Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0723

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
04-08-2003
Zaaknummer
AWB 03/33311 en 03/33310
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / Pakistan / Ahmadi.

Verzoeker stelt dat Rabwah in Pakistan niet langer voor Ahmadi’s als veilig gebied kan worden aangemerkt, zodat verweerder het ambtsbericht van 27 september 2002 op dit punt niet had mogen volgen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verzoeker aangebrachte rapporten dateren van na het ambtsbericht. Verweerder kon in zijn besluit op dit punt niet volstaan met een enkele verwijzing naar het ambtsbericht.

In de context van de berichtgeving kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot tegenwerping van een vluchtalternatief worden overgegaan slechts indien het reële gehalte van vluchtalternatieven genoegzaam aannemelijk is. Nu er steeds meer berichten verschijnen die erop wijzen dat zelfs het religieuze centrum van de Ahmadi’s niet langer voor hen veilig is en gewag wordt gemaakt van een massale uittocht van Ahmadi’s uit Rabwah, wordt een actueel onderzoek naar de aanwezigheid van (andere) binnenlandse beschermingsalternatieven node gemist. Tijdens het nader gehoor over de uiteenlopende functies van verzoeker had doorgevraagd moeten worden om tot een verantwoord inzicht te komen omtrent de aard van verzoekers bemoeienis met de Ahmadi-beweging. De informatie tijdens het nader gehoor was op dit punt immers summier en vroeg om verduidelijking. Ook het gegeven dat het nagenoeg illusoir was dat verzoeker bij de Pakistaanse overheid op bescherming had kunnen rekenen en zijn positie kwetsbaar was, maakt dat van verweerder tijdens het gehoor een actieve opstelling kon worden verlangd. Hetgeen verzoeker in dit licht bezien omtrent opeenvolgende incidenten heeft verklaard acht de voorzieningenrechter van dien aard dat verweerder het beroep van verzoeker op het ontbreken van vestigingsmogelijkheden elders in Pakistan niet zonder nader onderzoek ter zijde had mogen schuiven. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Voorzieningenrechter rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr : AWB 03/33311 en 03/33310 VRWET

Inzake : A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. E. van den Hombergh, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Den Bosch,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. J.S. Trouwborst, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoeker heeft gesteld dat hij is geboren op [...] 1976 en dat hij de Pakistaanse nationaliteit bezit. Op 9 juni 2003 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 11 juni 2003, met toepassing van artikel 3.117 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), in een aanmeldcentrum afwijzend op de aanvraag beslist.

2. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht, ter griffie ontvangen op 12 juni 2003, beroep ingesteld. Tevens is een verzoekschrift ingediend om een voorlopige voorziening te treffen.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 juni 2003. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In deze belangenafweging speelt een centrale rol het oordeel van de voorzieningenrechter over de vraag of het bestreden besluit in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Aangezien beroep bij de rechtbank is ingesteld kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag -samengevat- het volgende aangevoerd. Verzoeker is afkomstig uit Pakistan en een aanhanger van het Ahmadi-geloof. Sinds zijn jeugd is hij gediscrimineerd en mishandeld vanwege dit geloof. Verzoeker is actief geweest binnen de Jamaat Ahmadiyy, de jongerenafdeling van de Ahmadiyya-beweging, als organisator van festivals en debatten, die de bedoeling hebben het gedachtegoed van de Ahmadiya uit te dragen. Hij is vanwege zijn geloof door fundamentalistische moslimstudenten meerdere malen aangevallen en mishandeld. De laatste keer, eind februari 2003, werd hij door drie mannen aangevallen, waarvan verzoeker er één herkende van een eerdere aanval. Verzoeker werd met de dood bedreigd. Hierop is verzoeker naar Karachi vertrokken, waar hij drie maanden heeft ondergedoken gezeten. Vervolgens is hij naar Nederland gereisd. Verzoeker gaat er van uit dat de aanvallers weet hadden van zijn bijdrage aan de organisatie van een bijeenkomst in oktober 2002 en houdt serieus rekening met de omstandigheid dat men aangifte heeft gedaan wegens blasfemie. Verzoeker acht zijn positie in Pakistan onhoudbaar en heeft in het (aanvullend) verzoek om voorlopige voorziening de aanwezigheid van een binnenlands vluchtalternatief betwist en meent bij terugkeer het slachtoffer te worden van vervolging en van een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het Europese verdrag van de rechten van de mens (EVRM) en van artikel 3 van het Anti-Folterverdrag. Verzoeker stelt bovendien dat de aanvraag uit het oogpunt van zorgvuldig onderzoek niet binnen 48 procesuren door verweerder kon worden afgewezen.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid onder f, Vw 2000 de aanvraag afgewezen.

4. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, onder f Vw2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden aan hem niet is toe te rekenen.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

5. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Verzoeker, die met een vals paspoort Nederland is ingereisd, heeft ter staving van zijn identiteit zijn nationale identiteitskaart Pakistan overgelegd, welke (van pasfoto voorziene) kaart blijkens het op 9 juni 2003 door de Koninklijke Marechaussee uitgevoerde onderzoek vermoedelijk authentiek is en die geen sporen van vervalsing bevat. Verzoeker heeft bovendien een aantal andere documenten overgelegd, waaronder een bewijs van inwonerschap, de schooldiploma en een cijferlijst.

Uit de overwegingen in het bestreden besluit zou kunnen worden opgemaakt dat, daar waar het ontbreken van documenten wordt tegengeworpen, niet zozeer de identiteits- als wel de reisdocumenten worden bedoeld. Weliswaar wordt dit onderdeel van het besluit afgesloten met de (bouwsteen-) zin dat reis- én identiteitspapieren toerekenbaar ontbreken, maar de motivering daarvan ziet niet op de identiteitsdocumenten. Verweerder heeft zulks ter zitting beaamd en er geen blijk van gegeven dat de identiteit en nationaliteit van verzoeker in twijfel wordt getrokken.

Het ontbreken van reisbescheiden en het nauwelijks kunnen verschaffen van informatie over de reis roept weliswaar op zich vragen op, maar voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas kan zulks naar het oordeel van de voorzieningenrechter - bij gebreke van andere aspecten die reden geven aan het asielrelaas te twijfelen - in redelijkheid geen allesbeslissende factor zijn.

6. In het bestreden besluit wordt benadrukt dat verzoeker gezien zijn verklaringen nimmer problemen heeft ondervonden van de overheid maar in plaats daarvan door fanatieke moslimgroeperingen wordt belaagd, hetgeen in de visie van verweerder onvoldoende is om tot vluchtelingschap te kunnen concluderen, nu verzoeker zich aan zijn problemen kan onttrekken door zich elders in Pakistan te vestigen, zoals in grote steden als Lahore, Rawalpindi en Karachi, maar ook in de eigen religieuze hoofdstad Chenabnagar (Rabwah) of in andere plaatsen waar grote Ahmadi-gemeenschappen bestaan. Verweerder heeft daarbij benadrukt dat in laatstgenoemde plaats de Ahmadi's zelfs 95 % van de bevolking uitmaken. Dat verzoeker geen binnenlands beschermingsaltenatief zou hebben acht verweerder onaannemelijk, gelet op het feit dat verzoeker bij de jongerenbeweging actief was en blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 27 september 2002 niet elke functie binnen de Ahmadi, een verhoogd risico op vervolging oplevert.

7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het - gedetailleerde - relaas van verzoeker geen tegenstrijdigheden of duidelijk onaannemelijke onderdelen bevat en dat het spoort met de voorhanden landeninformatie. Bij het feitelijke relaas zelf (afgezien van de reisroute) zijn door verweerder dan ook geen vraagtekens geplaatst. Dat verzoeker van de gestelde incidenten geen aangifte bij de politie heeft gedaan, heeft verweerder - naar valt aan te nemen wegens de weinig welwillende houding van de overheid ten opzichte van Ahmadi's - aan verzoeker niet tegengeworpen. Bij de beantwoording van de vraag of verzoeker, gezien de door hem afgelegde verklaringen over wat hem is overkomen, als vluchteling moet worden aangemerkt, heeft verweerder blijkens zijn besluit overwegende betekenis toegekend aan de voor verzoeker aanwezige vluchtalternatieven binnen Pakistan. De geldigheid van dit gedeelte van verweerders redenering heeft verzoeker uitvoerig betwist. Zijnerzijds is daarbij in het zwaarwegend advies onder verwijzing naar en overlegging van een aantal rapporten - waaronder een rapport van de UK Home Office van oktober 2002 en een verslag van de Sweizerische Fluchtlinghilfe van november 2002 - aangevoerd dat Rabwah inmiddels niet langer meer als voor Ahmadi's als veilig gebied kan worden aangemerkt, zodat het ambtsbericht op dit punt niet door verweerder had mogen worden gevolgd. Ter zitting is door verzoeker gesteld dat de Ahmadi-bevolking in Rabwah inmiddels zelfs is gehalveerd. Verweerder heeft dienaangaande opgemerkt dat zulks niet afdoet aan de mogelijkheid van verzoeker om zich elders in Pakistan te vestigen, hetgeen door verzoeker wordt betwist en zijns inziens - gelet op de ernst van de situatie - zonder nader onderzoek niet door verweerder had mogen worden verondersteld.

De voorzieningenrechter stelt vast dat laatstbedoelde rapporten dateren van na het in het bestreden besluit gehanteerde ambtsbericht, en daarin derhalve niet konden worden betrokken, zodat verweerder in zijn besluit op dit punt niet kon volstaan met een enkele verwijzing naar dat ambtsbericht.

