Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0740

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
04-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/13543
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AR8097
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / Khad / artikel 1F VSV.

Eiser is afkomstig uit Afghanistan en was werkzaam bij de Khad in de rang van officier. Verweerder heeft op basis van eisers verklaringen en het ambtsbericht van 29 februari 2000 prima facie eiser artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de informatie uit het ambtsbericht eisers persoonlijke deelname aan gepleegde mensenrechtenschendingen en dat hij daarmee weet heeft van de door de (onder-)officieren van de Khad gepleegde mensenrechtenschendingen als een vaststaand gegeven kan worden beschouwd, tenzij eiser kan aantonen dat in zijn geval sprake is van een significante uitzondering. Eiser is hierin niet geslaagd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 02/13543

Datum uitspraak: 2 juli 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1971,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. C.J. Looijen,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

gemachtigde mr. N. Saanen-Siebenga.

Het procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 31 augustus 1999 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 18 februari 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 februari 2003. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J. van der Pijl.

Toetsingskader

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil staat de vraag centraal of verweerder terecht artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (verder: het Verdrag) op eiser van toepassing heeft geacht.

3. Artikel 1F van het Verdrag bepaalt dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

4. Verweerder heeft zijn beleid inzake artikel 1F van het Verdrag neergelegd in hoofdstuk C1/5.13.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Dit beleid komt, voor wat betreft de bewijslast, op het volgende neer. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1F-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, dient de ‘personal and knowing participation test’ te worden toegepast. Dit wil zeggen dat moet worden bezien of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

Bij brief van 3 april 2000 (TK 19 637, nr. 520) heeft verweerder aan de Tweede Kamer medegedeeld dat de informatie in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 tot de conclusie leidt dat aan een onderofficier of officier van de KhAD en WAD die asiel aanvraagt in Nederland voortaan in de regel artikel 1F van het Verdrag zal worden tegengeworpen.

In voormeld beleid worden de situaties beschreven waarin sprake is van ‘personal participation’. In het onderhavige geschil is, gelet op de brief van 3 april 2000 aan de Tweede Kamer, de volgende situatie van belang: indien betrokkene behoorde tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan de Staatssecretaris van Justitie op basis van informatie van de Minister van Buitenlandse Zaken of andere hiertoe geëigende instanties heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie en die een verblijfsvergunning aanvragen in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

De standpunten van partijen

5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder heeft zijn standpunt als volgt gemotiveerd. Ingevolge hoofdstuk C1/13.3 van de Vc 2000 wordt de aanvraag afgewezen op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van de vreemdeling ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Verdrag. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de rang van officier bij de KhAD werkzaam is geweest. Gelet op eisers verklaringen en de informatie uit het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan heeft verweerder geconcludeerd dat eiser op de hoogte was van en persoonlijk heeft deelgenomen aan de misdrijven zoals genoemd in dit ambtsbericht, welke misdrijven gekwalificeerd kunnen worden als misdrijven in de zin van artikel 1F, onder a en b, van het Verdrag. Verweerder heeft geen geloof gehecht aan eisers verklaring dat hij niet persoonlijk verantwoordelijk is geweest voor het plegen van deze misdrijven, waarbij is verwezen naar voornoemd ambtsbericht, alsmede naar een tweetal geanonimiseerde individuele ambtsberichten van respectievelijk 10 november 1999 (DPC/AM adm.nr. 648283) en 4 november 1999 (DPC/AM adm.nr. 647561).

6. Eiser heeft de informatie uit voornoemd ambtsbericht van 29 februari 2000 betwist en gesteld dat niet iedere medewerker van de KhAD verantwoordelijk kan worden gehouden voor het geheel van de door de KhAD gepleegde mensenrechtenschendingen. Tevens is eiser van mening dat de genoemde geanonimiseerde ambtsberichten niet op hem zijn toegespitst en derhalve niet aan hem kunnen worden gerelateerd. Er was geen, dan wel een beperkt roulatiesysteem bij de KhAD. Niet iedereen werd op afdelingen tewerkgesteld waar mensenrechtenschendingen aan de orde waren. Bovendien hield de KhAD zich ook bezig met normale civiele kwesties. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen ambtenaren en militairen. Eiser was ambtenaar en is nooit in het gebouw van de militaire afdeling geweest. Ambtenaren en militairen rouleerden onderling niet.

Mitsdien is eiser van mening dat hij niet individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door de KhAD gepleegde mensenrechtenschendingen en dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op een van de gronden genoemd in artikel 29 van de Vw 2000.

De beoordeling

7. In het voornemen, dat is ingelast in het bestreden besluit, heeft verweerder verwezen naar meergenoemd ambtsbericht van 29 februari 2000 en geoordeeld dat uit dit ambtsbericht ondubbelzinnig naar voren komt dat het wrede karakter van de KhAD en de WAD binnen Afghanistan algemeen bekend moet zijn geweest. Ook komt uit dit ambtsbericht, alsmede uit een groot aantal rapportages van gezaghebbende instanties als de speciale rapporteur van de mensenrechten van de Verenigde Naties en Amnesty International, naar voren dat de misdrijven waarmee het terreurklimaat gepaard ging gedurende de gehele periode dat de KhAD en de WAD hebben bestaan op grote schaal en door het gehele land verspreid door deze organisatie werden gepleegd.

8. Verweerder heeft deze door de KhAD/WAD gepleegde misdrijven gekwalificeerd als zowel oorlogsmisdrijven als misdrijven tegen de menselijkheid en als ernstige, niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a en b van het Verdrag. Eiser heeft deze kwalificatie niet betwist. De rechtbank zal dan ook van de juistheid van deze kwalificatie uit gaan.

9. Thans dient beoordeeld te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de genoemde door de KhAD/WAD gepleegde misdrijven. Zoals reeds is overwogen, heeft verweerder aan zijn beleid de ‘personal and knowing participation test’ ten grondslag gelegd. Blijkens de gronden van beroep heeft eiser dit beleid als zodanig niet betwist. Mitsdien spitst de beoordeling zich toe op de vraag of eiser wist of had behoren te weten dat de KhAD/WAD voormelde misdrijven beging (knowing participation) en op de vraag of eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan deze misdrijven (personal participation).

10. De rechtbank stelt voorop dat eisers rang en functies bij de KhAD niet in geschil zijn. Mitsdien wordt bij de beoordeling uitgegaan van het feit dat eiser in de rang van officier bij de KhAD werkzaam is geweest.

11. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser voldoet aan de voorwaarden die de ‘personal and knowing participation test’ stelt. Verweerder heeft zich daarbij kunnen baseren op de informatie uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 en tevens op genoemde geanonimiseerde ambtsberichten, nu deze laatste algemene en openbare informatie bevatten, die ook betrekking heeft op de situatie van eiser. Uit deze ambtsberichten komt, kort samengevat, naar voren dat alle onder-officieren en officieren werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen en martelen en soms executeren van verdachte personen. Gelet op het door verweerder gevoerde beleid kan op grond van deze informatie eisers persoonlijke deelname aan en daarmee wetenschap van voornoemde mensenrechtenschendingen als een vaststaand gegeven worden beschouwd, tenzij eiser kan aantonen dat in zijn geval sprake is van een significante uitzondering. Eiser is hierin niet geslaagd, waarbij het volgende in aanmerking is genomen.

12. Eiser heeft de informatie uit bedoeld ambtsbericht bestreden en allereerst gesteld dat niet iedereen die werkzaam is geweest bij de KhAD verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door die dienst gepleegde mensenrechtenschendingen. De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder elke medewerker van de KhAD in de regel artikel 1F van het Verdrag tegenwerpt, maar dat verweerder het prima facie tegenwerpen van artikel 1F heeft beperkt tot de onderofficieren en officieren van de KhAD/WAD. Reeds hierom slaagt eisers stelling niet. Eisers standpunt ter zitting dat verweerders beleid om artikel 1F van het Verdrag prima facie tegen te werpen aan (onder-)officieren van de KhAD/WAD kennelijk onredelijk is, kan niet leiden tot het door eiser beoogde doel, omdat dit standpunt niet nader is beargumenteerd.

13. Voorts heeft eiser gesteld dat een onderscheid gemaakt dient te worden tussen de militairen en de ambtenaren van de KhAD en dat eiser behoorde tot de ambtenaren, die zich met normale civiele kwesties bezighielden en niet betrokken waren bij de schendingen van de mensenrechten. Uit voornoemd ambtsbericht blijkt echter dat alle onder-officieren en officieren persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen en martelen en soms executeren van verdachte personen, waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen (onder-)officieren die werkzaam waren bij de militaire KhAD en (onder-)officieren die werkzaam waren bij de civiele KhAD. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat indien een dergelijk onderscheid zou hebben bestaan, daarvan melding zou zijn gemaakt in het ambtsbericht. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid, dan wel volledigheid van de informatie in het ambtsbericht op dit onderdeel. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om verweerders lezing van het ambtsbericht voor onjuist te houden. Uit het voorgaande volgt dat eisers stelling niet tot het oordeel kan leiden dat in zijn geval sprake is van een significante uitzondering.

14. Verder heeft eiser aangevoerd dat er geen, dan wel een beperkt roulatiesysteem bij de KhAD aanwezig was en dat eiser nimmer is tewerkgesteld op één van de afdelingen die zich bezighielden met mensenrechtenschendingen. Uit bedoeld ambtsbericht is gebleken dat medewerkers van de KhAD/WAD regelmatig rouleerden zodat zij binnen een bepaalde afdeling geen te grote machtsbasis op konden bouwen en dat een plaatsing op een afdeling of directie waarvan de werkzaamheden een meer administratief of technisch karakter hadden, slechts in het verschiet lag als een officier zich voldoende had bewezen tijdens zijn eerste plaatsing(en). Uit het ambtsbericht volgt tevens dat alle (onder-)officieren persoonlijk betrokken zijn geweest bij de misdrijven die in artikel 1F, onder a en b, van het Verdrag zijn genoemd. Ook hier geldt dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd op grond waarvan meergenoemd ambtsbericht op dit onderdeel als onjuist dan wel onvolledig moet worden beschouwd. Mitsdien kan eiser evenmin in deze stelling worden gevolgd.

15. Ten slotte heeft eiser zich nog op het standpunt gesteld dat verweerder nader onderzoek had moeten doen en bij de Minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht had moeten opvragen, met name nu er zich een Nederlandse vertegenwoordiging in Kabul bevindt. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een significante uitzondering, heeft verweerder op basis van het ambtsbericht van 29 februari 2000 en eisers verklaring dat hij in de rang van officier bij de KhAD/WAD heeft gewerkt, prima facie artikel 1F van het Verdrag aan eiser kunnen tegenwerpen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te oordelen dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid door geen individueel ambtsbericht over eiser te vragen.

16. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder op rechtens juiste gronden artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Verdrag aan eiser heeft tegengeworpen en op die grond terecht de aanvraag om toelating als vluchteling heeft geweigerd.

17. Ingevolge artikel 31, eerste lid en tweede lid, onder k, van de Vw 2000 en artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

18. Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, mr. J.T.M. Nijenhof en mr. J.C.E. Ackermans-Wijn, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2003 in tegenwoordigheid van mr. A.T. Boerema als griffier.

de griffier de voorzitter

w.g. Boerema w.g. Catsburg

Voor eensluidend afschrift, de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 2 juli 2003

Rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden.