Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0711

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
01-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/55589
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AO2145
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nova / refoulement.

Eiser is afkomstig uit DRC. Eiser heeft een herhaalde aanvraag voor toelating als vluchteling gedaan en heeft de aanvraag vergezeld doen gaan van cruciale informatie. Verweerder stelt dat de nieuw ingebrachte informatie buiten beschouwing dient te blijven, nu die informatie eerst in de beroepsprocedure is ingebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank rustte op verweerder een onderzoeksplicht ter vaststelling van eisers identiteit. De rechtbank ziet in artikel 4:6 Awb geen valide argument gelegen om het bestaan van een onderzoeksplicht niet aan te nemen. Van belang is daarbij in het bijzonder het zwaarwegende gehalte van de in artikel 33 Vluchtelingenverdrag neergelegde beschermingsnorm, voor de werking waarvan bij concreet voorzienbare schending, gelet op de intensiteit van het menselijk leed dat daarvan het gevolg kan zijn, nationale procedure- of vormvoorschriften dienen te wijken. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 02/55589 VRWET

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. J.J.P.M. Benders, advocaat te Zoetermeer,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. Ch.R. Vink, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [...] 1981 en dat hij de Congolese nationaliteit bezit. Op 5 december 2002 heeft hij een herhaalde aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft op 5 april 2002 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 21 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

2. Bij schrijven van 14 juli 2002 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 mei 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw M. Velleman.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser heeft in het kader van zijn op 22 december 1997 ingediende asielaanvraag aangevoerd dat hij op 5 juni 1994 vanwege zijn lidmaatschap van de Union pour la Démocratie et le Progrès (UDPS), voor welke organisatie hij actief was, is opgepakt door de politie en vervolgens is gedetineerd en gemarteld. Eerst maanden later zou hij - onder voorwaarden - zijn vrijgelaten. In juni 1997 heeft er in de ouderlijke woning van eiser een inval door militairen plaatsgevonden, die naar hem op zoek waren. Door de militairen zou toen op gruwelijke wijze geweld zijn gebruikt. De inval heeft aan een broer en een zus van eiser het leven gekost; hijzelf is - na geweigerd te hebben zijn moeder te verkrachten - gewond en buiten bewustzijn is geraakt. De tegen de afwijzing van het asielverzoek aangespannen procedure heeft op 28 december 2000 tot een rechterlijke ongegrondverklaring van eisers bezwaarschrift geleid. Daarbij heeft blijkens de desbetreffende uitspraak zwaar gewogen dat eiser op verschillende onderdelen van zijn relaas - waaronder de door hem opgegeven leeftijd - is teruggekomen op eerder zijnerzijds verstrekte informatie.

3. Aan zijn thans in geschil zijnde nadere asielaanvraag, ingediend op 5 december 2002, heeft eiser een tweetal medische verklaringen ten grondslag gelegd, waaruit onder meer naar voren komt dat eiser behept is met het posttraumatisch stress syndroom. Voorts heeft eiser zich alsnog beroepen op de inhoud van het jaarboek 1995 van Amnesty International, waarin melding wordt gemaakt van berichten over verdwijning van vermeende tegenstanders van de regering; eiser wordt daarbij met naam genoemd als een van de vier verdwenen UDPS leden.

Verweerder heeft in de inhoud van deze gegevens aanleiding gezien om in het bestreden besluit de hernieuwde aanvraag inhoudelijk te behandelen, zulks onder uitdrukkelijke vaststelling dat het hier om nieuwe feiten of omstandigheden gaat, die een dergelijke benadering rechtvaardigen. Verweerder is vervolgens blijkens het aangevallen besluit tot het inzicht gekomen dat de aanvraag dient te worden afgewezen omdat eiser zijn identiteit niet heeft aangetoond en het niet aannemelijk is dat eiser, die ten tijde van het uitkomen van het jaarboek 14 jaar oud was, als een vooraanstaand lid van de UDPS te boek zou staan.

4. In zijn verweerschrift heeft verweerder openlijk afstand genomen van het bestreden besluit (en het daaraan ten grondslag liggende voornemen) door terug te komen op zijn daarin neergelegde opvatting dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een heroverweging van de eerdere afwijzing zouden rechtvaardigen. Verweerder heeft alsnog het standpunt ingenomen dat zowel de informatie uit het jaarboek 1995 van Amnesty International als de medische gegevens reeds in de vorige procedure hadden kunnen worden ingebracht.

