Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0706

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-05-2003
Datum publicatie
01-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/18755, 02/18754
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv / gezinshereniging / nareiscriterium.

Eiseressen hebben een mvv aangevraagd met als doel gezinshereniging. Ten aanzien van eiseres 1 stelt verweerder dat eiseres niet voldoet aan het nareiscriterium van zes maanden als bedoeld in hoofdstuk B2/1.1.1 Vc 2000. De rechtbank is van oordeel dat een strikte toepassing van het nareiscriterium in het onderhavige geval onredelijk is. Uit de verklaringen van referente kan worden afgeleid dat zij alles heeft gedaan waartoe zij redelijkerwijs in staat kon worden geacht om eiseres 1 op te sporen. Bovendien heeft referente slechts anderhalve maand na het verstrijken van de termijn de mvv-aanvraag ingediend. Deze omstandigheid had voor verweerder aanleiding moeten vormen te bezien of gebruik gemaakt had moeten worden van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit evenwel nagelaten.

Ten aanzien van het beroep van eiseres 2 op artikel 8 EVRM stelt verweerder dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen referente en eiseres 2, omdat er geen ‘more than the normal emotional ties’ aanwezig zijn. Dat wordt niet door de rechtbank onderschreven. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van referente voldoende bewijs van ‘further elements of dependency’ voortvloeit. Er is geen sprake is van inmenging in het familie- of gezinsleven. Verweerder heeft evenwel onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat op verweerder geen (positieve) verplichting rust om eiseres 2 verblijf in Nederland toe te staan. In het bestreden besluit is onvoldoende blijk gegeven dat alle door referente aangevoerde omstandigheden bij de belangenafweging zijn betrokken. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummers: AWB 02/18755 en 02/18754

Datum uitspraak: 15 mei 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 en artikel 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1934,

B,

geboren op [...] 1981,

van Afghaanse nationaliteit,

eiseressen,

gemachtigde mr. G. van Atten,

tegen

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

(Visadienst),

verweerder,

gemachtigde mr. M. van Driel.

Het procesverloop

Op 17 juni 1999 heeft C, respectievelijk kind en moeder van eiseressen (hierna: referente), namens eiseressen aanvragen ingediend tot verlening van machtigingen tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel verblijf bij referente. Bij besluiten van 7 februari 2001 heeft de korpschef van de regiopolitie Midden- en West-Brabant namens verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

Referente heeft namens eiseressen daartegen op 7 maart 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 6 februari 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 3 maart 2002 heeft referente namens eiseressen beroep ingesteld tegen deze besluiten.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 maart 2003. Referente is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Tevens is verschenen de heer H.A. Kruik, trajectbegeleider verbonden aan de hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de gemeente D.

De vaststaande feiten

1. Referente heeft op 14 november 1997 verzocht om toelating als vluchteling. Zij is bij besluit van 29 oktober 1998 als vluchteling in Nederland toegelaten en is thans genaturaliseerd. Haar moeder A en dochter B bevinden zich in Pakistan en beogen verblijf bij referente.

De standpunten van partijen

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres B om verlening van een mvv afgewezen, omdat zij niet in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000. Eiseres heeft namelijk niet voldaan aan het zogenoemde nareiscriterium. Evenmin is voldaan aan de voorwaarden die het beleid inzake gezinshereniging stelt. Naar het oordeel van verweerder betekent de weigering om B verblijf toe te staan ook geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het (Europees) verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres A om verlening van een mvv afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van het beleid inzake verruimde gezinshereniging en evenmin aan de voorwaarden van het ouderenbeleid. De weigering om eiseres verblijf toe te staan betekent voorts geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

3. Eiseres B heeft zich, ter ondersteuning van haar aanvraag, op het volgende standpunt gesteld. Zij komt in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning. Referente is eerst in april 1999 op de hoogte geraakt van de verblijfplaats van eiseres. Referente kan derhalve niet worden tegengeworpen dat zij niet binnen zes maanden na haar toelating als vluchteling een aanvraag om verlening van een mvv heeft ingediend. Bovendien moet deze aanvraag, gelet op de brief van de regiopolitie van 31 mei 1999, reeds voor 17 juni 1999 zijn gedaan. Ten aanzien van de toets of is voldaan aan de voorwaarden van het beleid inzake gezinshereniging, is eiseres van mening dat verweerder ten onrechte het ontbreken van voldoende middelen van bestaan aan referente heeft tegengeworpen. Hierbij is van belang dat referente in verband met medische klachten niet in staat is arbeid te verrichten. Referente heeft hiertoe medische verklaringen overgelegd.

Voorts heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Pakistan uit te oefenen. Referente behoeft medische hulp, die in Pakistan niet te verkrijgen is en zij is in Nederland toegelaten als vluchteling. Verweerder heeft bij brief van 28 februari 2002 aan de Tweede Kamer medegedeeld dat onaannemelijk is geworden dat uitgeprocedeerde Afghanen kunnen terugkeren naar Pakistan. Bovendien zijn de overige kinderen van referente hier te lande ingeburgerd en schoolgaand. Uit het voorgaande volgt dat er geen mogelijkheid is voor referente om het gezinsleven in Pakistan voort te zetten.

Eiseres A heeft zich, ter ondersteuning van haar aanvraag, op het volgende standpunt gesteld. Er is voldaan aan de voorwaarden van het beleid inzake verruimde gezinshereniging, nu aan referente in redelijkheid niet mag worden tegengeworpen dat zij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en achterlating van eiseres in Pakistan van onevenredige hardheid getuigt. Voorts is voldaan aan de voorwaarden van het ouderenbeleid, aangezien, zoals hiervoor is betoogd, het middelenvereiste in redelijkheid niet mag worden tegengeworpen. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM wordt verwezen naar de beroepsgronden in de zaak van B.

De beoordeling

4. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank de bestreden besluiten - de motivering waarop deze besluiten berusten daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen die besluiten aangevoerde beroepsgronden.

5. Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken.

6. Op grond van artikel 7:11 van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Aangezien na bekendmaking van het primaire besluit de Vw 2000 in werking is getreden, brengt voornoemde heroverweging mee dat bezien moet worden of eiseressen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van die wet.

7. In geschil is of verweerder terecht de aanvragen om verlening van een mvv heeft afgewezen.

Ten aanzien van eiseres B

8. Blijkens de gronden van beroep in de zaak van eiseres B heeft de rechtsstrijd betrekking op de vragen of B in aanmerking dient te komen voor een afgeleide verblijfsvergunning, of is voldaan aan de voorwaarden van het beleid inzake gezinshereniging en of overgegaan moet worden tot verblijfsaanvaarding op grond van artikel 8 van het EVRM.

9. Krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

10. Blijkens hoofdstuk B2/1.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) werd in de Vreemdelingencirculaire 1994 een zogenoemde redelijke termijn voor nareis gehanteerd die in de praktijk is ingevuld met zes maanden. Ten aanzien van de aanscherping van het nareiscriterium van zes naar drie maanden is geen overgangsregeling in de Vw 2000 opgenomen. Nu het materiële recht van de Vw 2000 onmiddellijke werking heeft, is besloten een voorziening te treffen, gebaseerd op artikel 3.13, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

11. Deze voorziening houdt ingevolge voornoemd beleid het volgende in: een vreemdeling kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging indien:

a. het de echtgeno(o)t(e) en/of de minderjarige kinderen betreft;

b. de hoofdpersoon vóór 1 april 2001 in het bezit is gesteld van een A-status (die inmiddels in omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd);

c. de aanvraag om gezinshereniging (aanvraag mvv of aanvraag verblijfsvergunning dan wel de asielaanvraag) is ingediend tussen de drie en zes maanden nadat de hoofdpersoon in het bezit is gesteld van een A-status en uiterlijk vóór 1 juli 2001.

Vreemdelingen die in aanmerking komen voor verblijf op basis van de onderhavige regeling worden derhalve niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, van de Vw 2000, aldus bedoeld beleid. Eiseres heeft dit beleid als zodanig niet betwist.

12. Beoordeeld dient te worden of verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat eiseres niet onder de hierboven omschreven voorziening valt.

13. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de nareistermijn van zes maanden is overschreden, nu referente op 29 oktober 1998 is toegelaten als vluchteling en eerst op 17 juni 1999 de aanvraag om verlening van een mvv ten behoeve van eiseres heeft ingediend. Naar het oordeel van verweerder is niet gebleken dat het indienen van deze aanvraag in de bedoelde zes maanden onmogelijk was.

14. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat referente eerst in april 1999 op de hoogte is geraakt van de verblijfplaats van eiseres en dat eerst vanaf dat moment het indienen van een aanvraag om verlening van een mvv mogelijk was.

