Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0705

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2003
Datum publicatie
01-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/7818
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / geboorteakte / legalisatie / bewijsnood.

Eiseres stelt dat het onmogelijk is in het bezit te komen een mvv, aangezien hiervoor een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte is vereist en haar eerder de legalisatie van een vervangend geboortebewijs is geweigerd.

De rechtbank verwijst naar de Afdelingsuitspraak 200203958/1 van 25 maart 2003. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte kan worden beoordeeld in het kader van een reguliere aanvraag. Of eiseres wegens bewijsnood vrijgesteld dient te worden van de voorwaarde een gelegaliseerde geboorteakte te overleggen kan in het kader daarvan worden beoordeeld. In het vonnis 99-5700 van 13 maart 2000 is door de meervoudige kamer van de sector familie- en jeugdrecht overwogen dat de door eiseres aangedragen documenten onweersproken bevoegd zijn afgegeven maar niet zijn gelegaliseerd, omdat de juistheid van de gegevens niet geverifieerd kon worden. De stukken zijn echter niet aan te merken als een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte geboorteakte, ook niet als deze stukken wel gelegaliseerd zouden zijn. Hoewel de juistheid van de gegevens niet is bevestigd, heeft de civiele rechtbank aanleiding gezien eiseres toe te laten tot het afleggen van een verklaring in de zin van artikel 1:45, derde lid, BW. Deze verklaring treedt voor de huwelijksaangifte in de plaats van een geboorteakte. De rechtbank overweegt dat uit dit alles voortvloeit dat de door eiseres gestelde identiteit en geboortedatum in de Nederlandse rechtsorde zijn aanvaard. Nu voorbij is gegaan aan het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte, is vast komen te staan dat eiseres voor het overleggen van een legaliseerde geboorteakte in bewijsnood verkeert als bedoeld in hoofdstuk B2/12.5 Vc 2000. Blijkens het bestreden besluit is het beroep op artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 uitsluitend afgewezen, omdat het beroep op bewijsnood in de mvv-procedure moet worden beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat eiseres met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 45
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/417

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 02/7818 OVERIO

Inzake : A, eiseres, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. L. van Dijk, advocaat te Den Haag

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. L.J.J. Stams, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiseres, naar gesteld geboren op [...] 1976, bezit de Nigeriaanse nationaliteit. Zij verblijft, naar eigen zeggen, sedert 1 januari 1995 in Nederland. Op 29 juni 1998 heeft zij een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij partner ingediend. Deze aanvraag is op 1 december 1998 afgewezen en het hiertegen door eiseres ingediende bezwaar is op 8 maart 1999 ongegrond verklaard. Het door eiseres tegen dit besluit ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2000 ongegrond verklaard (AWB 99/2932).

Bij schrijven van 21 juli 2000 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een vergunning tot verblijf bij echtgenoot B. Deze aanvraag is door verweerder op 6 december 2000 buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Op 21 maart 2001 heeft eiseres een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Bij uitspraak van 15 oktober 2001 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een beslissing dient te nemen (AWB 01/13025). Op 17 januari 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 29 januari 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2002. De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en aan verweerder opgedragen vragen te beantwoorden betreffende de mogelijkheid tot vrijstelling van het vereiste van legalisatie en verificatie in geval van bewijsnood, de toepassing van het ter zake vigerende beleid en in welke gevallen verweerder hierover met de Minister van Buitenlandse Zaken overleg voert. Verweerder heeft de vragen op 20 december 2002 beantwoord. De gemachtigde van eiseres heeft hierop op 13 januari 2003 gereageerd.

3. Voortzetting van de openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 juni 2003. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Scholtes, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Gezien het bepaalde in artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 118 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en de Memorie van Toelichting hierop had verweerder op het bezwaar moeten beslissen met toepassing van het materiële recht zoals neergelegd in de bepalingen bij of krachtens de Vw 2000.

Hetgeen door verweerder daartegen is aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft gesteld dat een besluit genomen krachtens artikel 4:5 Awb een bijzondere karakter heeft, zoals aan de orde in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2001 (JB 2001, 36). De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat die uitspraak geen betrekking heeft op een buitenbehandelingstelling met toepassing van artikel 16a Vreemdelingenwet 1965 (Vw 1965), welk besluit een geheel eigen karakter heeft in verband met de aan de totstandkoming daarvan voorafgaande materiële beoordeling of grond bestaat tot verlening van vrijstelling van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), eventueel met toepassing van de hardheidsclausule. Het is juist die beoordeling die in de bezwaarprocedure de inzet vormt van de bestuurlijke heroverweging van het aangevallen besluit. De opvatting dat met de beslissing tot buitenbehandelingstelling van 6 december 2000 het besluitvormingstraject is afgerond, acht de rechtbank dan ook onjuist.

In de tweede plaats is van belang dat Vw 2000, welke wet hangende de bezwaarprocedure rechtskracht heeft gekregen, niet langer voorziet in de rechtsfiguur van buitenbehandelingstelling maar in die van afwijzing van een aanvraag in situaties waarin een mvv ontbreekt. Nu uit het overgangsrecht niet anders volgt, is artikel 16a Vw 1965 op 1 april 2001 opgehouden te gelden. Dit betekent dat de beoordeling in bezwaar of het ontbreken van een mvv aan de vreemdeling tegengeworpen mag worden, plaats dient te vinden aan de hand van het nieuwe recht, in casu artikel 16, eerste lid onder a en artikel 17 Vw 2000 en artikel 3.71, vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). De verwijzing door verweerder naar artikel 4:5 Awb is naar het oordeel van de rechtbank niet juist.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 16, eerste lid onder a juncto artikel 17 Vw 2000 en artikel 3.71 Vb 2000 te worden vernietigd.

3. De rechtbank overweegt voorts het volgende. Eiseres heeft aangevoerd dat het voor haar onmogelijk is om in het bezit te komen van de door verweerder geëiste mvv, aangezien voor de afgifte hiervan door de Minister van Buitenlandse Zaken een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte wordt vereist. Eiseres heeft reeds eerder een op 8 juni 1998 opgesteld vervangend geboortebewijs ter legalisering aangeboden bij de Nederlandse Ambassade in Nigeria. Legalisatie is toen geweigerd op grond van het feit dat voor de volledige geboortedatum van eiseres geen bevestiging kan worden gevonden in een objectieve bron. Legalisatie van de geboorteakte is derhalve blijvend onmogelijk, zodat eiseres in bewijsnood verkeert. Zij beroept zich derhalve op het beleid neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), hoofdstuk B2/12.5, dat vrijstelling van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan worden verleend indien een vreemdeling in bewijsnood verkeert. Voorts wijst eiseres er op dat in een eerder gevoerde procedure in verband met haar voorgenomen huwelijk de civiele rechtbank heeft bepaald dat ondanks het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte, een akte van huwelijksaangifte diende te worden opgemaakt

Tevens beroept eiseres zich op de hardheidsclausule van artikel 3.74, vierde lid, Vb 2000 omdat zij - behoudens het mvv-vereiste - aan alle voorwaarden voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Tenslotte meent eiseres dat zij omtrent haar bezwaar had dienen te worden gehoord.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. Het is niet onevenredig hard om van eiseres te verwachten dat zij in Nigeria een mvv aanvraagt en die procedure in Nigeria afwacht. De vraag of eiseres in bewijsnood verkeert kan slechts in het kader van een mvv-aanvraag aan de orde komen en op de uitkomst van die procedure kan in de onderhavige vergunningprocedure niet worden vooruitgelopen.

5. De rechtbank overweegt alsvolgt.

Over de verhouding tussen de procedure tot legalisatie van documenten en de procedure waarin dergelijke documenten een rol spelen, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 25 maart 2003 (nr. 200203958/1) het volgende overwogen:

"(...) Dit betoog miskent dat bij legalisatie uitsluitend van belang is of het desbetreffende document wat betreft zijn inhoud van zodanige kwaliteit is, dat verantwoord is het in de Nederlandse rechtsorde een zelfstandige rol te laten vervullen. Niet van belang is welke gevolgen een eventuele weigering om het document te legaliseren met zich kan brengen voor degene die om legalisatie heeft verzocht. Die gevolgen kunnen door de daartoe bevoegde instanties onder ogen worden gezien in de procedure, waarvoor het document nodig is. Daarin kan beoordeeld worden of de belangen van betrokkene moeten prevaleren boven die, gediend met het stellen van de eis van legalisatie."

Niet valt in te zien dat deze overweging slechts ziet op de verhouding tussen de legalisatieprocedure en de mvv-procedure. Voorts biedt in geval van een aanvraag voor een verblijfsvergunning artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 op zichzelf de mogelijkheid om vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen. Derhalve kan in dat kader worden beoordeeld welke gevolgen moeten worden verbonden aan het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte.

Het bovenstaande noopt tot de conclusie dat de stelling van eiseres dat zij wegens bewijsnood vrijgesteld dient te worden van de voorwaarde een gelegaliseerde geboorteakte te overleggen, in het onderhavige geval in het kader van de vergunningaanvraag kan worden beoordeeld. In het bestreden besluit heeft verweerder echter verwezen naar de mvv-procedure en is een beoordeling van de door eiseres gestelde bewijsnood achterwege gebleven.

Gelet hierop is het besluit in zoverre niet gemotiveerd en dient het eveneens te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Awb.

6. De rechtbank stelt vast dat de Minister van Buitenlandse Zaken bij besluit van 11 juli 1999 heeft geweigerd de door eiseres ter legalisatie aangeboden documenten te legaliseren. Dit betrof, voor zover hier van belang, een vervangend geboortebewijs, bestaande uit (a) een verklaring van 8 juni 1998 van O.O. Oni van de National Population Commission, waarin deze verklaart dat eiseres is geboren vóór inwerkingtreding van een wet inzake geboorteakten en derhalve geen geboorteakte bezit, maar dat de "statutory declaration of age" van haar moeder geaccepteerd kan worden; en (b) deze "statutory declaration of age" d.d. 1 juni 1998, waarin de moeder van eiseres verklaart dat eiseres is geboren op [...] 1976.

Het door eiseres tegen dit besluit ingediende bezwaar is op 18 februari 2000 afgewezen en het tegen de afwijzing ingestelde beroep is bij uitspraak van 30 augustus 2000 (AWB 00/3720 RWNL) ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

In het vonnis van de meervoudige kamer, sector familie en jeugdrecht, van deze rechtbank van 13 maart 2000 (nr. 99-5700) is overwogen dat voornoemde verklaring van O.O. Oni en de "statutory declaration of age" onweersproken bevoegd zijn afgegeven, maar nochtans niet zijn gelegaliseerd, omdat de juistheid van de vermelde gegevens niet geverifieerd kon worden. Echter, tezamen zijn deze stukken niet aan te merken als een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte geboorteakte ten name van eiseres, ook niet als deze stukken wel gelegaliseerd zouden zijn. Of - uiteindelijk - tot legalisatie (na voorafgaande verificatie) van deze stukken kan worden overgegaan, neemt dus niet weg dat eiseres geen Nigeriaanse geboorteakte aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kan overleggen. Ook voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 1:25c van het Burgerlijk Wetboek (BW) om in een verzoek aan de rechtbank 's-Gravenhage om een vervangende geboorteakte op te stellen, te worden ontvangen.

Ook blijkt uit het vonnis dat er geen getuigen in de zin van artikel 1:45, tweede lid, BW zijn van de plaats en zo na mogelijk van het tijdstip van de geboorte van eiseres. Onder deze omstandigheden en nu voorts de juistheid van de gegevens van eiseres weliswaar vooralsnog niet bevestigd is, maar ook onweersproken is dat er niet van contra-indicaties is gebleken, heeft de civiele rechtbank aanleiding gezien eiseres toe te laten tot het afleggen van een verklaring in de zin van artikel 1:45, derde lid, BW, welke voor de huwelijksaangifte in de plaats treedt van een geboorteakte.

Na dit vonnis is het huwelijk tussen eiseres en B op 3 mei 2000 rechtsgeldig voltrokken en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waarbij de door eiseres genoemde geboortedatum is vermeld.

7. De rechtbank overweegt dat uit voornoemd vonnis, het daarna voltrokken huwelijk en de inschrijving daarvan in de registers van de burgerlijke stand, waarbij de door eiseres genoemde geboortedatum is vermeld, voortvloeit dat de door eiseres gestelde identiteit en geboortedatum in de Nederlandse rechtsorde zijn aanvaard. Nu hierbij welbewust voorbij is gegaan aan het ontbreken van een gelegaliseerde (vervangende) geboorteakte, is hiermee tevens vast komen te staan dat eiseres voor wat betreft het overleggen van dit document in een situatie van bewijsnood verkeert als bedoeld in de Vc 2000, paragraaf B2/12.5. Nu voorts blijkens het bestreden besluit het beroep van eiseres op artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000, uitsluitend is afgewezen met het argument dat haar beroep op bewijsnood in de mvv-procedure moet worden beoordeeld, dient eiseres naar het oordeel van de rechtbank met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 vrijgesteld te worden van het mvv-vereiste.

8. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8.72, vierde lid, Awb verweerder op te dragen de vergunningaanvraag inhoudelijk te behandelen, waarbij vrijstelling van het mvv-vereiste dient te worden verleend. De beslissing op de aanvraag dient te worden genomen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

9. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting op 29 oktober 2002 en 3 juni 2003, met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. draagt verweerder op de vergunningaanvraag inhoudelijk te behandelen, onder verlening van vrijstelling van het mvv-vereiste en binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak op de aanvraag te beslissen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het in beroep betaalde griffierecht ad € 109,-- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.Dijt en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. E.P. Kuipéri, griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op: