Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9669

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2003
Datum publicatie
10-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/62345
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AM3199
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / verblijfsvergunning / grond voor verlening ontvallen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de grond voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zoals eiser die bezat tot 28 mei 2001, is komen te vervallen. Verweerder heeft hierbij terecht verwezen naar de uitspraak van de ABRS van 14 januari 2002 waarin is bepaald dat het beleid niet onredelijk is om ten aanzien van minderheidsgroepen te oordelen dat terugkeer naar dan wel verblijf in het relatief veilige deel van Somalië in verband met de algehele situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op het moment van verstrijken van de geldigheidsduur van eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de grond voor verlening is komen te vervallen, waarmee sprake is van een grond als bedoeld in artikel 32 Vw 2000, te weten de grond genoemd onder het eerste lid, aanhef en onder c, van dat artikel. Gezien het vorenstaand overwogene heeft verweerder terecht vastgesteld dat er grond is als vermeld in artikel 34 Vw 2000 tot afwijzing van de aangevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd na drie jaar rechtmatig verblijf. De rechtbank betrekt daarbij de vaststelling dat met de beslissing op bezwaar, waartegen geen rechtsmiddelen zijn ingediend, afwijzing van de asielaanvraag van eiser overigens in rechte is komen vast te staan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr.: AWB 02/62345 OVERIO

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M.C. Heijnneman, advocaat te Goes,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. drs. R.J.R. Hazen, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [...] 1967 en dat hij de Somalische nationaliteit bezit. Hij verblijft sedert 25 mei 1998 als vreemdeling in Nederland.

Op 28 mei 1998 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 5 januari 1999 heeft verweerder de aanvraag om een vergunning tot verblijf niet ingewilligd en de aanvraag om toelating als vluchteling evenmin ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Voorts heeft verweerder bij dat besluit aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend met ingang van 28 mei 1998, geldig tot 28 mei 1999. Op 5 januari 1999 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 april 1999 heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard.

De aan eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend is tweemaal verlengd - laatstelijk tot 28 mei 2001 - en ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omgezet naar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 23 april 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 Vw 2000. Verweerder heeft op 18 maart 2002 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 5 augustus 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

2. Bij schrijven van 13 augustus 2002 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 februari 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Saeed, tolk.

5. Bij uitspraak van 21 februari 2003 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat de verweerder binnen twee weken na verzending van de uitspraak het besluit doet toekomen waarbij aan eisers broer een verblijfsvergunning is verleend en deze voorziet van een reactie.

6. Bij schrijven van 17 maart 2003 heeft verweerder aan de uitspraak gevolg gegeven. Bij schrijven van 22 april 2003 heeft gemachtigde van eiser zijn reactie hierop gegeven.

Zowel verweerder als eiser hebben aangegeven dat een nadere zitting achterwege kan blijven.

7. De rechtbank sluit het onderzoek.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - voor zover van belang en samengevat - het navolgende aangevoerd. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte gebruik maakt van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, nu dit meer dan twee jaren oud is. Voorts is onduidelijk op grond van welke actuele informatie verweerder zich baseert ten aanzien van eisers terugkeer naar Somalië, waarbij verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd op welke wijze eiser documenten zou kunnen verkrijgen met betrekking tot een verblijfsalternatief in Somalië. Voorts heeft verweerder geen rekening gehouden met het verblijf van eisers minderjarige broer hier te lande. Verwijdering van eiser zal in strijd zijn met het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot beschernming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

In beroep is aangevoerd dat verweerder zich met betrekking tot de situatie in Somalë niet mag verlaten op informatie uit 2000 en 2001, terwijl de situatie in Somalië niet stabiel is. Voorts is eiser van mening dat verweerder niet voorbij kan gaan aan het gezinsverband tussen eiser en zijn minderjarige broer en eisers dreigende uitzetting.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in artikel 34 juncto artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000, de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 Vw 2000 afgewezen.

4. Ingevolge artikel 33, aanhef en onder a en b, Vw 2000 is onze Minister bevoegd: de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen; een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken.

Ingevolge artikel 34 Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien: de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser is afkomstig uit Somalië en behoort tot de bevolkingsgroep Reer Hamar. Reden waarom hij destijds een voorwaardelijke vergunning tot verblijf heeft verkregen omdat terugkeer naar Somalië in verband met de algehele situatie aldaar van bijzondere hardheid zou zijn.

Ten gevolge van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000 brengt verweerder per 3 april 2000 bepaalde categorieën asielzoekers uit Somalië, waaronder de Reer Hamar niet langer in aanmerking voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf.

Ten gevolge van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2001 continueert verweerder per 24 september 2001 zijn beleid.

Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat gezien het vorenstaande beleid grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel zoals eiser die in het bezit had laatstelijk tot 28 mei 2001, is komen te vervallen.

De grief van eiser dat de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van respectievelijk 16 februari 2000 en 12 juni 2001 niet meer actueel zijn en dat verweerder gelet daarop opnieuw een afweging had dienen te maken kan niet slagen. Immers, verweerder heeft geen concrete aanknopingspunten aangereikt gekregen zodat hij zich in redelijkheid op de juistheid of de volledigheid van de voornoemde ambtsberichten heeft mogen verlaten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 15 augustus, nr. 200204019/1. Van belang is voorts dat de Minister van Buitenlandse Zaken op 4 juli 2002 een ambtsbericht heeft uitgebracht over de periode van juni 2001 tot 4 juli 2002, met de nadruk op de situatie aan het eind van deze periode. In dit ambtsbericht wordt geconcludeerd dat de in Somaliland en Puntland aanwezige minderheidsgroepen niet worden vervolgd en in het algemeen hun veiligheid niet in gevaar is. Er is geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder zich op basis van deze informatie niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook thans geen categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van minderheden in Somalië is geïndiceerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat grond voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zoals eiser die bezat tot 28 mei 2001, is komen te vervallen. Verweerder heeft hierbij terecht verwezen naar de uitspraak van de ABRS van 14 januari 2002, JV 2002, 76, waarin is bepaald dat het beleid niet onredelijk is om ten aanzien van minderheidsgroepen te oordelen dat terugkeer naar dan wel verblijf in het relatief veilige deel van Somalië in verband met de algehele situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op het moment van verstrijken van de geldigheidsduur van eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, de grond voor verlening is komen te vervallen, waarmee sprake is van een grond als bedoeld in artikel 32 Vw 2000, te weten de grond genoemd onder het eerste lid, aanhef en onder c, van dat artikel.

Gezien het vorenstaand overwogene heeft verweerder terecht vastgesteld dat er grond is als vermeld in artikel 34 Vw 2000 tot afwijzing van de aangevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd na drie jaar rechtmatig verblijf. De rechtbank betrekt daarbij de vaststelling dat met de beslissing op bezwaar van 21 april 1999 afwijzing van de asielaanvraag van eiser van 28 mei 1998 overigens in rechte is komen vast te staan.

Met betrekking van hetgeen voorts door eiser is aangevoerd tegen de afwijzing van de aanvraag overweegt de rechtbank als volgt.

De grief van eiser dat verweerder in deze aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8 EVRM kan niet slagen. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat de Vw 2000 naast de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw 2000 geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van het in voornoemd artikel 8 EVRM genoemd 'family live'.

Evenmin kan eisers beroep op het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind slagen. Van belang daarbij is dat het bestreden besluit ziet op eiser en niet op zijn minderjarige broer. De positie van eiser wordt niet door het evenvermeld Verdrag gedekt.

Voorts beroep eiser zich op het gelijkheidsbeginsel, nu aan eisers broer wel een verblijfsvergunning is verstrekt, terwijl het asielrelaas van zijn broer afhankelijk van dat van eiser was.

De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens de toelichting die verweerder heeft verstrekt bij brief van 17 maart 2003 is inderdaad aan de broer van eiser bij besluit van 5 augustus 2002 verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd toegekend met ingang van 28 mei 2001. Verweerder heeft uiteengezet dat de vergunningverlening is geschied vanwege een ambtelijke misslag. Abusievelijk heeft verweerder de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in behandeling genomen als een aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en vervolgens deze aanvraag ten onrechte ingewilligd. Gelet op deze omissie heeft verweerder besloten dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet wordt ingetrokken en dat aan eisers broer op grond van artikel 34 Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt het gelijkheidsbeginsel verweerder er niet toe kan dwingen om een enkele fout bij verdere beschikkingen te continueren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Gebleken is daarmee dat anders dan eiser blijkens zijn grief veronderstelde bij de vergunningverlening aan zijn broer geen sprake is geweest van vergunningverlening op inhoudelijke gronden.

9. Het beroep is derhalve ongegrond.

10. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M. Dirks en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2003, in tegenwoordigheid van J.J. Kip, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

afschrift verzonden op: 13 juni 2003