Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9662

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
10-07-2003
Zaaknummer
AWB 01/44892
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / motivering.

Eiser heeft de Guinese nationaliteit en behoort tot de Peul bevolkingsgroep. Verweerder heeft in de bestreden beschikking in het kader van de geloofwaardigheid bij een aantal onderdelen van eisers relaas vraagtekens geplaatst. Daaruit heeft verweerder echter niet de conclusie getrokken dat om die reden het héle relaas ongeloofwaardig wordt geacht. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder kennelijk de overige feiten wel als vaststaand aanmerkt. In het verweerschrift concludeert verweerder wel dat eisers relaas primair ongeloofwaardig is. Naar het oordeel van de rechtbank hoort deze conclusie in de bestreden beschikking te worden getrokken, gelet op de verstrekkendheid ervan in samenhang met de processuele belangen van eiser en gelet op het belang van de bestreden beschikking voor het bepalen van de grondslag van het geding. Verweerder kan niet eerst in het verweerschrift die stelling innemen. Bovendien is het niet aan de rechtbank om een dergelijke conclusie alsnog in te lezen in de bestreden beschikking, aangezien het primaat voor vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van een asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten bij verweerder ligt. Nu verweerder voor het overige kennelijk van de geloofwaardigheid van het overige deel van het relaas uitgaat, overweegt de rechtbank ten aanzien van de zwaarwegendheid als volgt. Verweerder is in de bestreden beschikking ongemotiveerd voorbijgegaan aan de verklaring van eiser dat hij heeft te vrezen voor vervolging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag afgewezen moet worden wegens onvoldoende zwaarwegendheid van eisers asielrelaas. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom eiser geen beroep zou kunnen doen op artikel 3 EVRM. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 01/44892

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1984,

van Guinese nationaliteit,

IND dossiernummer 0010.19.2074,

gemachtigde: mr. W. Spijkstra, advocaat te Oosterwolde,

eiser;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. A. Mearadji, juridisch mederker te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 19 oktober 2000 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 13 augustus 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 7 september 2001 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is ter zitting van 18 februari 2003 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid, Vw 2000 wordt de aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het beroep toepassing geven aan artikel 83 Vw 2000 en rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikking zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiser komt op het volgende neer. Eiser behoort tot de Peul bevolkingsgroep in Guinee. Op een nacht in augustus 2000 kwamen er militairen naar eisers huis en arresteerden eisers vader. De volgende dag is eisers oom naar een commandant, een vriend van eisers vader, gegaan en heeft hem verteld wat er gebeurd was. De commandant stelde eisers oom gerust omdat hij dacht dat de problemen van eisers vader misschien niet ernstig waren. Een aantal dagen daarna, eiser was niet thuis, kwamen de militairen terug om eisers huis te doorzoeken en eisers oom te arresteren. De huishoudster kwam eiser vertellen wat er gebeurd was. Eiser is daarop met de huishoudster naar de commandant gegaan. De commandant heeft eiser ondergebracht in zijn woning in aanbouw. Vier dagen later kwam de commandant eiser vertellen dat het probleem ernstig was geworden en dat eiser ook gearresteerd zou worden zodat hij daar niet meer kon blijven. De commandant vertelde ook dat Susu-mensen eisers huis waren binnengedrongen en spullen hadden meegenomen. De mensen in de omgeving van eisers huis, voornamelijk Susu-mensen, hadden gezegd dat eisers vader met de rebellen werkte. De commandant heeft ervoor gezorgd dat eiser per schip naar Nederland kon reizen.

3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen enkel document heeft overgelegd ter staving van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas. Evenmin is eiser er in geslaagd concrete en verifieerbare verklaringen omtrent zijn reisroute en woonomgeving af te leggen, waardoor de oprechtheid van eisers asielrelaas op voorhand is aangetast en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van dit relaas. De door eiser aangevoerde vrees voor de in de zienswijze genoemde gewelddadigheden in Guinee kan niet worden gevolgd. Eiser is in het verleden nimmer blootgesteld aan dergelijke omstandigheden en heeft niet met in zijn persoon gelegen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij daar bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico zal lopen aan deze omstandigheden te worden blootgesteld, mede gelet op het feit dat eiser behoort tot de grootste bevolkingsgroep. Tevens wordt hiertoe overwogen dat uit het ambtsbericht van 24 augustus 2000 blijkt dat de UNHCR zich op het standpunt heeft gesteld dat iedere Guinese vluchteling die wil terugkeren naar eigen land dat in veiligheid en waardigheid kan doen, ongeacht het deel van het land waarheen hij wenst terug te keren. Over de in de zienswijze aangevoerde informatie van Amnesty International en de BBC wordt opgemerkt dat deze de algehele situatie in Guinee beschrijft en niet ziet op de persoonlijke situatie van eiser.

3.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in zijn land van herkomst gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag op grond van - de hem toegedichte - politieke overtuiging c.q. afkomst. Verder stelt eiser dat uit de Vw 2000 duidelijk blijkt dat het ontbreken van documenten niet de geloofwaardigheid aantast maar eiser een zwaardere bewijslast oplegt. Verweerder hanteert derhalve zowel in het voornemen als in de beschikking een verkeerde maatstaf waardoor de bestreden beschikking onzorgvuldig tot stand is gekomen. Voorts stelt eiser dat, omdat zijn vader gearresteerd werd op verdenking van samenwerking met de rebellen, hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel. Uit de brief van Amnesty International van 5 april 2001 en de nieuwsberichten van de BBC blijkt dat de situatie in Guinee erbarmelijk slecht is. Duidelijk blijkt dat de autoriteiten de vluchtelingen uit Sierra Leone, Liberia en Guinee zelf, geen bescherming kunnen bieden. Ook blijkt dat er geen vestigingsalternatief is. Gezien de verschrikkelijke dingen die in Guinee gebeuren is eiser van mening dat de situatie in Guinee onhoudbaar is. Eiser doet een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en stelt dat terugkeer naar zijn land van herkomst van bijzondere hardheid is in verband met de algehele situatie in Guinee.

4 Overwegingen

4.1 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Guinee zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000 dient te worden verleend. Eiser zal daarom aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

4.2 Op grond van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

4.3 De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft in de bestreden beschikking in het kader van de geloofwaardigheid bij een aantal onderdelen van eisers relaas vraagtekens geplaatst. Daaruit heeft verweerder echter niet de conclusie getrokken dat om die reden het héle relaas ongeloofwaardig wordt geacht. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verweerder kennelijk de overige feiten wel als vaststaand aanmerkt. In het verweerschrift concludeert verweerder wèl dat eisers relaas primair ongeloofwaardig is. Naar het oordeel van de rechtbank hoort deze conclusie in de bestreden beschikking te worden getrokken, gelet op de verstrekkendheid ervan in samenhang met de processuele belangen van eiser alsmede gelet op het belang van de bestreden beschikking voor het bepalen van de grondslag van het geding (artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Dit betekent dat verweerder niet eerst in het verweerschrift die stelling kan innemen. Bovendien is het gelet op het feit dat het primaat voor vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van een asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten bij verweerder ligt, niet aan de rechtbank om een dergelijke conclusie alsnog in te lezen in de bestreden beschikking.

Nu voor het overige de ongeloofwaardigheid niet is tegengeworpen en verweerder kennelijk van de geloofwaardigheid van het overige deel van het relaas uitgaat overweegt de rechtbank ten aanzien van de zwaarwegendheid als volgt. Eiser heeft tijdens het nader gehoor (blz. 8) verklaard dat de commandant hem vertelde dat het probleem ernstig was geworden en dat hij daar niet meer kon blijven. Ook heeft de commandant hem verteld dat de Susu-mensen ook eiser zouden arresteren. Nu verweerder in de bestreden beschikking ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de verklaring van eiser dat hij zelf te vrezen heeft voor vervolging gelet op hetgeen de commandant hem verteld heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag afgewezen moet worden wegens onvoldoende zwaarwegendheid van eisers asielrelaas.

4.4 Nu verweerder zich in redelijkheid niet ongemotiveerd op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers asielrelaas onvoldoende zwaarwegend is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eveneens onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom eiser geen beroep zou kunnen doen op artikel 3 EVRM.

4.5 Ten aanzien van eisers niet nader gemotiveerde beroep op de d-grond van artikel 31, tweede lid, is de rechtbank van oordeel dat dit beroep faalt, omdat verweerder ten tijde van de bestreden beschikking geen algemeen geldend categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Guinee voerde.

4.6 De rechtbank verbindt aan hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 de conclusie dat de bestreden beschikking is genomen in strijd met artikel 3:46 Awb dat een zorgvuldige voorbereiding vereist. De bestreden beschikking komt op die grond voor vernietiging in aanmerking.

4.7 Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, zal verweerder worden opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

4.8 Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-, als kosten van verleende rechtsbijstand.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 13 augustus 2001;

- draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H.F.J.M. Schröder in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2003

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 28 maart 2003