5. Eiser heeft in het beroepschrift en ter zitting aangevoerd dat het verweerder niet vrijstond om op een zo wezenlijk onderdeel van zijn besluit - en ook nog eens vlak voor de zitting - terug te komen, dat eiser bovendien door deze "overval" processueel in zijn belangen is geschaad en dat er - afgezien van dit alles - geen twijfel behoeft te bestaan dat hem ten onrechte de hoedanigheid van vluchteling wordt ontzegd, nu hij bij terugkeer naar zijn land - niet in de laatste plaats in verband met zijn naamsvermelding in het jaarboek van Amnesty International - vervolging heeft te vrezen en verweerder aldus door zijn besluit het in het Vluchtelingenverdrag verankerde refoulement-verbod trotseert. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat de inhoud van het tijdens de beroepsprocedure in de Democratische Republiek Congo uitgevoerde onderzoek, waarbij de door hem gestelde activiteiten en ervaringen zijn geverifieerd en de ondervraagde personen en functionarissen eiser in de hen getoonde foto's hebben herkend, eens te meer een bevestiging vormt van het gegeven dat hij de persoon is die hij stelt te zijn en dat zijn relaas met de werkelijkheid overeenstemt.

6. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat laatstbedoelde bevindingen, nu zij eerst in de beroepsprocedure zijn ingebracht, buiten beschouwing dienen te blijven. De gemachtigde van verweerder heeft daarbij opgemerkt dat de resultaten van het in opdracht van eisers advocaat in het land van herkomst uitgevoerde onderzoek hem, verweerder, niet tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit, achteraf bezien, onmiskenbaar onjuist is. Ware dat wel het geval geweest, dan zou verweerder in artikel 4:6 Algemen wet bestuursrecht (Awb) en artikel 83 Vw 2000 geen verhindering hebben gezien zijn beslissing terug te nemen. Daartoe bestaat in dit geval met name hierom geen reden, aldus verweerder ter zitting, omdat de onpartijdigheid van de mensenrechtenorganisatie die het onderzoek heeft uitgevoerd, niet vaststaat.

7. De rechtbank overweegt allereerst dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, welke recentelijk bij uitspraak van die Afdeling van 4 april 2003 (registratienr 200206882/1, gepubliceerd in JV 2003, 219) is gehandhaafd en van een nadere uitleg is voorzien, volgt dat de rechterlijke toetsing bij herhaalde aanvragen (ook in asielzaken) een beperkte zou dienen te zijn, in die zin, dat bij afwezigheid van nova als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb in beginsel geen plaats is voor een inhoudelijke beoordeling in rechte van een bestuursbesluit waarbij een hernieuwde aanvraag, ondanks het ontbreken van die nova, door het bestuursorgaan aan een inhoudelijke toets is onderworpen.

Gegeven die jurisprudentielijn had eisers gemachtigde er derhalve op bedacht hebben moeten zijn dat de vraag of verweerder terecht in het bestreden besluit "nova" aanwezig heeft geoordeeld, onderwerp van rechterlijke toetsing zou zijn, zulks ondanks dat dit onderdeel van het besluit in beroep (vanzelfsprekend) niet was bestreden. Het (subsidiaire) verzoek van eiser tot aanhouding van de zaak om hem in de gelegenheid te stellen zich alsnog op de ommezwaai in verweerders standpunt te kunnen prepareren, wijst de rechtbank dan ook af.

8. Aan het zojuist overwogene doet niet af dat de in de vorige rechtsoverweging bedoelde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak in de vakliteratuur en rechtspraktijk reeds geruime tijd aan kritiek bloot staat. Zulks met name omdat deze jurisprudentie weinig oog lijkt te hebben voor de facultatieve redactie van het tweede lid van artikel 4:6, voornoemd, waarmee de wetgever op niet mis te verstane wijze het bestaan van een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan tot uiting heeft gebracht. In zoverre het onthouden van rechtsbescherming tegen besluiten, de uitoefening van die bevoegdheid betreffende, wordt ingegeven door argumenten, ontleend aan het beginsel van de formele rechtskracht, rijzen er naar het oordeel van de rechtbank twee vragen. De eerste is of de heersende jurisprudentie er niet te lichtvaardig van uit gaat dat toepassing van zojuist genoemd artikelgedeelte als een hernieuwde beoordeling van het eerste besluit moet worden opgevat.

In de naar het oordeel van de rechtbank in meerdere opzichten belangwekkende annotatie van prof. mr. T. P. Spijkerboer bij meergenoemde uitspraak van 4 april 2003 [JV 2003, 219] wordt die vraag op gemotiveerde wijze bevestigend beantwoord.

De tweede vraag is of - los hiervan - de leer of het beginsel van de formele rechtskracht een zodanige werking behoort toe te komen dat - zonder dat daartoe een wettelijke grondslag valt aan te wijzen - rechtsbescherming wordt onthouden in situaties waarin - zoals in Vreemdelingenzaken vrijwel altijd het geval is - per definitie geen rechtens te beschermen belangen zijn aan te wijzen - ook niet van derden - die zich tegen een (marginale) toetsing van de beslissing van het bestuursorgaan tot (bij gebreke van nova: onverplichte) inhoudelijke behandeling van een vervolgaanvraag zouden verzetten of die daardoor zouden worden geschaad.

In situaties als thans in geding, waarbij het bestuursorgaan nota bene onder uitdrukkelijke vaststelling dat sprake is van nova, de aanvraag als een nieuwe aanvraag heeft opgevat en behandeld, maar waarbij dit orgaan zich vervolgens weer volledig van die benaderingswijze distantieert, zou uit een oogpunt van gewekt vertrouwen - en onverschillig de vraag hoe de hernieuwde aanvraag zich tot de eerdere verhoudt - een extra argument voor een inhoudelijke toetsing van het aangevallen besluit besloten kunnen liggen.

Tot een dergelijke toetsing bestaat echter blijkens het navolgende ook reeds uit anderen hoofde genoegzame aanleiding.

9. De rechtbank overweegt dat het, gelet op de medische informatie waarop de onderhavige aanvraag berust, en de aard van de gestelde - ingrijpende - gebeurtenissen die voor eiser reden zijn geweest om zijn land te verlaten, op zich niet onaannemelijk behoeft te zijn dat eiser tijdens zijn eerste aanvraag nog zodanig verward was dat dit alsnog (een deel van) de inconsistenties in zijn verklaringen tijdens het toen verrichte eerste en het nader gehoor kan verklaren. Zeker is dit evenwel niet.

Hoe dit echter ook zij, met name het in de vorige procedure aan ieders - ook verweerders - aandacht ontsnapte gegeven, dat een UDPS lid met dezelfde naam en dezelfde voornamen als eiser, in het jaarboek van Amnesty International 1995 stond vermeld in een lijst van vermiste tegenstanders van het toenmalige bewind, zou het asielrelaas van eiser - indien hij de persoon is voor wie hij zich in beide asielprocedures heeft uitgegeven - een geheel nieuwe dimensie verlenen.

Verweerder heeft weliswaar benadrukt dat het niet voor de hand ligt dat eiser, gezien zijn jeugdige leeftijd en het marginale karakter van zijn bezigheden voor de UDPS, als een vooraanstaand lid van die organisatie te boek zou staan - en die taxatie van verweerder komt de rechtbank niet onjuist voor - maar er kan niet aan worden voorbijgezien dat het desbetreffende jaarboek een dergelijke of vergelijkbare kwalificatie ook niet hanteert.

Niet onaannemelijk behoeft te zijn het standpunt van eisers gemachtigde, dat reeds het enkele feit dat zijn cliënt in het jaarboek als tegenstander van de vader van het huidige staatshoofd staat vermeld zonder meer het risico van vervolging in zich draagt, zulks mede in verband met zijn getuigenis over het onder het regime van laatstgenoemde tegen aanhangers van de UDPS toegepaste geweld.

Hetgeen in dit verband van de zijde van eiser is aangevoerd brengt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval, indien het er voor moet worden gehouden dat eiser de persoon is die hij stelt te zijn, het gevaar van schending van het verbod van refoulement, vervat in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, zelfs zodanig reëel is, dat verweerder niet andermaal tot afwijzing van eisers toelatingsverzoek had mogen besluiten. De omstandigheid dat verweerder - mogelijk niet ten onrechte - vraagtekens plaats bij de onafhankelijkheid van het in opdracht van eisers raadsman in het land van herkomst uitgevoerde onderzoek, doet er niet aan af dat in dit verband op verweerder, gelet op de cruciale informatie waarmee de tweede aanvraag vergezeld ging, zelf een onderzoeksplicht rustte, zulks ter vaststelling van eisers identiteit. De inhoud van het asielrelaas van eiser, daaronder begrepen zijn beweerdelijke activiteiten voor en lidmaatschap en bezit van lidmaatschapskaart van de UDPS, geeft geen aanleiding om aan te nemen dat via het inwinnen van een individueel ambtsbericht geen uitsluitsel zou kunnen worden verkregen of eiser inderdaad de persoon is die hij stelt te zijn.

De rechtbank ziet in artikel 4:6 Awb geen valide argument gelegen om het bestaan van een onderzoeksplicht als zo-even bedoeld niet aan te nemen. Van belang is daarbij in het bijzonder het zwaarwegende gehalte van de in genoemde Verdragsbepaling neergelegde beschermingsnorm, voor de werking waarvan bij concreet voorzienbare schending, gelet op de intensiteit van het menselijk leed dat daarvan het gevolg kan zijn, nationale procedure- of vormvoorschriften dienen te wijken.

10. Het beroep is derhalve gegrond.

11. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2003, in tegenwoordigheid van mr. C.F.M. Orij-van den Boogaard, griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.