de aard en de bestraffing van het gepleegde misdrijf bij de besluitvorming te betrekken, noch kan dit bij de belangenafweging op grond van artikel 4:84 Awb aan de orde komen.

De rechtbank is terughoudend toetsend van oordeel dat verweerder blijkens voormeld beleid de werking van artikel 4:84 Awb dermate verstrekkend mitigeert, dat er sprake is van kennelijk onredelijk beleid op dit punt. Hoewel artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 verweerder beleids- en beoordelingsvrijheid biedt bij de verlening van een verblijfsvergunning, gaat deze vrijheid niet zover dat, nadat verweerder is overgegaan tot het vaststellen van categoriaal beschermingsbeleid, verweerder artikel 4:84 Awb zodanig kan beperken dat er slechts een beperkte belangenafweging mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank dient het in de situatie dat in beleid is neergelegd dat in algemene zin terugzending naar een bepaald land van bijzondere hardheid is, mogelijk te zijn om bij de toepassing van voornoemd openbare orde beleid in individuele gevallen rekening te houden met het gepleegde misdrijf, de beoordeling er van en het gevaar van recidive.

Nu de rechtbank het beleid neergelegd in de Vc onder C1/5.13 juncto B1/2.2.4 kennelijk onredelijk acht, is ook het bestreden besluit, genomen krachtens dat beleid, rechtens onjuist te achten. Het besluit komt derhalve in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:4, lid 2 juncto 3:46 Awb.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep, bekend onder nummer AWB 03/24554 BEPDTN A S7, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van verzoeker in dit geding ten bedrage van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Aldus gegeven door mr. C.J.R. de Locht, voorzitter, en mrs. K. Wentholt en H. Dragtsma, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.B.A. Mensink als griffier op 19 juni 2003.

Afschrift verzonden op: 20 juni 2003