Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0735

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2003
Datum publicatie
04-08-2003
Zaaknummer
AWB 01/55596, 01/62136
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AO2963
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / Kandak Ghomi / artikel 1F VSV.

Eiser is afkomstig uit Afghanistan en was van 1986 tot 1992 soldaat bij de Kandak Ghomi (een tribale beschermingseenheid) te Herat. Blijkens een in een andere zaak uitgebracht individueel ambtsbericht heeft de Kandak Ghomi zich in Herat in de periode 1988 tot 1992 op grote en grove schaal schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Verweerder heeft eiser artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen en de zogenoemde ‘personal and knowing participation-test’ toegepast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij weet heeft gehad van de door de Kandak Ghomi gepleegde mensenrechtenschendingen (knowing participation) en dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan deze mensenrechtenschendingen (personal participation).

Ten aanzien van eiseres heeft verweerder terecht artikel 3.107 Vb 2000 kunnen tegenwerpen. Blijkens de toelichting op artikel 3.107 Vb 2000 wordt alleen in het geval er met betrekking tot het gezinslid geen individuele redenen bestaan voor het toekennen van een verblijfsvergunning asiel toepassing gegeven aan de uitsluitingsregeling van artikel 3.107 Vb 2000. Wanneer de aanvraag afhankelijk is van een persoon aan wie artikel 1F VSV wordt tegengeworpen, heeft verweerder het belang van openbare orde zwaarder te laten wegen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 01/55596 en 01/62136

Datum uitspraak: 4 juli 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1963,

B,

geboren op [...] 1969,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. A.H. Hekman,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

gemachtigde mr. H.J.S.M. Langbroek.

Het procesverloop

Bij besluit van 24 september 2001 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 28 maart 1999 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 22 oktober 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 februari 2003. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J. van der Pijl.

Toetsingskader

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil staat de vraag centraal of verweerder terecht artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (verder: het Verdrag) op eiser van toepassing heeft geacht.

3. Artikel 1F van het Verdrag bepaalt dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

4. Verweerder heeft zijn beleid inzake artikel 1F van het Verdrag neergelegd in hoofdstuk C1/5.13.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Dit beleid komt, voor wat betreft de bewijslast, op het volgende neer. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1F-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, dient de ‘personal and knowing participation test’ te worden toegepast. Dit wil zeggen dat moet worden bezien of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Onder ‘personal participation’ wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van het misdrijf, maar ook het door betrokkene direct faciliteren hiervan. Hiervan is sprake als zonder het handelen of nalaten van betrokkene het misdrijf niet zou zijn gepleegd of dat het aanzienlijk moeilijker zou zijn geweest het misdrijf te plegen.

In voormeld beleid worden de situaties beschreven waarin sprake is van ‘personal participation’. In het onderhavige geschil is de volgende situatie van belang: indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat het misdrijf als bedoeld in artikel 1F door betrokkene direct is gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

De standpunten van partijen

5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder heeft zijn standpunt, zoals verwoord in het voornemen en in het bestreden besluit, als volgt gemotiveerd. Ingevolge hoofdstuk C1/5.13.3 van de Vc 2000 wordt de aanvraag afgewezen op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van de vreemdeling ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Verdrag. Eiser heeft consistente en aannemelijke verklaringen afgelegd over zijn diensttijd bij de Kandak Ghomi te Herat van 1986 tot 1992. Blijkens een in een andere zaak uitgebracht individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 september 1999 (kenmerk DPC/AM 51445) heeft de Kandak Ghomi zich in Herat in de periode 1988 tot 1992 op grote en grove schaal aan mensenrechtenschendingen schuldig gemaakt. Eiser is in de zienswijze niet ingegaan op de inhoud en strekking van dit ambtsbericht. Tijdens de aanvullende gehoren heeft eiser verklaard dat hij op de hoogte was van deze mensenrechtenschendingen. Eiser heeft zich vrijwillig aangemeld bij de Kandak Ghomi. Verweerder hecht geen geloof aan eisers verklaring dat hij zich heeft aangemeld om aan zijn dienstplicht te ontkomen vanwege de reden hij niet tegen zijn eigen volk wilde vechten, nu de Kandak Ghomi ook een deel van het eigen volk bestreed. Verweerder stelt zich vervolgens op het standpunt dat eiser in ieder geval na drie jaar vrijwillig is gebleven, omdat eiser heeft verklaard dat de eerste drie jaar als dienstplicht telden. Evenmin heeft eiser in de gepleegde mensenrechtenschendingen aanleiding gezien de Kandak Ghomi de rug toe te keren.

Voorts blijkt uit eisers verklaringen dat hij was belast met een deel van de bewaking van de kazerne waar hij was gelegerd. Verweerder is van oordeel dat deze functie een hogere status impliceert dan die past bij de rang van soldaat. In deze functie heeft eiser deelgenomen aan schiethandelingen. Nu eiser gedeeltelijk een positie heeft bekleed waarin hij bepaalde verantwoordelijkheden heeft toebedeeld gekregen, kan volgens verweerder niets aan de toerekening aan eiser van zijn aandeel in het begaan van deze misdrijven in de weg staan.

Het bovenstaande leidt naar het oordeel van verweerder tot de conclusie dat artikel 1F van het Verdrag op eiser van toepassing is en dat hij derhalve geen aanspraak kan maken op de bescherming die het Verdrag biedt. Mitsdien komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef, en onder a, van de Vw 2000. Krachtens artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) komt hij evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op een van de andere gronden opgesomd in artikel 29 van de Vw 2000.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen eveneens afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 wordt aan de echtgenote en minderjarige kinderen geen verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 verleend, tenzij dit gezinslid aannemelijk heeft gemaakt dat zijn/haar aanvraag is gegrond op omstandigheden die zelfstandig een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, of c van de Vw 2000 vormen. Eiseres heeft dit naar het oordeel van verweerder niet aannemelijk gemaakt.

6. Eiser heeft zich op het volgende standpunt gesteld. Er heeft ten onrechte geen beoordeling plaatsgevonden van de stelling dat hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. De omstandigheid dat de inhoud van het ambtsbericht van 10 september 1999 niet is betwist wil niet zeggen dat met de inhoud wordt ingestemd. Bij de beoordeling van de vraag of artikel 1F dient te worden toegepast op grond van het enkele lidmaatschap of betrokkenheid bij een organisatie, is de rang, plaats en specifieke functie binnen de organisatie van belang. Eiser had slechts een zeer lage rang en hield zich voornamelijk bezig met brieven inzake de bevoorrading van de basis. Hij werkte slechts enkele uren per dag voor de Kandak Ghomi en hem kan derhalve niet artikel 1F worden tegengeworpen. De omstandigheid dat hij een aantal malen moest helpen bij een wachtdienst betekent niet dat hij daarom een hogere rang gehad moet hebben. Eiser gaf niet zozeer leiding, maar zorgde er voor dat de wachters werden afgelost. Er is geen enkele aanwijzing voor de ‘personal participation’ van eiser. Eiser heeft door zijn werk de mensenrechtenschendingen niet direct gefaciliteerd. Bovendien was hij niet, althans niet goed, op de hoogte van de aard en omvang van de mensenrechtenschendingen die door de Kandak Ghomi werden gepleegd, zodat evenmin sprake is van ‘knowing participation’. Voorts was het niet zo dat eiser na drie jaar niet langer in militaire dienst hoefde. Verweerder dient artikel 1F restrictief uit te leggen.

De beoordeling van het besluit inzake eiser

7. Ten aanzien van eisers standpunt dat eerst statusdeterminatie dient plaats te vinden alvorens artikel 1F van het Verdrag mag worden tegengeworpen, oordeelt de rechtbank dat uit de tekst van het Verdrag geen verplichting volgt om eerst te toetsen of de asielzoeker als vluchteling in de zin van artikel 1A van het Verdrag kan worden aangemerkt, alvorens de toepassing van de uitsluitingsgronden van dat Verdrag aan de orde komen. Reeds de tekst van artikel 1F maakt duidelijk dat de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn als die bepaling toegepast wordt.

Verweerders beleid is neergelegd in onderdeel C1/5.13.1 van de Vc 2000; voordien was verweerders beleid neergelegd in zijn brief van 28 november 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK 19 637, nr. 295, blz. 5). Dit beleid is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het Verdrag en niet kennelijk onredelijk.

