Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9927

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
29-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/4625
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verweerder door eiseres de mogelijkheid te bieden om het rekenmodel te testen op (een) stand-alone-computer(s), slechts in beperkte mate informatie over het model heeft verschaft terwijl verweerder de gevraagde verdergaande openbaarmaking in digitale vorm heeft geweigerd. Aangezien verweerder, zoals hiervoor is overwogen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot weigering van volledige openbaarmaking in digitale vorm zoals eiseres heeft verzocht, met het oog op het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van NERA, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank door op zijn kantoor aldus kennisneming van de inhoud toe te staan, niet in strijd met artikel 7 van de WOB gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 02/4625 WOB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

KPN Telecom BV, gevestigd te Den Haag, eiseres,

en

het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA), verweerder.

Derde partij: National Economic Research Associates UK Ltd (NERA).

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 17 mei 2001 heeft eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (verder: de WOB) verzocht om openbaarmaking van zowel de electronische als de -volledige- papieren versie van het BULRIC I-model, met bijbehorende submodellen.

Bij besluit van 15 juni 2001 heeft verweerder dit verzoek (ten dele) afgewezen.

Bij brief van 24 juli 2001, aangevuld bij brief van 21 augustus 2001, heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 oktober 2002, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 november 2002, ingekomen bij de rechtbank per fax op 28 november 2002 en van gronden voorzien bij brief van 16 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 februari 2003 heeft eiseres verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 13 maart 2003 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Bij brief van 9 april 2003 heeft de rechtbank op verzoek van eiseres bepaald dat de zaak versneld wordt behandeld.

Bij brief van 17 april 2003 heeft de rechtbank NERA aangemerkt als derde partij in deze procedure.

Bij brief van 15 mei 2003 heeft de derde partij een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 28 mei 2003 een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 5 juni 2003 het beroepschrift nader aangevuld.

De zaak is op 18 juni 2003 ter zitting behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. L.A.J. Spaans.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder.

De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Waszink en mr. P. Sippens Groenewegen.

Motivering

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren van eiseres tegen de afwijzing van haar WOB-verzoek ongegrond heeft verklaard, in rechte kan standhouden.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat nu verweerder, althans in primo, heeft geoordeeld dat de informatie openbaar moet worden gemaakt, de wijze waarop verweerder de informatie wil openbaren in strijd is met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de WOB. Kennisneming van het model ten kantore van verweerder is niet alleen geen reële optie maar verdraagt zich ook niet met het uitgangspunt dat informatieverstrekking moet geschieden conform de voorkeur van de aanvrager tenzij het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden van verweerder anders vereist. Van dit laatste is niet gebleken.

Subsidiair heeft eiseres bestreden dat vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de WOB in het geding zijn en dat sprake is van onevenredige benadeling van NERA als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB. Zo al van (enige) benadeling van NERA sprake zou zijn, staat dit niet in verhouding tot het zeer grote belang dat eiseres heeft bij openbaarmaking van de gevraagde informatie.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van het verzoek van eiseres berust op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de belangen van de derde partij NERA, het adviesbureau dat het BULRIC I-model in opdracht van verweerder heeft ontwikkeld, bij inwilliging van het WOB-verzoek onevenredig worden geschaad. Met de openbaarmaking van de gevraagde informatie, wordt niet alleen informatie gegeven over de werking van het model maar ook over de wijze waarop NERA modelleert c.q. over door NERA toegepaste bedrijfsvertrouwelijke methoden, technieken en vaardigheden. Het belang van NERA dient zwaarder te wegen dan het belang bij de openbaarmaking van de gevraagde informatie. Verweerder heeft zich ook contractueel jegens NERA verbonden om zich te onthouden van vermenigvuldiging van het model en het verstrekken daarvan aan derden. Het belang van eiseres kan in de onderhavige procedure geen rol spelen.

Uitsluitend gelet op het belang dat eiseres heeft bij de voorbereiding van besluiten die te zijner tijd op basis van het model worden genomen, heeft verweerder eiseres aangeboden kennis te nemen van het model op het kantoor van OPTA. Bij het verstrekken van de gevraagde informatie in digitale vorm zal onvermijdelijk ook andere digitale informatie, die vertrouwelijk hoort te blijven, bekend worden. Onder die omstandigheid verzet artikel 7 van de WOB zich er niet tegen dat verstrekking niet plaatsvindt in een vorm waardoor andere informatie -die vertrouwelijk hoort te blijven- eveneens aan de openbaarheid wordt prijsgegeven. Voor het aanleveren van gegevens tenslotte is het, aldus verweerder, niet noodzakelijk dat eiseres kennis draagt van respectievelijk beschikt over het model.

De derde partij NERA heeft het standpunt ingenomen dat in het model bedrijfsgevoelige gegevens van NERA zijn verwerkt. Hierbij gaat het om know-how en reken- en onderzoeksmethodieken die NERA voortdurend actualiseert. Deze gegevens heeft NERA vertrouwelijk aan verweerder verstrekt. Volgens vaste jurisprudentie behoeven dergelijke gegevens niet voor openbaarmaking in aanmerking te komen. Daarnaast bevat het BULRIC I-model tevens te beschermen fabricagegegevens. NERA heeft het BULRIC I-model zelf gefabriceerd. Hoe die fabricage in zijn werk is gegaan kan een gebruiker nagaan indien het model openbaar wordt gemaakt op de wijze waarop eiseres verlangt.

Openbaarmaking van het BULRIC I-model leidt tot onevenredige benadeling van NERA. NERA verkoopt haar (LRIC- en) BULRIC I-model aan diverse marktpartijen op basis van een licentie. Openbaarmaking betekent dat het BULRIC I-model voor een ieder beschikbaar komt. Dit leidt tot omzetverlies voor NERA en tot gedeeltelijke vernietiging van het intellectuele kapitaal van NERA.

Het op het BULRIC I-model rustende auteursrecht verzet zich tegen openbaarmaking. Alleen NERA als auteursrechthebbende heeft het recht om het model openbaar te maken. Openbaarmaking op grond van de WOB zou ertoe leiden dat het systeem van de Auteurswet wordt doorkruist.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WOB kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge het derde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de WOB verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge het tweede lid houdt het bestuursorgaan bij het kiezen tussen de vormen van informatie, genoemd in het eerste lid, rekening met de voorkeur van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in casu sprake is van een verzoek om informatie neergelegd in een document over een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 3 van de WOB. Conform het bepaalde in het derde lid van dit artikel dient het bestuursorgaan dit verzoek te beoordelen aan de hand van de artikelen 10 en 11 van de WOB. Uit de systematiek van de WOB volgt dat, indien het bestuursorgaan heeft besloten dat de gevraagde informatie kan worden verstrekt, vervolgens gekozen dient te worden tussen de vormen van informatieverstrekking als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de WOB waarbij het bestuursorgaan rekening dient te houden met de voorkeur van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden.

De rechtbank dient derhalve eerst te beoordelen of verweerder in het onderhavige geval op goede gronden het verstrekken van de gevraagde informatie heeft geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, onder c en artikel 10, tweede lid, onder g, van de WOB.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen dat het belang van het verstrekken van informatie op grond van de WOB niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van NERA of onevenredige bevoordeling van concurrenten van NERA. De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten of het BULRIC I-programma beschermenswaardige, vertrouwelijk aan verweerder meegedeelde bedrijfs- en fabricagegegevens van NERA bevat, NERA in het onderhavige geval aanspraak heeft op bescherming tegen inbreuken op haar auteursrecht op het BULRIC I-programma en tegen oneerlijke concurrentie. NERA is een internationaal georiënteerde onderneming die zich bezig houdt met de ontwikkeling van rekenmodellen. Dergelijke modellen worden aan partijen in de markt verkocht op basis van licenties. Openbaarmaking van het BULRIC I-model zou ertoe leiden dat eenieder vrijelijk over het model zou kunnen beschikken. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de afwijzing van het verzoek om openbaarmaking van eiseres op goede gronden heeft gehandhaafd.

De rechtbank overweegt vervolgens dat verweerder weliswaar het verzoek van eiseres om openbaarmaking van de electronische versie en de volledige papieren uitdraai van het rekenmodel met bijbehorende submodellen heeft afgewezen maar eiseres wel in de gelegenheid heeft gesteld om kennis te nemen van de werking van het rekenmodel op het kantoor van verweerder tijdens zogenaamde viewing sessions. Aangenomen moet worden dat hier sprake is geweest van openbaarmaking op grond van de WOB en niet op grond van het belang van eiseres uit hoofde van haar positie als belanghebbende bij de voorbereiding van (een) op haar betrekking hebbend(e) besluit(en), omdat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2002, JB 2003, 34, volgt dat er naast de WOB geen ruimte is voor gerichte openbaarmaking aan eiseres wegens haar specifieke belang.

Gezien de aard van de informatie waarvan in casu openbaarmaking is verzocht, overweegt de rechtbank dat verweerder door eiseres de mogelijkheid te bieden om het rekenmodel te testen op (een) stand-alone-computer(s), slechts in beperkte mate informatie over het model heeft verschaft terwijl verweerder de gevraagde verdergaande openbaarmaking in digitale vorm heeft geweigerd. Aangezien verweerder, zoals hiervoor is overwogen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot weigering van volledige openbaarmaking in digitale vorm zoals eiseres heeft verzocht, met het oog op het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van NERA, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank door op zijn kantoor aldus kennisneming van de inhoud toe te staan, niet in strijd met artikel 7 van de WOB gehandeld.

Gezien het vorenstaande is het beroep ongegrond. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, kan de rechtbank niet tot een ander oordeel brengen. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2003, in tegenwoordigheid van de griffier F.J.M. van den Berg.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: