Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0454

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
09/757679-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, in aanwezigheid van zijn broer, die door de rechtbank gezien zijn aandeel als mededader wordt aangemerkt, op niets ontziende, brute wijze twee jonge mensen het grootste rechtsgoed, te weten hun leven, ontnomen.

Het eerste slachtoffer was zijn vriendin, die hij, na voorbereidende maatregelen, eerst de neus heeft gebroken en vervolgens van dichtbij door het hoofd heeft geschoten. Daarbij was duidelijk dat in de betreffende nacht, voortdurend tot in de ochtenduren, door het intimiderende optreden van verdachte en zijn broer, het slachtoffer in een toestand van toenemende angst, op een gegeven moment doodsangst, heeft verkeerd. Vervolgens is verdachte met zijn broer in de auto naar het tweede slachtoffer, ook naar eigen zeggen een goede vriend, gereden en heeft deze met zijn pistool koelbloedig geliquideerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/757679-02

rolnummer 0007

's-Gravenhage, 25 juli 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Rijnmond, HvB Noordsingel te Rotterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 juli 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr Gosschalk, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Van Dam heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen genummerd 46 en 47 zullen worden verbeurdverklaard.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

Bewijsoverweging.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting staat vast dat verdachte op 29 december 2002 [slachtoffer 1] in haar woning een kogel door het hoofd heeft geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden, waarna verdachte samen met zijn broer naar de woning [slachtoffer 2] is gereden, alwaar hij een aantal kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2], tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] eveneens is overleden.

Op grond van de verklaring van verdachte zelf, de verklaring van zijn broer, [medeverdachte] en diverse getuigenverklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, vorenvermelde [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd. Met betrekking tot het doodschieten van [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw van verdachte zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld - kort en zakelijk weergegeven - dat bij verdachte de voorbedachte raad heeft ontbroken, zodat verdachte wat dit feit betreft ter zake van moord dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Op de grond van de verklaringen van verdachte, zijn broer en zijn moeder stelt de rechtbank vast dat de drie kinderen van [slachtoffer 1] voorafgaand aan de schietpartij door de moeder van verdachte zijn opgehaald. Verdachte verklaart hierover bij de politie (blz. 191 van het proces-verbaal): "Ik zei op een gegeven moment, iets voor achten, dat de kinderen weg moesten. [slachtoffer 1] vroeg mij nog of ik haar iets zou aandoen. Ik zei van niet en ik zei haar ook dat wij samen weg zouden gaan. Ik wou niet tegen haar zeggen ik ga je kapot maken, dus zei ik maar, dat wij naar [slachtoffer 2] zouden gaan. [slachtoffer 1] kleedde de kinderen en zichzelf aan en ik denk dat zij toen al nattigheid voelde." Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte op het moment dat hij de kinderen door zijn moeder liet ophalen reeds het voornemen had om [slachtoffer 1] iets aan te doen. Vervolgens heeft verdachte nader geconcretiseerd wàt hij [slachtoffer 1] wilde aandoen (blz. 191 van het proces-verbaal): "Toen de kinderen weg waren vertelde [slachtoffer 1] mij nog meer. Ik wilde haar toen doodmaken."

Een en ander wordt bevestigd door de verklaringen van verdachtes broer [medeverdachte], die bij het neerschieten van die [slachtoffer 1] aanwezig is geweest en samen met verdachte al die tijd in de woning van [slachtoffer 1] heeft verbleven. [medeverdachte] verwachtte wel dat verdachte [slachtoffer 1] zou neerschieten (blz. 306 van het proces-verbaal). Volgens [medeverdachte] heeft verdachte eerst bij [slachtoffer 1] de simkaart uit haar mobiele telefoon verwijderd en - nadat de kinderen door moeder waren opgehaald - de simkaart uit zijn eigen mobiele telefoon verwijderd (blz. 305 en 306 van het proces-verbaal). [medeverdachte] dacht na de opmerking van verdachte dat [slachtoffer 1] de kinderen moest aankleden, dat [slachtoffer 1] wel aanvoelde wat er ging gebeuren (blz. 220 van het proces-verbaal). Ook hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte op dat moment reeds voornemens was [slachtoffer 1] iets aan te doen. Vrij snel daarna is ook [medeverdachte] duidelijk geworden wàt verdachte [slachtoffer 1] wilde aandoen, gelet op de verklaring van [medeverdachte]: "Ik had op het moment dat [slachtoffer 1] vertelde dat ze seks gehad had met [slachtoffer 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2], [...] het gevoel dat ze door [verdachte] afgemaakt zou worden. Dat is niet door woorden duidelijk gezegd maar dat voelde ik wel. Ik vind het nog netjes van [verdachte] zoals hij gereageerd heeft. Hij heeft eerst aan de kinderen gedacht door ze weg te laten halen door mijn moeder. [...] Ik voelde dat ze bang was en dat ze wist dat ze te ver gegaan was. Ik voelde dat ze bang was en ik denk dat ze wel wist dat ze dood ging" (blz. 220 van het proces-verbaal).

Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte bij het slaan van die [slachtoffer 1] een doorgeladen pistool droeg. Uit de verklaringen van verdachte komt naar voren dat hij normaliter geen wapen droeg. Verdachte bewaarde het wapen altijd onder zijn kussen (blz. 190 van het proces-verbaal). Naar zijn zeggen lag het wapen al jaren doorgeladen in zijn kamer (blz. 392 van het proces-verbaal). Wat er ook zij van het motief en initiatief om het wapen die nacht naar de [adres] mee te nemen, op het moment dat verdachte de woning van [slachtoffer 1] betrad, was er voor hem geen aanleiding het wapen uit zijn buideltasje te halen (blz. 393 van het proces-verbaal): "Op het moment dat ik mijn eigen huis inliep voelde ik mij heer en meester. Het is mijn huis. Daar ben ik sterk". Dat verdachte zich ook tijdens zijn verblijf in de woning in de daarop volgende uren veilig waande, wordt bevestigd door zijn verklaring dat hij niet weet waar hij tijdens het douchen zijn pistool heeft gelaten (blz. 394): "In de badkamer, de woonkamer. Ik weet het niet." Nu verdachte na het douchen het buideltasje met daarin het pistool welbewust heeft omgedaan, waarna verdachte naar die [slachtoffer 1] is gelopen en haar een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, is de rechtbank, ook in relatie met hetgeen hiervoor overigens is overwogen, van oordeel dat verdachte voornemens was het wapen tegen [slachtoffer 1] te gebruiken.

De rechtbank heeft voorts nog acht geslagen op de volgende verklaring van de getuige [getuige] (blz. 164 van het proces-verbaal): "[verdachte] zei dat hij en [medeverdachte] hun kop hadden kaalgeschoren. Hij zei dat ze dat hadden gedaan voordat ze [slachtoffer 1] hadden afgeschoten. [verdachte] zei dat ze dat hadden gedaan omdat, als ze in het gevang zouden komen, dat het dan heel lang zou duren voordat er een kapper zou komen".

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat verdachte gedurende enige tijd zich heeft beraden op het besluit [slachtoffer 1] te doden, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft, in aanwezigheid van zijn broer, die door de rechtbank gezien zijn aandeel als mededader wordt aangemerkt, op niets ontziende, brute wijze twee jonge mensen het grootste rechtsgoed, te weten hun leven, ontnomen.

Het eerste slachtoffer was zijn vriendin, die hij, na voorbereidende maatregelen, eerst de neus heeft gebroken en vervolgens van dichtbij door het hoofd heeft geschoten. Daarbij was duidelijk dat in de betreffende nacht, voortdurend tot in de ochtenduren, door het intimiderende optreden van verdachte en zijn broer, het slachtoffer in een toestand van toenemende angst, op een gegeven moment doodsangst, heeft verkeerd. Vervolgens is verdachte met zijn broer in de auto naar het tweede slachtoffer, ook naar eigen zeggen een goede vriend, gereden en heeft deze met zijn pistool koelbloedig geliquideerd.

Wat er ook zij van de verdenking die verdachten volgens eigen zeggen tot de daden heeft gebracht, te weten een seksuele relatie tussen beide slachtoffers, deze kan op geen enkele wijze afbreuk doen aan het laffe karakter daarvan. Verdachte heeft daarmee ook duidelijk gemaakt ongevoelig te zijn voor het leed dat het onherstelbare verlies voor de nabestaanden van de slachtoffers, onder wie drie kleine kinderen van het slachtoffer [slachtoffer 1], en voor vrienden van hen meebrengt. Een extra verwijt in dit verband treft verdachten dat het slachtoffer [slachtoffer 1] door hun toedoen pas geruime tijd na het intreden van de dood is gevonden, gedurende welke tijd familieleden in grote onzekerheid en toenemende angst verkeerden.

Evenmin heeft verdachte rekening gehouden met de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij tengevolge van dergelijke gruwelijke feiten, op zondagochtend in een woonwijk gepleegd, gevoelens die versterkt zijn door het geruime tijd onderduiken van de verdachten, terwijl bekend was dat verdachte in het bezit was van een doorgeladen pistool. Ook het bezit daarvan heeft de rechtbank bewezen verklaard.

Uit een op naam van verdachte staand uittreksel uit het justitieel documentatieregister blijkt dat verdachte in het verleden reeds eerder ter zake van geweldsdelicten en verboden wapenbezit is veroordeeld.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van 1 juli 2003, dat door het Pieter Baan Centrum over verdachte is uitgebracht. De gedragsdeskundigen, psycholoog J.M. Oudejans, psychiater J.A. van der Linden, onder supervisie van psychiater A.A.R. de Kom, komen allen tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het telastgelegde niet lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De telastgelegde feiten kunnen, indien bewezen, daarom volledig aan verdachte worden toegerekend.

Verdachte heeft ter terechtzitting gezegd dat deze feiten nooit hadden mogen plaatsvinden en dat hij dergelijke feiten in de toekomst niet meer zal plegen. Het rapport van het Pieter Baan Centrum vermeldt ten aanzien van het herhalingsgevaar, dat verdachte ten tijde van het telastgelegde niet vanuit een bepaalde psychische stoornis belemmerd is in zijn vermogen om keuzes en afwegingen te maken en dat er geen sprake was van een vermindering van gedragsalternatieven, waardoor er gedragsdeskundig gezien geen verwachting kan worden uitgesproken met betrekking tot toekomstig gedrag.

De rechtbank meent dat op grond van de hiervoor vermelde mededeling van verdachte en van het Pieter Baan Centrum rapport een inschatting van het herhalingsgevaar niet is te maken, maar dat dit ook niet is uit te sluiten.

De rechtbank acht, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder verdachte de levens van twee mensen heeft beëindigd, het opleggen van de hoogst mogelijke tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 20 in eigendom toebehoort.

De rechtbank zal, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Ten aanzien van de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 46 en 47 maakt de rechtbank uit de aard van deze voorwerpen op, dat deze niet vallen onder het begrip "inbeslaggenomen voorwerpen" en dat derhalve de rechtbank niet geroepen is terzake een beslissing te geven.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

Medeplegen van moord, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 8 januari 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 10 januari 2003,

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 20, te weten een horloge;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Donker, voorzitter,

Nijman en Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Haesen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juli 2003.

parketnummer 09/679-02757