8. In het voornemen, dat is ingelast in het bestreden besluit, heeft verweerder verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 september 1999, waaruit onder meer het volgende naar voren komt:

‘De regering van Najibullah had in de periode 1987/1988 besloten tot oprichting van zogenaamde tribale beschermingseenheden. (…) Deze tribale eenheden functioneerden los van het Afghaanse regeringsleger. Aanvankelijk waren de Kandak Ghomi’s in Herat redelijk plichtsgetrouw en werden burgers door hen niet al te hard aangepakt. Na terugtrekking van de Sovjet troepen in februari 1989 kregen de Kandak Ghomi’s echter meer verantwoordelijkheden toebedeeld van het stadsbestuur van Herat. In de periode 1988/1989 leidde dit tot een volledige ontsporing. De Kandak Ghomi’s die overigens ook wel militia werden genoemd, werden steeds ongeregelder en ontwikkelden zich tot ware terreurgroepen. Afpersingen, berovingen, martelingen, willekeurige executies en verkrachtingen werden in de periode 1989-1992 op grote schaal door deze Kandak Ghomi’s uitgevoerd. De bevolking in Herat ging vrijwel dagelijks hieronder gebukt.’

9. Verweerder heeft deze door de Kandak Ghomi gepleegde misdrijven gekwalificeerd als zowel oorlogsmisdrijven als misdrijven tegen de menselijkheid en als ernstige, niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a en b van het Verdrag. Eiser heeft deze kwalificatie niet betwist. De rechtbank zal dan ook van de juistheid van deze kwalificatie uitgaan.

10. Thans dient beoordeeld te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door de Kandak Ghomi gepleegde misdrijven. Zoals reeds is overwogen, heeft verweerder aan zijn beleid de ‘personal and knowing participation test’ ten grondslag gelegd. Eiser heeft dit beleid als zodanig niet betwist. Mitsdien spitst de beoordeling zich toe op twee deelvragen, namelijk (1) of eiser wist of had behoren te weten dat de Kandak Ghomi voormelde misdrijven beging (knowing participation) en (2) of eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan deze misdrijven (personal participation).

11. Verweerder heeft op goede gronden geconcludeerd dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij op de hoogte was van de door de Kandak Ghomi gepleegde misdrijven. Zo heeft eiser in het tweede aanvullend gehoor onder meer het volgende verklaard:

„Wanneer er geen geld werd betaald voor de vrijlating van een gevangene dan werd deze overgedragen aan de KhAD en dan kregen de commandanten van de gewone bases een beetje geld van de KhAD. (…) Zodra bleek dat er geen geld kwam werden de gevangenen geschopt, geslagen en vernederd. Het gebeurde ook dat gevangenen niet eens de centrale basis haalden, omdat zij onderweg werden vermoord. De gevangenen waarvoor de Mudjaheddin dus geen geld betaalde waren voor ons de lastposten. (…) Een paar keer per maand zagen de soldaten van de gewone bases kans om iemand te pakken. (…) Ik ben ervan op de hoogte dat gevangenen werden geschopt, geslagen, vernederd en in sommige gevallen vermoord. (…) Het was normaal dat gevangenen werden mishandeld wanneer er geen geld voor hen werd betaald. Iedereen vond dat normaal. (…) Na het vertrek van de Russen werden de bataljons eigenzinnig. Vroeger mochten commandanten bijvoorbeeld niet gewapend naar de stad, maar na het vertrek van de Russen gingen zij zelfs met een tank naar de stad. (…) Diefstallen en berovingen vonden iedere nacht plaats. Tachtig procent van de mannen van de Kandak Ghomi waren rovers en hielden zich op grote schaal bezig met berovingen. (…) Ik ben jarenlang werkzaam geweest voor een bataljon waar op grote schaal mensenrechten werden geschonden.“

Gelet op al deze verklaringen heeft verweerder ‘knowing participation’ kunnen aannemen.