Uit het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van september 2002, betrekking hebbend op Ahmadi's en MQM in Pakistan, komt naar voren dat weliswaar van een systematische vervolging door de Pakistaanse overheid van de Ahmadi's geen sprake is, maar dat die overheid vaak niet optreedt als een Ahmadi door moslimgroeperingen wordt lastig gevallen. Het ambtsbericht maakt verder gewag van wetgeving die ten opzichte van Ahmadi's discriminerend is alsmede van een praktijk van valse aangiften van blasfemie. Aangeklaagden kunnen ter dood worden veroordeeld, welke straf echter in blasfemiezaken nog niet is uitgevoerd.

In de context van deze berichtgeving ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de rede dat slechts indien het reële gehalte van vluchtalternatieven genoegzaam aannemelijk is, tot tegenwerping daarvan wordt overgegaan. Nu steeds meer berichten verschijnen die er op wijzen dat zelfs het religieuze centrum van de Ahmadi's niet langer voor hen veilig is, en daarin gewag wordt gemaakt van een massale uittocht van Ahmadi's uit die plaats, wordt een geactualiseerd onderzoek naar de aanwezigheid van (andere) binnenlandse beschermingsalternatieven node gemist. Verweerder had derhalve dienen te beseffen dat de onderhavige zaak zich niet voor afdoening in de versnelde procedure leende.

Verweerder heeft onder verwijzing naar het ambtsbericht nog opgemerkt "dat het enkele feit dat iemand een functie bekleed binnen de Ahmadi-beweging niet betekent dat hij een verhoogd risico op vervolging loopt". Voorzover verweerder met die constatering, ontleend aan het ambtsbericht, in weerwil van de aan verzoeker voorgehouden vluchtalternatieven in twijfel bedoelt te trekken of verzoeker daadwerkelijke aan vervolging bloot stond, past het om hier drie kanttekeningen bij te plaatsen. In de eerste plaats ziet de desbetreffende passage blijkens de samenvatting in paragraaf 6.1 van het ambtsbericht veeleer op situaties waarin de vreemdeling problemen met de overheid ondervindt. In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat verzoekers gemachtigde in haar brief van 11 juni 2003 (correcties en aanvullingen, zienswijze, zwaarwegend advies) de aard van de uiteenlopende functies van verzoeker uitgebreid heeft toegelicht. Het standpunt van die gemachtigde dat het op de weg zou hebben gelegen om tijdens het nader gehoor over deze kwestie "door te vragen" om tot een verantwoord inzicht te komen omtrent de aard van verzoekers bemoeienis met de Ahmadi-beweging, komt de voorzieningenrechter correct voor, omdat de informatie tijdens het nader gehoor op dit punt summier was en om een nadere verduidelijking vroeg. Ook het gegeven dat het nagenoeg illusoir was dat verzoeker bij de Pakistaanse overheid op bescherming had kunnen rekenen en zijn positie aldus een kwetsbare was, maakt dat van verweerder in een geval als het onderhavige tijdens het gehoor een actieve opstelling kon worden verlangd.

In de derde plaats is van belang dat elders in het ambtsbericht, namelijk in paragraaf 3.3.2, een nadere inschatting wordt gegeven of voor Ahmadi's, die wegens hun functie problemen ondervinden, reële vestigingsmogelijkheden elders voor handen zijn. Daarbij wordt het volgende vermeld: "Bij het bovenstaande dient echter aangetekend te worden dat voor Ahmadi's die uit hoofde van hun geloof of functie binnen de Ahmadi-beweging verbaal en/of fysiek bedreigd worden door landelijk actieve, strenggelovige fundamentalistische moslimbewegingen, zoals de Khatme Nabuwwat en de Jamaat-i-Islami, het moeilijker kan worden zich elders in Pakistan te vestigen."

Hetgeen verzoeker in dit licht bezien omtrent de opeenvolgende incidenten heeft verklaard en het verband dat hij daarbij heeft gelegd met een in oktober 2002 door hem georganiseerde bijeenkomst, waarmee hij klaarblijkelijk bij degenen die het op hem hebben gemunt "in de schijnwerpers is komen te staan", acht de voorzieningenrechter van dien aard, dat verweerder het beroep van verzoeker op het ontbreken van vestigingsmogelijkheden elders in Pakistan niet zonder nader onderzoek ter zijde had mogen schuiven.

Om dezelfde reden als hierboven aangegeven had verweerder het beroep op schending van artikel 3 EVRM en artikel 3 van het Anti-Folterverdrag niet zonder nader onderzoek ter zijde mogen schuiven.

Het bestreden besluit vertoont derhalve naar wijze van motivering en wijze van voorbereiding zodanige tekortkomingen dat het beroep gegrond is. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 en 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

8. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 Awb gegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

9. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING:

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. wijst het verzoek af;

2. verklaart het beroep gegrond;

3. vernietigt het bestreden besluit;

4. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Koningsberger, griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.