Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0791

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
05-08-2003
Zaaknummer
AWB 03/38551
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Motie Van Vroonhoven-Kok / inherente afwijkingsbevoegdheid.

Verzoekster heeft middels een zogenaamde ‘14-1-brief’ de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verzocht om op grond van schrijnende omstandigheden gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Verweerder heeft daarop afwijzend gereageerd. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening.

Met verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beschikking onvoldoende is gemotiveerd, nu uit de beschikking immers niet blijkt waarom verweerder van mening is dat in het geval van verzoekster geen sprake is van schrijnende omstandigheden. Uit de brief van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Vereniging VluchtelingenWerk Nederland van 18 april 2003 blijkt dat beëindiging van de opvangvoorzieningen, dan wel verwijdering uit Nederland, niet kan plaatsvinden alvorens er een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden van de zogenaamde '14-1-brief'. Met verzoekster is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat in het onderhavige geval niet is gebleken dat de door verzoekster aangevoerde schrijnende omstandigheden inhoudelijk zijn getoetst. Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/279 met annotatie van EvdL

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

zittinghoudende te Maastricht

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

in verbinding met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000

en artikel 7.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 03/38551 BEPTDN RU HAM ZI

Inzake : A, verzoekster,

mede namens haar twee minderjarige kinderen.

Gemachtigde, mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht.

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Gemachtigde mr. R.J.M.F.P. Wouters, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verzoekster, geboren op [...] 1975, bezit de Somalische nationaliteit. Zij verblijft sedert 27 mei 2000 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 31 mei 2000 heeft zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Ingevolge artikel 117 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

Verweerder heeft op 3 januari 2002 schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen. Daarop heeft verzoekster haar zienswijze schriftelijk naar voren gebracht. Bij beschikking van 26 februari 2002 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 5 maart 2002 heeft verzoekster tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 maart 2003, registratienummer AWB 02/20126, verzonden op 26 maart 2003, is het beroep ongegrond verklaard.

Op 22 april 2003 heeft verzoekster tegen voornoemde uitspraak hoger beroep aangetekend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). Op 25 juni 2003 heeft verzoekster verzocht de uitzetting achterwege te laten, totdat op haar hoger beroep is beslist. Bij uitspraak van 10 juli 2003 van de ABRS, registratienummers 200302569/1 en 200302569/2, is het hoger beroep ongegrond verklaard en is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij brief van 26 juni 2003 van de afdeling Vreemdelingenzorg van de politie Drenthe is verzoekster medegedeeld dat zij op 4 juli 2003 de opvang dient te verlaten.

Bij brief van 30 juni 2003 heeft verzoekster de minister verzocht om op grond van zogenaamde schrijnende omstandigheden gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. In afwachting van de beslissing op voornoemd verzoek is de ontruiming opgeschort.

De naar aanleiding van voornoemde aanvraag op 10 juli 2003 genomen beschikking luidt, voor zover thans van belang, als volgt: "Betrokkene is uitgeprocedeerd en Nederland dient te verlaten. Ik ben niet voornemens mijn standpunt hierin te wijzigen."

Verzoekster heeft op 11 juli 2003 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eveneens op 11 juli 2003 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op haar bezwaarschrift is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 juli 2003. Ter zitting is verzoekster bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij de in het kader van artikel 8:81 van de Awb te verrichten toetsing zal de voorzieningenrechter zich een voorlopig oordeel vormen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit de uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege laten. Dit besluit dient te worden bezien in samenhang met het besluit op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu verzoekster is uitgeprocedeerd, het bepaalde in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en het hierop gebaseerde besluit tot wijziging van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) van 27 maart 2001 (Stcrt. 29 maart 2001, 63) van rechtswege meebrengt dat de opvangvoorzieningen van verzoekster zijn geëindigd.

Verzoekster stelt zich daarentegen op het standpunt dat continuering van de voorzieningen in het kader van de Rva 1997 is geïndiceerd op grond van de schrijnende humanitaire omstandigheden waarin zij zich bevindt.

Voorts stelt zij zich op het standpunt dat de voornoemde brief van 10 juli 2003 dient te worden aangemerkt als zijnde een beschikking in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Nu uit deze beschikking niet blijkt op grond waarvan verweerder van mening is dat in het geval van verzoekster geen sprake is van schrijnende omstandigheden dient de beschikking wegens motiveringsgebrek te worden vernietigd, aldus verzoekster.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Op 14 januari 2003 heeft de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, in een toespraak voor Vluchtelingenwerk, uitgesproken dat hij in "schrijnende gevallen" gebruik wenst te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. De Tweede Kamer heeft daartoe een door kamerlid Vroonhoven-Kok ingediende motie aangenomen waarin onder meer de voorwaarde is opgenomen dat de vreemdelingen die onder de werking van deze motie wensen te vallen een brief (een zogenaamde "14-1" brief) hebben gestuurd aan de Minister waarin zij een beroep doen op diens inherente afwijkingsbevoegdheid, of zich hierop in andere bewoordingen beroepen. De beëindiging van de opvangvoorzieningen van de personen, dan wel hun verwijdering uit Nederland, kan niet plaatsvinden, alvorens de "14-1" brief inhoudelijk is beoordeeld.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting bevestigd dat verzoekster de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie terecht als procespartij heeft aangemerkt in het onderhavige geschil en niet het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Tevens heeft hij bevestigd dat voornoemde brief van 10 juli 2003 moet worden aangemerkt als zijnde een beschikking als bedoeld in artikel 72, lid 3, van de Vw 2000.

Met verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beschikking van 10 juli 2003 onvoldoende is gemotiveerd. Immers niet blijkt uit de beschikking waarom verweerder van mening is dat in het geval van verzoekster geen sprake is van schrijnende omstandigheden. Dat verweerder in dit kader ter zitting heeft aangevoerd dat de verwijzing in voornoemde brief naar de parlementaire behandeling reeds motivering inhoudt maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat de enkele verwijzing naar de parlementaire behandeling naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kan dienen als een deugdelijke motivering van een besluit, blijkt uit de brief van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland van 18 april 2003 dat beëindiging van de opvangvoorzieningen, dan wel verwijdering uit Nederland, niet kan plaatsvinden alvorens er een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden van de zogenaamde "14-1" brief. Met verzoekster is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat in het onderhavige geval niet is gebleken dat de door verzoekster aangevoerde schrijnende omstandigheden inhoudelijk zijn getoetst.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 10 juli 2003 is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Awb.

De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-

(1 punt voor het verzoekschrift; en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

3. gelast dat voornoemde rechtspersoon het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. M.T.A.C. Russel in tegenwoordigheid van mr. M.H.L.E. Habets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2003 door mr. Russel voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Habets w.g. M. Russel

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 29 juli 2003

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.