15. De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens voornoemde voorziening moet de mvv-aanvraag binnen zes maanden nadat referente in het bezit is gesteld van de A-status zijn ingediend. Nu referente op 29 oktober 1998 in het bezit is gesteld van haar A-status en eerst op 17 juni 1999 de aanvraag om verlening van een mvv ten behoeve van eiseres heeft ingediend, stelt de rechtbank vast dat niet is voldaan aan het door verweerder gehanteerde nareiscriterium van zes maanden.

16. Evenwel acht de rechtbank de (strikte) toepassing van het nareiscriterium -dat op zichzelf niet als kennelijk onredelijk beleid kan worden beschouwd- in het onderhavige geval onredelijk. Hiertoe is het volgende redengevend. Niet in geschil is dat referente sinds januari 1998 pogingen heeft ondernomen eiseres op te sporen en dat zij eiseres in april 1999, en dus nog binnen de termijn van zes maanden, heeft getraceerd. Uit de verklaringen van referente kan worden afgeleid dat referente alles heeft gedaan waartoe zij redelijkerwijs in staat kon worden geacht om eiseres op te sporen. Zo heeft zij bemiddeling gevraagd aan het Rode Kruis en heeft zij Afghanen benaderd die naar Afghanistan reisden en aan hen haar adres meegegeven. Blijkens het verslag van gehoor bij de ambtelijke commissie heeft referente, nadat zij in april 1999 op de hoogte was geraakt van de verblijfplaats van eiseres, zich bovendien spoedig, te weten de volgende maand, tot de Vreemdelingendienst gewend om te informeren naar de mogelijkheid om een mvv-aanvraag in te dienen. Voorts hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid dat referente kampt met gezondheidsproblemen en een alleenstaande moeder is, die zorg draagt voor de opvoeding van vier kinderen. Mitsdien kan referente in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat zij (net) niet binnen de termijn van zes maanden een mvv-aanvraag voor eiseres heeft ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit niet, dan wel onvoldoende, dat verweerder rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat referente alles heeft gedaan dat in haar macht lag om eiseres op te sporen en haar niet eerder dan april 1999 heeft kunnen vinden, zodat het -anders dan verweerder stelt- niet voor haar rekening en risico komt dat de termijn van zes maanden (met ruim anderhalve maand) is overschreden. Deze omstandigheid had voor verweerder aanleiding moeten vormen om te bezien of gebruik gemaakt had moeten worden van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit nagelaten. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet voldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

17. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de familierechtelijke relatie niet ter discussie staat. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit dat bij verweerder twijfel bestaat over het feitelijk behoren van eiseres tot het gezin van referente.

18. Mitsdien heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking gezinshereniging.

19. Het beroep van B is derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). De overige beroepsgronden behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van eiseres A

20. Blijkens de gronden van beroep in de zaak van eiseres A heeft de rechtsstrijd betrekking op de vragen of is voldaan aan de voorwaarden van het beleid inzake verruimde gezinshereniging, of is voldaan aan de voorwaarden van het ouderenbeleid en of overgegaan moet worden tot verblijfsaanvaarding op grond van artikel 8 van het EVRM.

21. Krachtens artikel 3.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, in het kader van verruimde gezinshereniging op aanvraag worden verleend aan andere gezinsleden van een in Nederland gevestigde hoofdpersoon, dan de echtgeno(o)t(e), de (al dan niet geregistreerde) partner of het minderjarige kind. Deze regeling is nader uitgewerkt in hoofdstuk B2/8.3 van de Vc 2000. De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien -voor zover hier van belang- de achterlating van het gezinslid in het land van herkomst geen onevenredige hardheid betekent of indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de bijstandsnorm voor de desbetreffende categorie echtparen/gezinnen of alleenstaande ouders.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit op goede gronden geoordeeld dat niet is gebleken dat achterlating van eiseres in Pakistan van een onevenredige hardheid zou getuigen. Eiseres heeft niet kunnen aantonen, dan wel aannemelijk kunnen maken dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, die tot gevolg hebben dat haar achterlating in Pakistan een schrijnende situatie zou opleveren. Hierbij is van belang dat eiseres reeds sinds vier jaren in Pakistan verblijft zonder dat is gebleken van (noemenswaardige) problemen. De verklaring van de UNCHR, waarin staat vermeld dat eiseres geen 'care taker for her family' heeft, kan niet tot een ander oordeel leiden. Niet is gebleken dat voor eiseres naar plaatselijke maatstaven gemeten geen aanvaardbaar leven is weggelegd. De omstandigheid dat eiseres op leeftijd is en medische zorg behoeft, maakt het vorenstaande evenmin anders, nu niet is gebleken dat eiseres in Pakistan is uitgesloten van medische behandeling. Integendeel, blijkens de overgelegde medische verklaring wordt eiseres in Peshawar behandeld voor haar klachten.

Verweerder heeft mitsdien terecht geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het beleid inzake verruimde gezinshereniging. Reeds hierom faalt het beroep van eiseres op dit onderdeel.

23. Krachtens artikel 3.25 van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan de vreemdeling die 65 jaar of ouder is, die in het land van herkomst alleenstaand is en die in Nederland wil verblijven bij zijn kinderen. Deze regeling is nader uitgewerkt in hoofdstuk B 2/10 van de Vc 2000 (het zogenoemde ouderenbeleid). De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien -voor zover hier van belang- de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de bijstandsnorm voor de desbetreffende categorie echtparen/gezinnen of alleenstaande ouders vermeerderd met de bijstandsnorm voor alleenstaande.

24. Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid, nader uitgewerkt in hoofdstuk B2/11 van de Vc 2000, wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan indien de hoofdpersoon naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. Blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid wordt aangetoond aan de hand van een beschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt, aldus het beleid.

25. Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat referente niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw 2000, nu zij een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet geniet. Voorts heeft verweerder geoordeeld dat voor zover gesteld wordt dat het voor referente onmogelijk is om aan het middelenvereiste te voldoen vanwege haar psychische gezondheidsklachten, dit onvoldoende wordt geacht.

26. Referente heeft hiertegen aangevoerd dat zij arbeidsongeschikt is, zodat zij vrijgesteld dient te worden van het middelenvereiste. Referente heeft hiertoe de volgende stukken overgelegd:

1. een verklaring arbeidsongeschiktheid van H.A. Kruik, trajectbegeleider verbonden aan hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de gemeente D, van 18 april 2002, waarin staat vermeld dat er ten aanzien van referente alleen sprake is van een zorgtraject, aangezien bij de eerste gesprekken reeds duidelijk was dat er geen sprake is van een mogelijkheid om te kunnen werken. Voorts is in deze verklaring aangegeven dat geen formele uitspraken gedaan kunnen worden gedaan over de arbeidsongeschiktheid van referente, nu H.A. Kruik niet de daartoe bevoegde instantie vertegenwoordigt;

2. een brief van hiervoor genoemde H.A. Kruik van 11 maart 2003, waarin staat vermeld dat de GGD op 17 mei 2002 heeft aangegeven dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid en dat de GGD in geen geval een advies afgeeft dat langer geldig is dan twaalf maanden, omdat de arbeidsongeschiktheid elk jaar opnieuw moet worden vastgesteld;

3. het advies van de GGD Eemland van 17 mei 2002 dat referente volledig arbeidsongeschikt is;

4. een brief van M.J.H. Borst, hoofd van de hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de gemeente D, van 20 juni 2002, waarin staat vermeld dat de sollicitatieplicht van referente na advies van GGD Eemland met ingang van 17 mei 2002 is komen te vervallen en dat deze ontheffing voor de duur van 12 maanden geldt;

5. een verklaring van dr. A.T. Veeninga, psychiater, van 29 januari 2002, waarin staat vermeld dat de klachten die referente heeft geheel passen bij een posttraumatische stress stoornis;

6. een brief van A.M. Kornet, psycholoog verbonden aan RIAGG D, van 10 januari 2002, waarin staat vermeld dat referente zich had aangemeld met klachten als slecht slapen, moeheid, vergeetachtigheid, slechte concentratie en voortdurend piekeren over het lot van haar moeder en dochter die in Afghanistan zijn achtergebleven.

27. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de ex tunc-toetsing in beroep kunnen stukken ingediend na het bestreden besluit (d.d. 6 februari 2002) niet worden betrokken bij de beoordeling van het beroep. Mitsdien kunnen alleen de stukken genoemd onder punt 5 en 6 worden betrokken bij de beoordeling of verweerder op goede gronden het middelenvereiste aan referente heeft tegengeworpen. Het standpunt van eiseres dat de stukken genoemd onder punt 1 tot en met 4 moeten worden gezien als nadere bewijsvoering van eerder ingenomen stellingen en derhalve bij de beoordeling van het beroep betrokken dienen te worden, wordt niet door de rechtbank gedeeld. Immers, beoordeeld dient te worden of verweerder op grond van de informatie die bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat referente niet heeft aangetoond dat zij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft op goede gronden tot dit oordeel kunnen komen, nu eiseres ten tijde van het bestreden besluit geen beschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsverklaring heeft verstrekt, heeft overgelegd. De omstandigheid dat thans in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV 2002/16) is opgenomen dat blijvende arbeidsongeschiktheid (reeds) wordt aangenomen indien iemand na twee jaren nog steeds volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, doet aan het voorgaande niet af. Hierbij is van belang dat referente ten tijde van het bestreden besluit niet heeft aangetoond dat zij reeds twee jaren volledig arbeidsongeschikt was. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit kunnen overwegen dat de overgelegde medische verklaringen (zoals hiervoor omschreven onder punt 5 en 6) onvoldoende zijn om tot een ander oordeel te komen.

28. Mitsdien heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van het ouderenbeleid.

29. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.

30. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is - voor zover hier van belang - bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("family life"). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

31. Tussen partijen is allereerst in geschil of er sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in dit artikel. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit (allereerst) op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven, omdat er geen sprake is van 'more than the normal emotional ties' tussen eiseres en referente. Eiseres en referente hebben dit betwist.

32. De rechtbank overweegt als volgt. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft bij uitspraak van 3 juli 2001 inzake Javeed tegen Nederland (JV 2001/303) geoordeeld dat relaties tussen volwassen verwanten niet noodzakelijkerwijs onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM vallen zonder dat er verdere elementen van afhankelijkheid zijn bestaande uit "more than the normal emotional ties". Het EHRM verwijst in dit verband naar een uitspraak van 13 februari 2001 inzake Ezzoudhi tegen Frankrijk (nr. 47160/99). In laatstgenoemde uitspraak wordt vervolgens weer verwezen naar een uitspraak van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM) van 10 december 1984 inzake S. en S. tegen het Verenigd Koninkrijk, waarin het volgende wordt overwogen:

"Generally, the protection of family life under Article 8 involves cohabitating dependants, such as parents and there dependant, minor children. Whether it extends to other relationships depends on the circumstances of the particular case. Relationships between adults would not necessarily acquire the protection of Article 8 of the Convention without evidence of further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties."

33. Referente heeft tegenover de ambtelijke commissie verklaard dat eiseres vanaf 1995 deel is gaan uitmaken van haar gezin en dat zij, referente, vanaf dat moment de zorg voor eiseres op zich heeft genomen. Voorts heeft referente verklaard dat zij na haar vertrek uit Afghanistan geld heeft achtergelaten bij eiseres en dat zij, nadat zij eiseres heeft getraceerd in april 1999, eiseres wederom onderhoudt.

Op grond van deze verklaringen -die niet door verweerder in twijfel zijn getrokken- is de rechtbank van oordeel dat "more than the normal emotional ties" tussen eiseres en referente kunnen worden aangenomen. Hierbij acht de rechtbank met name van belang dat eiseres vanaf 1995 tot eind 1997 bij referente heeft gewoond en door haar is verzorgd en dat dit gezinsverband noodgedwongen is verbroken door de vlucht van referente. Deze omstandigheid, tezamen met het feit dat referente eiseres wederom onderhoudt, acht de rechtbank voldoende bewijs van "further elements of dependency", die uitstijgen boven hetgeen gebruikelijk is in relaties tussen ouders en meerderjarige kinderen. Mitsdien is er sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

34. Gezien het feit dat aan eiseres nimmer verblijf in Nederland is toegestaan, is in dit geval geen sprake van inmenging in het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Of in dit geval uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven niettemin voor verweerder een (positieve) verplichting voortvloeit om eiseres verblijf in Nederland toe te staan, moet worden vastgesteld aan de hand van een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van het EHRM van 19 februari 1996 inzake Gül tegen Zwitserland (RV 1996/23), waarin is overwogen dat zowel bij positieve als negatieve verplichtingen een 'fair balance' gezocht moet worden tussen de belangen van de staat en die van betrokkenen; dat de reikwijdte van de verplichting om gezinsleden toe te laten afhangt van de omstandigheden van het geval, maar dat er geen algemene verplichting is voor een staat om de keuze van huwelijks- of gezinsdomicilie van betrokkenen te volgen.

35. Uit de jurisprudentie van het EHRM valt voorts af te leiden dat het belang van betrokkene in kaart wordt gebracht door enerzijds te onderzoeken hoe sterk de banden met het land van verblijf zijn, waarbij de aanwezigheid van een of meer jonge kinderen groot gewicht in de schaal legt. Anderzijds wordt gekeken in hoeverre er nog banden zijn met het land van herkomst. Daarbij is bijvoorbeeld relevant of betrokkene de taal van het land van herkomst spreekt en of het land van herkomst regelmatig wordt bezocht. Indien er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen, is dit een voor het EHRM zwaarwegend feit ten nadele van de vreemdeling, maar niet noodzakelijkerwijs van doorslaggevende betekenis (zie ook de uitspraak van 28 november 1996 inzake Ahmut tegen Nederland, RV 1996/24).

36. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat er een objectieve belemmering bestaat om het familie- of gezinsleven tussen referente en eiseres in het land van herkomst (Afghanistan) uit te oefenen. Verweerder heeft in het bestreden besluit evenwel geoordeeld dat er geen objectieve belemmering bestaat om het familie- of gezinsleven tussen referente en eiseres in Pakistan uit te oefenen.

37. In de onderhavige zaak is een aantal omstandigheden naar voren gekomen die naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende door verweerder bij de vereiste belangenafweging zijn betrokken. Het betreft de volgende omstandigheden:

Referente is een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag die, tezamen met vier kinderen op 14 november 1997 Nederland is binnen gereisd, sinds 29 oktober 1998 legaal in Nederland verblijft en thans de Nederlandse nationaliteit bezit. Ten tijde van het bestreden besluit verbleven referente en haar kinderen derhalve meer dan vier jaar legaal in Nederland, zodat een redelijke mate van inburgering kan worden aangenomen. Daartegenover staat dat referente en haar kinderen geen enkele band met Pakistan hebben. Zo hebben referente en haar kinderen niet de Pakistaanse nationaliteit en hebben zij nimmer in Pakistan gewoond. Voorts is in aanmerking genomen de omstandigheid dat eiseres in Afghanistan bij referente in huis heeft gewoond en door haar werd verzorgd en dat referente, vanaf het moment dat zij eiseres in Pakistan heeft getraceerd, wederom in het onderhoud van eiseres voorziet. Ook is van belang dat de scheiding tussen eiseres en referente geen bewuste beslissing was, maar voortvloeide uit de noodgedwongen vlucht van referente.

Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat verweerder al deze omstandigheden heeft meegewogen, waarbij de rechtbank met name belang hecht aan de omstandigheid dat referente en haar kinderen geen banden hebben met Pakistan, terwijl inmiddels wel banden met Nederland zijn ontstaan. De omstandigheid dat referente ten tijde van het bestreden besluit niet zelfstandig en duurzaam beschikte over voldoende middelen van bestaan en op dat moment evenmin kon aantonen dat zij geen arbeid kon verrichten, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft betoogd, leidt niet tot het oordeel dat aan het belang van de staat doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Daarbij is van belang dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling moeten worden betrokken en dat het ontbreken van voldoende middelen van bestaan slechts één van deze omstandigheden is. Overigens kan referente thans wel aantonen dat zij niet in staat is om arbeid te verrichten. Nu uit het bestreden besluit niet, dan wel onvoldoende, kan worden afgeleid dat verweerder een rechtvaardig evenwicht heeft gevonden tussen de belangen van de betrokkenen enerzijds en het belang dat wordt gediend door een geregelde immigratie anderzijds, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking "verblijf bij C".

38. Het beroep van A is derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

39. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als de rechtspersoon die aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het gedeelte van het besluit van 6 februari 2002 inzake B dat ertoe strekt haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder de beperking gezinshereniging, te onthouden;

vernietigt het gedeelte van het besluit van 6 februari 2002 inzake A dat ertoe strekt haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder de beperking "verblijf bij C" te onthouden;

draagt verweerder op voor het vernietigde gedeelte nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiseressen € 109 te betalen ter vergoeding van het door hen betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Lely - van Goch en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2003 in tegenwoordigheid van mr. A.T. Boerema als griffier.

de griffier de rechter

w.g. Boerema w.g. Lely - van Goch

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 19 mei 2003

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.