12. Eiser heeft als verweer gevoerd dat hij niet vrijwillig in dienst is getreden bij de Kandak Ghomi, maar dat hij op deze manier de militaire dienst wilde omzeilen, omdat hij niet tegen zijn eigen volk wilde vechten. Bovendien had hij geen mogelijkheid om bij de Kandak Ghomi weg te gaan, omdat hij dan alsnog in militaire dienst had moeten treden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet, dan wel onvoldoende, zijn knowing participation heeft weerlegd. De gronden die verweerder hiertoe in het voornemen, dat is ingelast in het bestreden besluit, heeft aangevoerd, kunnen verweerders standpunt dragen. Zo heeft verweerder kunnen wijzen op de omstandigheid dat eiser ook bij de Kandak Ghomi tegen zijn eigen volk moest vechten. Voorts heeft verweerder kunnen verwijzen naar eisers verklaring in het eerste gehoor dat zijn werkzaamheden bij de Kandak Ghomi gedurende de eerste drie jaren telden als zijn (vervangende) militaire dienstplicht. Gelet op deze verklaring heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiser in ieder geval vanaf 1989 vrijwillig bij de Kandak Ghomi heeft gewerkt. Daarenboven heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij zich op enige wijze heeft gedistantieerd van of zich verzet heeft tegen de door de Kandak Ghomi gepleegde misdrijven. Eisers stelling dat hij slechts soldaat was en zich derhalve niet in de positie bevond om een en ander te veranderen, heeft verweerder terecht als ontoereikend beschouwd om tot een ander oordeel te komen. Eisers stelling in beroep dat hij geen carrière heeft gemaakt en slechts in beperkte mate loyaliteit heeft getoond, is voorts onvoldoende om tot de conclusie te geraken dat eiser zich wel heeft gedistantieerd van de door de Kandak Ghomi gepleegde misdrijven. Hierbij is van belang dat eiser, zeker in de periode vanaf 1989 tot 1992, willens en wetens deel is blijven uitmaken van een organisatie die op grote en grove schaal verantwoordelijk was voor het schenden van de mensenrechten.

13. Voorts heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat eiser op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen aan de door de Kandak Ghomi gepleegde mensenrechtenschendingen, in die zin dat eiser deze schendingen direct heeft gefaciliteerd. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken eisers verklaringen in het aanvullend gehoor dat hij eenmaal per week de wacht moest houden, waarbij hij toezicht had op twee bewakers en elke twee uur er voor moest zorgdragen dat deze bewakers werden vervangen. Verweerder heeft uit deze verklaringen kunnen afleiden dat eiser een positie heeft bekleed waarin hij bepaalde verantwoordelijkheden toebedeeld heeft gekregen. Door feitelijk een leidinggevende positie te hebben uitgeoefend en op actieve wijze te hebben deelgenomen aan het beschermen van de basis van de Kandak Ghomi te Herat, heeft eiser een wezenlijke bijdrage geleverd aan het begaan van de door de Kandak Ghomi gepleegde misdrijven. Blijkens eisers verklaringen heeft hij immers deelgenomen aan gevechtshandelingen ter bescherming van de basis. Eiser heeft zodoende de omstandigheden in stand gehouden waaronder andere leden van de Kandak Ghomi in staat werden gesteld het plegen van mensenrechtenschendingen (waaronder het gevangennemen, slaan, schoppen en vernederen en het soms doden van leden van de Mudjaheddin, alsmede het uitleveren van gevangenen aan de KhAD) te continueren. Derhalve heeft verweerder op goede gronden geoordeeld dat eiser deze misdrijven direct heeft gefaciliteerd. Mitsdien kan ‘personal participation’ worden aangenomen.

14. Eiser heeft als verweer gevoerd dat hij slechts een zeer lage rang had en dat de door verweerder toegedichte hogere positie vaag blijft, zodat er geen redelijk vermoeden is dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door de Kandak Ghomi gepleegde misdrijven.

De rechtbank is van oordeel dat uit eisers verklaringen in het aanvullend gehoor duidelijk kan worden afgeleid dat hij leidinggevende taken heeft vervuld. Eisers verklaring nadien dat hij niet betrokken was bij de bewaking en dat hij nooit daadwerkelijk heeft wachtgelopen, maar enkel af en toe soldaten moest wakker maken die de bewakers moesten aflossen, heeft verweerder ongeloofwaardig kunnen achten en kunnen afdoen als een poging van eiser om zijn positie en werkzaamheden te bagatelliseren. Hierbij is van belang dat eiser geen enkele uitleg heeft kunnen geven voor deze tegenstrijdigheid in zijn verklaringen.

15. Uit al het voorgaande volgt dat eiser binnen het bereik valt van de door verweerder gehanteerde ‘personal and knowing participation test’, zodat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door de Kandak Ghomi gepleegde oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven.

16. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder op rechtens juiste gronden artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Verdrag aan eiser heeft tegengeworpen en op die grond terecht de aanvraag om toelating als vluchteling heeft geweigerd.

17. Ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, onder k, van de Vw 2000 en artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

18. Het beroep van eiser is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beoordeling van het besluit inzake eiseres

19. Blijkens artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 wordt aan de echtgenoot of de echtgenote, het minderjarige kind, de partner of het meerderjarige kind, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder e of f, van de Vw 2000, van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, geen verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, verleend, tenzij dit gezinslid aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die zelfstandig een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, of c van de Vw 2000 vormen.

20. Blijkens het voornemen, dat is ingelast in het bestreden besluit, heeft verweerder geoordeeld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar aanvraag is gegrond op omstandigheden die zelfstandig een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, of c van de Vw 2000 vormen en haar derhalve op de voet van artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 geen verblijfsvergunning verleend.

21. Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen verweerders oordeel dat er -kort gezegd- geen individuele redenen zijn om haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, of c van de Vw 2000. Op grond daarvan gaat de rechtbank uit van de rechtmatigheid van het bestreden besluit op dat punt.

22. Ter zitting heeft eiseres betoogd dat artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 in strijd is met artikel 3:4 van de Awb en dat er sprake is van détournement de pouvoir, omdat verweerder deze bepaling gebruikt om eiser uit te roken. De rechtbank vat dit betoog aldus op dat eiseres zich op het standpunt stelt dat genoemde bepaling onverbindend moet worden geacht wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel alsmede dat verweerder zijn bevoegdheid om op grond van artikel 31, derde lid, van de Vw 2000, regels te stellen op zodanige wijze gebruikt heeft gemaakt dat er sprake is van détournement de pouvoir.

23. In de toelichting op artikel 3.107 van het Vb heeft verweerder het volgende overwogen: „Ten aanzien van gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, geldt, overeenkomstig het tot dusverre gevoerde beleid, dat zij niet in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning (tweede lid). In deze gevallen bestaat ernstig bezwaar tegen het verblijf van betrokkenen, gelet op het belang van de openbare orde. Er dient immers vermeden te worden dat artikel 1F zijn praktische belang verliest. Het verlenen van een verblijfstitel aan gezinsleden zou betekenen dat de vreemdeling aan wie artikel 1F is tegengeworpen, in de praktijk vrijwel zeker voor langere tijd feitelijk hier te lande zou kunnen verblijven, mede dank zij de rechten en voorzieningen die voor gezinsleden van de vreemdeling voortvloeien uit hun toelating. Gelet op het uitzonderlijke karakter van de gepleegde misdrijven, weegt het belang van de openbare orde in Nederland in dit geval zwaarder. Dit ligt anders in de situatie waar gezinsleden op zelfstandige gronden, op grond van hun eigen relaas dat op de gebruikelijke wijze zal worden beoordeeld, aangemerkt dienen te worden als verdragsvluchteling of in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b of c, van de Wet. Het gaat hier bijvoorbeeld om een geval waarin de vervolging zelfstandig gericht is op de gezinsleden van de vreemdeling aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen. In dat geval kan het gezinslid een verblijfsvergunning worden verleend. Geeft het gezinslid aan, dat de aanvraag enkel is gebaseerd op het asielrelaas van de vreemdeling aan wie artikel 1F wordt tegengeworpen, dan zal de aanvraag van het gezinslid worden afgewezen“.

24. Uit deze toelichting blijkt dat alleen in het geval er ten aanzien van het gezinslid geen eigen individuele redenen bestaan voor toekenning van de verblijfsvergunning asiel, toepassing gegeven wordt aan de uitsluitingsregeling van 3.107, tweede lid, van het Vb 2000. In het geval er sprake is van een aanvraag die afhankelijk is van de aanvraag van de persoon ten aanzien van wie artikel 1F van het Verdrag kan worden ingeroepen, heeft verweerder het belang van de openbare orde zwaarder laten wegen. Gelet op deze vormgeving van de regeling ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat genoemde uitsluitingsregeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Gelet op meergenoemde vormgeving van de regeling alsmede het daarmee nagestreefde belang van de openbare orde, ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat verweerder zijn regelgevende bevoegdheid voor een ander doel heeft gebruikt dat waarvoor die bevoegdheid is bedoeld.

25. Verweerder heeft dan ook artikel 3.107 van het Vb 2000 aan eiseres kunnen tegenwerpen.

26. Het beroep van eiseres is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, mr. J.T.M. Nijenhof en mr. J.C.E. Ackermans-Wijn, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2003 in tegenwoordigheid van mr. A.T. Boerema als griffier.

de griffier de voorzitter

w.g. Boerema w.g. Catsburg

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 8 juli 2003

Rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden.