Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1134

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2003
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
AWB 01/46877, 01/47699
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taalanalyse / zorgvuldigheid.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verrichte taalanalyses niet aan de beschikkingen ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit de rapporten van taalanalyse blijkt niet uit welk land de betrokken taalanalist afkomstig is en evenmin welke relatie de taalanalist heeft tot Afghanistan, het gestelde land van herkomst, dan wel India, het door de taalanalist geduide land van herkomst. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat onvoldoende inzicht bestaat in de deskundigheid van de taalanalist. Dat de taalanalist blijkens de bestreden beschikkingen op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat, doet daaraan niet af. Dat verweerder ter voorbereiding van de zitting hiernaar navraag heeft gedaan en ter zitting alsnog inzicht heeft gegeven in de deskundigheid van de taalanalist kan voornoemd gebrek evenmin herstellen. Daarbij komt dat gebleken is dat de taalanalist is geboren en getogen in Pakistan, en dat is noch het gestelde noch het door de taalanalist geduide land van herkomst. Voorts merkt de rechtbank op dat in het ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag opgemaakte rapport van taalanalyse wordt vermeld dat de taalanalist Urdu, Engels en Punjabi spreekt. In de bestreden beschikking is ten aanzien van eiser opgenomen dat de taalanalist deskundig is op het gebied van zowel Pashtu als Urdu. Op grond van het vooroverwogene is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat de taalanalyses voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 01/46877 en AWB 01/47699 OVERIO A S2

uitspraak: 30 juni 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1968,

verblijvende te B,

C,

geboren op [...] 1972,

verblijvende te B,

mede namens hun minderjarige kind,

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer: 0004.20.8031,

eisers,

gemachtigde: mr. C.M. da Cunha, advocaat te Amsterdam,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Lukien, werkzaam bij de IND.

PROCESVERLOOP

Op 20 april 2000 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikkingen van 14 november 2000, uitgereikt op 6 december 2000, heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eisers geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eisers hebben daartegen bij brief van 6 december 2000 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 16 augustus 2001, bekend gemaakt op 17 augustus 2001, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 13 september 2001 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 mei 2003. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Eisers hebben ter ondersteuning van hun aanvragen, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eisers zijn afkomstig uit Kandahar in Afghanistan en behoren tot de Hindoe bevolkingsgroep. Eiser is in 1974 bij zijn oom in Bombay, India, gaan wonen en heeft daar tot 1989 verbleven. Na het overlijden van zijn oom is eiser door zijn vader teruggehaald naar Kandahar. Eisers kwamen in Kandahar bijna nooit op straat. Eiser is op straat twee keer aangehouden door de Taliban. Eisers vader heeft toen geld betaald en eiser werd vervolgens met rust gelaten. De Taliban heeft eisers families verboden om te trouwen. Eisers zijn in 1995 in het geheim toch getrouwd. Eisers mochten van de Taliban ook geen kinderen krijgen. Toen eiseres zwanger werd heeft de vader van eiser geregeld dat eisers naar Pakistan konden vertrekken in juni 1999. Eiseres is daar bevallen van een zoon en in april 2000 zijn eisers naar Nederland vertrokken.

Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat de relazen van eisers niet geloofwaardig worden geacht. Eisers beschikken toerekenbaar niet over documenten, hebben een zeer summiere kennis van Kandahar en uit de rapporten van taalanalyse is gebleken dat eisers eenduidig afkomstig zijn uit India. Voorts stelt verweerder dat in de beschikkingen in primo voldoende recht is gedaan aan de motiveringsplicht ten aanzien van de schriftelijke zienswijze op de rapporten van taalanalyse. Eisers worden daarentegen wel gevolgd in hun stellingen dat voor hen onduidelijk is waarom de afzonderlijke onderdelen van de zienswijze niet tot een ander oordeel hebben geleid. In de bestreden beschikkingen verduidelijkt verweerder vervolgens waarom eisers stellingen in de zienswijze niet tot een ander oordeel leiden dan de conclusies van verweerder in de beschikkingen in primo. Om een taalanalyse te kunnen beoordelen moet de taalanalist aan een aantal voorwaarden voldoen. De gewraakte rapporten van taalanalyse zijn tot stand gekomen met taalanalisten die aan de kwaliteitscriteria voldoen. In het geval van eiser is volgens verweerder gekozen voor een taalanalist die zowel deskundig is op het gebied van Pashtu als Urdu. In het geval van eiseres is gekozen voor een taalanalist die deskundig is op het gebied van Pashtu, Punjabi en Urdu. Immers, indien eisers uit Afghanistan afkomstig zijn, zouden zij kennis moeten hebben van zowel het Pashtu als het Hindi. Verweerder stelt dat het Urdu een nauw aan het Hindi verwante taal is en dat zij aangemerkt worden als twee dialecten van één en dezelfde taal. Derhalve behoeft de deskundigheid van de taalanalisten op het gebied van het Hindi niet in twijfel getrokken te worden. Daar het Hindi en het Urdu zeer nauw verwant zijn aan elkaar, zijn op basis daarvan een Indiaas accent en uitdrukkingen uit India zeer wel te analyseren. Eisers verklaring dat hij voormeld accent heeft overgehouden aan zijn verblijf in India is geen afdoende verklaring, daar hij van zijn 21e tot zijn 31e jaar weer bij zijn familie in Kandahar heeft verbleven. De verklaring van eiseres dat zij haar hele leven binnenshuis heeft doorgebracht doet aan het vorenstaande evenmin af. Immers, volgens eiseres heeft zij de taal van haar ouders geleerd. Niet valt in te zien dat haar familie Hindi en Punjabi met een Indiaas accent zouden spreken. Daarnaast stelt verweerder dat landenkennis een geaccepteerd onderdeel is van de informatie om de herkomst van iemand te bepalen. Derhalve zijn de taalanalisten niet buiten hun deskundigheidsgebied getreden. In de taalanalyse wordt voorts geconstateerd dat eisers de Pashtu-taal niet beheersen. Aangezien Pashtu de voertaal in Kandahar is, is het zeer onwaarschijnlijk dat eisers afkomstig zijn uit Kandahar, Afghanistan. Ten overvloede wordt verwezen naar uitspraken van de rechtbank te 's-Gravenhage (Awb 97/2973 en 98/1280). Eisers zijn gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, Vw (oud) niet gehoord.

Eisers stellen zich op het standpunt dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Eisers verwijzen daartoe naar de gronden van bezwaar en stellen dat zij afkomstig zijn uit Afghanistan, ondanks dat zij de Dari- en Pashtu talen niet beheersen en slechts summiere informatie kunnen verstrekken over Afghanistan en Kandahar. Voorts verwijzen eisers naar de uitvoerige reactie op de bevindingen en conclusies van de rapporten van taalanalyse. In dit verband dient betekenis te worden gehecht aan het feit dat eiser een substantieel deel van zijn leven heeft doorgebracht in India en dat eiseres nimmer c.q. slechts zeer zelden haar huis heeft mogen verlaten. Voorts behoren eisers tot de Hindoe bevolkingsgroep, hetgeen hun gedegen kennis van één of meer Indiase talen verklaart. Eisers zijn van mening dat er sprake is van vluchtelingschap, dat zij bij terugkeer aanmerkelijke risico's lopen in de sfeer van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat zij behoren tot de categorie van personen voor wie terugkeer naar het land van herkomst van bijzondere hardheid is vanwege de situatie in hun land. Voorts hadden eisers gehoord moeten worden.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het beroep

Onder meer gelet op het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode tot 22 juli 2002 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de (voormalige) Staatssecretaris van Justitie, wiens handelingen en besluiten, voor zover deze tot stand zijn gekomen voor 22 juli 2002, rechtens dienen te worden toegerekend aan voornoemde Minister.

In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495; verder: Vw 2000) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de Vw (oud) ingetrokken (art. 122 Vw 2000).

Ingevolge het bepaalde in artikel 118, tweede lid, Vw 2000 blijft op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vw (oud) dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. De Vw 2000 voorziet niet in een expliciete regeling van overgangsrecht met betrekking tot het toepasselijke materieelrechtelijke rechtsregime voor de te nemen beslissing op bezwaar. Aangezien verweerder in de bezwaarfase, op de voet van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb), tot een volledige heroverweging van het besluit in primo is overgegaan en daarbij, overeenkomstig vaste bestuursrechtelijke uitgangspunten, ook het nieuwe materiele recht heeft moeten toepassen, tenzij dit ten nadele zou zijn van degene die bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit in primo, zal de hierboven genoemde toets materieelrechtelijk plaatsvinden aan de hand van de Vw 2000. Eerst na deze toetsing zal de rechtbank bezien of het rechtsregime zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag voor eisers als gunstiger valt aan te merken en in hoeverre verweerder toepassing had dienen te geven aan dat rechtsregime.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) en bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), wordt een vreemdeling als vluchteling aangemerkt indien deze uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afghanistan zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eisers persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

Blijkens de bestreden beschikkingen heeft verweerder geconcludeerd tot ongeloofwaardigheid van de asielrelazen van eisers. Verweerder heeft hieraan een drietal overwegingen ten grondslag gelegd, te weten dat eisers toerekenbaar niet beschikken over documenten, slechts summiere kennis van Kandahar bezitten en blijkens taalanalyses eenduidig afkomstig zijn uit India. De rechtbank stelt vast dat, hoewel de door eisers tegen de besluiten in primo ingebrachte bezwaren zich tevens richten op de twee eerstgenoemde overwegingen, verweerder in de besluiten op bezwaar voornamelijk is ingegaan op de verrichte taalanalyses. Voorts leest de rechtbank de bestreden beschikkingen zo dat de twee eerstgenoemde overwegingen volgens verweerder weliswaar leidden tot ernstige twijfel aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eisers, maar dat de conclusie dat ongeloofwaardig is dat eisers afkomstig zijn uit Afghanistan en de Afghaanse nationaliteit bezitten en dat daarom ook de voorts afgelegde verklaringen als ongeloofwaardig worden beschouwd, door verweerder is getrokken naar aanleiding van de verrichte taalanalyses. Het door verweerder in het verweerschrift en ter zitting ingenomen standpunt dat de twee eerstgenoemde overwegingen op zichzelf reeds voldoende zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat de relazen van eisers niet geloofwaardig zijn en voor de conclusie dat eisers niet afkomstig zijn uit Afghanistan, is, wat hiervan overigens ook zij, naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet het in de bestreden beschikkingen ingenomen standpunt zodat de rechtbank hieraan verder voorbij gaat.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verrichte taalanalyses niet aan de beschikkingen ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit de rapporten van taalanalyse blijkt niet uit welk land de taalanalist afkomstig is en evenmin welke relatie de taalanalist heeft tot Afghanistan, het gestelde land van herkomst, dan wel India, het door de taalanalist geduide land van herkomst. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat onvoldoende inzicht bestaat in de deskundigheid van de taalanalist. Dat de taalanalist, blijkens de bestreden beschikkingen, op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat, doet daaraan niet af. Dat de gemachtigde van verweerder ter voorbereiding van de zitting hiernaar navraag heeft gedaan en ter zitting alsnog inzicht heeft gegeven in de deskundigheid van de taalanalist kan voornoemd gebrek evenmin herstellen, waarbij komt dat hieruit naar voren is gekomen dat de taalanalist is geboren en getogen in Pakistan, het gestelde noch het door de taalanalist geduide land van herkomst. Voorts merkt de rechtbank op dat in het ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag van eiser opgemaakte rapport van taalanalyse wordt vermeld dat de taalanalist Urdu, Engels en Punjabi spreekt, terwijl in de bestreden beschikking ten aanzien van eiser is opgenomen dat de taalanalist deskundig is op het gebied van zowel Pashtu als Urdu.

Op grond van het vooroverwogene is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat de taalanalyses voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen, zodat deze niet aan de bestreden beschikkingen ten grondslag hadden kunnen worden gelegd. Nu gelet op hetgeen eerder is overwogen de rapporten van taalanalyse dragend zijn voor verweerders oordeel dat de asielrelazen van eisers ongeloofwaardig zijn en dat eisers niet afkomstig zijn uit Afghanistan en niet de Afghaanse nationaliteit bezitten, is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikkingen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd. Mede redengevend hiervoor is dat, ook al zouden - anders dan de bestreden beschikkingen als kenbaar uitgangspunt hebben - verweerders overwegingen ook zonder het aspect van de taalanalyses voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de asielrelazen ongeloofwaardig zijn, hiermee nog geen oordeel is gegeven over de vraag of eisers aanspraken op verlening van een verblijfsvergunning kunnen ontlenen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000. De bestreden beschikkingen ontberen overwegingen op dit punt.

De beschikkingen dienen dan ook wegens strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12, eerste lid, Awb te worden vernietigd.

Voorts merkt de rechtbank op dat verweerder in de door eisers naar voren gebrachte bezwaren tegen de beschikkingen van 14 november 2000 aanleiding had dienen te zien eisers naar aanleiding van deze bezwaren te horen.

Er bestaat aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

BESLISSING

De rechtbank verklaart:

- het door eisers ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad Euro 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2003 in tegenwoordigheid van mr. A. Hut als griffier.

Afschrift verzonden: 2 juli 2003