Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0862

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2003
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
AWB 01/57254
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

HIV / medische behandeling.

Verweerder stelt dat de HIV-infectie van eiser niet asielgerelateerd is en voorts is er geen sprake van een levensbedreigende situatie die terugkeer naar Rwanda onmogelijk maakt. De medische problematiek valt buiten deze procedure. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. De behandeling van onder meer artikel 3 EVRM is neergelegd in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000. De ABRS heeft in de uitspraak 200105432/1 d.d. 28 december 2001 eerder overwogen dat de wetgever ervoor gekozen heeft een eventueel beroep op artikel 3 EVRM slechts te beoordelen in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Verweerder is derhalve gehouden in de onderhavige procedure een standpunt in te nemen ten aanzien van artikel 3 EVRM. Daarbij is niet van belang of de besmetting asielgerelateerd is of niet. Verder overweegt de rechtbank dat de stelling van verweerder dat voor een geslaagd beroep op artikel 3 EVRM sprake moet zijn van een levensbedreigende situatie rechtens onjuist is. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 01/57524 BEPTDN A S2

uitspraak: 13 maart 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1970,

verblijvende te B,

van Rwandese nationaliteit,

IND dossiernummer 0101.01.8010,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.A. Buys, advocaat te Leeuwarden;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Azmani, ambtenaar ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 1 januari 2001 heeft eiseres een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 10 oktober 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 1 november 2001 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Bij schrijven van 16 augustus 2002 heeft eiseres haar beroep aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 maart 2003. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Eiseres heeft ter ondersteuning van haar aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Op 1 juli 1999 is eiseres met haar gezin vanuit Congo teruggekeerd naar Rwanda. Hun huizen bleken in beslag genomen te zijn door majoors. Afgesproken is dat de majoors de huizen in december 2000 zouden verlaten. De majoors zijn echter met militairen gekomen, die de echtgenoot en kinderen van eiseres hebben vermoord terwijl zij in de tuin op het toilet zat. De militairen hebben eiseres gezocht, „de vrouw die lid was van de MRND“ (Mouvement Revolutionnaire National pour le Developpement). Eiseres is daarop met de hulp van een zuster van de kerk gevlucht.

In het aanvullend gehoor heeft eiseres verklaard dat zij sinds hun terugkomst in Rwanda ongeveer tien keer is gearresteerd en daarbij steeds gedurende een week is vastgehouden, verhoord en verkracht.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Hierbij is mede betrokken de omstandigheid dat eiseres toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter vaststelling van haar identiteit, nationaliteit en reisroute en ter staving van haar asielrelaas, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar asielrelaas. De omstandigheid dat eiseres tijdens de inval niet is gevonden door de militairen, terwijl zij hen vanaf de wc heeft kunnen zien, doet voorts afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van eiseres. Daarnaast heeft eiseres zowel verklaard dat zij zich op de wc is gaan verbergen toen de militairen kwamen, als dat zij reeds voor de komst van de militairen naar de wc is gegaan. Voorts volgt verweerder eiseres niet in haar verklaring dat de tolk haar verhaal over de verkrachtingen en detenties niet heeft vertaald. Tijdens het nader gehoor is niet gebleken van een communicatieprobleem. Ook heeft eiseres bij de door haar ingediende aanvullingen en correcties hiervan geen melding gemaakt. Deze omstandigheid doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen. In het aanvullende gehoor heeft eiseres voorts inconsistente verklaringen afgelegd over de verkrachtingen die al dan niet thuis zouden hebben plaatsgevonden. Eiseres komt gelet op de ongeloofwaardigheid van haar asielrelaas niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de verklaring van eiseres op ondeugdelijke gronden weerlegt door slechts in te gaan op de omstandigheid dat eiseres niet eerder in de procedure bepaalde zaken naar voren heeft gebracht. Eiseres verwijst naar haar zienswijze, waarin zij stelt aanspraak te maken op een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

Bij schrijven van 16 augustus 2002 vult eiseres haar beroep aan onder overlegging van twee medische stukken. Uit een brief van de heer W.M.A.J. Miesen van het Academisch Ziekenhuis Groningen van 26 februari 2002 blijkt dat eiseres besmet is met HIV. Van psychiater Van Duyl heeft eiseres een brief van 1 mei 2002 overgelegd, waaruit blijkt dat eiseres met PTSS-klachten bij haar is geweest. Het asielrelaas van eiseres is op grond van haar medische situatie aannemelijk. Uitzetting brengt eiseres in een onmenselijke situatie en is in strijd met artikel 3 EVRM.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het beroep

Onder meer gelet op het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode tot 22 juli 2002 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de (voormalige) Staatssecretaris van Justitie, wiens handelingen en besluiten, voor zover deze tot stand zijn gekomen voor 22 juli 2002, rechtens dienen te worden toegerekend aan voornoemde Minister.

De rechtbank overweegt dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van de door eiseres afgelegde verklaringen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag mede heeft afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 31, tweede lid, letter f, Vw 2000.

Ingevolge dit artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Hierin is eiseres evenwel niet geslaagd. De stelling dat eiseres geschokt was en nog nooit eerder heeft gereisd is hiertoe onvoldoende. Het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent vanwege de vermeende afhankelijke positie die eiseres ten opzichte van deze reisagent inneemt, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van eiseres voor de onderbouwing van haar reis- en asielrelaas. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2001, JV 2002/73.

De rechtbank verwijst verder voor de beoordeling van de vraag of verweerder eisers asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2003 nr. 200206297/1. Hierin overweegt de Afdeling dat indien zich een omstandigheid in de zin van artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f van de Vw 2000 voordoet, in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen om alsnog van de geloofwaardigheid van het asielrelaas uit te gaan. De Afdeling verwijst hierbij naar artikel 31 Vw 2000, de geschiedenis en totstandkoming van deze bepaling en de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde beleidsregels. Bij de toepassing van dit beleid in een concreet geval komt de minister beoordelingsruimte toe.

Terughoudend toetsend is de rechtbank derhalve van oordeel dat verweerder, gelet op zijn hierboven beschreven motivering van zijn besluit, in redelijkheid heeft kunnen concluderen tot ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas. De verklaringen van eiseres inzake de militairen die haar op het toilet niet hebben gezien, alsmede de tegenstrijdige verklaringen die eiseres heeft afgelegd over het moment waarop zij naar het toilet is gegaan en de tegenstrijdige verklaringen over de verkrachtingen bij eiseres thuis kunnen in redelijkheid beschouwd worden als vaagheden of tegenstrijdigheden in eiseresses asielrelaas in bovenbedoelde zin, die voorkomen naast het toerekenbaar ontbreken van documenten.

Verweerder hecht bij zijn besluit terecht belang aan de omstandigheid dat eiseres heeft verklaard dat de tolk tijdens het nader gehoor haar relaas over de detenties en verkrachtingen niet heeft vertaald, terwijl zij van deze omstandigheid geen melding heeft gemaakt in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder het asielrelaas van eiseres in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

Ex tunc toetsend is de rechtbank derhalve van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden genoemd in artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000.

Voorts overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 83 Vw 2000, eerste lid, de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. In het tweede lid staat vermeld dat met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, alleen rekening wordt gehouden indien deze voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, relevant kunnen zijn. Voorts vermeldt het derde lid dat de rechtbank Onze Minister verzoekt om zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de wederpartij en de rechtbank te laten weten of de ingeroepen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.

Bij schrijven van 16 augustus 2002 heeft eiseres een medische rapportage overgelegd waaruit blijkt dat eiseres geïnfecteerd is met HIV. Eiseres stelt zich op het standpunt dat terugkeer haar in een onmenselijke situatie brengt.

Ex nunc toetsend overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemd medisch probleem ex artikel 83 Vw 2000 in de onderhavige procedure meegewogen dient te worden. De rechtbank begrijpt verweerder desgevraagd aldus dat deze omstandigheid geen aanleiding geeft voor intrekking of wijziging van het bestreden besluit. Verweerder stelt dat de medische problematiek buiten de omvang van de onderhavige procedure valt. De HIV-infectie is niet asielgerelateerd en voorts is er geen sprake van een levensbedreigende situatie die terugkeer onmogelijk maakt.

De rechtbank kan verweerder in laatstgenoemd standpunt evenwel niet volgen. Blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan de uitzetting van een zieke vreemdeling een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM zijn. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval. De rechtbank stelt vast dat van de zijde van eiseres voldoende medische informatie is overgelegd om aannemelijk te achten dat er sprake is van ernstige medische problemen, welke mogelijk schending van artikel 3 EVRM impliceren. De internist-allergoloog meldt in zijn verslag van 26 februari 2002 dat HIV-therapie is geïndiceerd bij betrokkene omdat de kans om AIDS-definierende complicaties te krijgen 50% is op basis van de onderzoeksresultaten. Als onweersproken gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 28 december 2001, nr. 200105432/1, overweegt de rechtbank het volgende. Behandeling van (onder meer) artikel 3 EVRM is neergelegd in artikel 29, eerste lid, onder b Vw 2000. De Afdeling heeft in haar genoemde uitspraak overwogen dat „….de wetgever ervoor gekozen (heeft) om een eventueel beroep op artikel 3 EVRM slechts te beoordelen in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000“.

Verweerder is derhalve gehouden in de onderhavige procedure een standpunt in te nemen ten aanzien van artikel 3 EVRM. Daarbij is niet van belang of de besmetting asielgerelateerd is of niet. Verder overweegt de rechtbank dat de stelling van verweerder dat voor een geslaagd beroep op artikel 3 EVRM sprake moet zijn van een levensbedreigende situatie rechtens onjuist is. In dit verband zij gewezen op de beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Bensaid versus het Verenigd Koninkrijk van 6 februari 2001. De rechtbank begrijpt het Hof zo dat voor een geslaagd beroep op artikel 3 EVRM, in het geval een adequate medische behandeling door de terugkeer wordt onthouden, niet vereist is dat er sprake is van een direct levensbedreigende situatie.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De bestreden beschikking dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb.

Het beroep is derhalve gegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te voldoen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Aldus gegeven door mr. C.J.R. de Locht, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. ten Hoopen als griffier op 13 maart 2003.

Afschrift verzonden: 18 maart 2003