Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9650

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
10-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/15383
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / motivering.

In het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet waarom de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan twijfel onderhevig is. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het primaire standpunt dat in het bestreden besluit tot algehele ongeloofwaardigheid is geconcludeerd. Dit standpunt wordt ter zitting door verweerder herhaald. De rechtbank acht het standpunt dat twijfel bestaat aan de geloofwaardigheid van het relaas een redelijk standpunt. Voorts zal de rechtbank het besluit van verweerder, dat tot stand is gekomen na een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas op grond van artikel 29 Vw 2000, toetsen in het licht van het niet onredelijk bevonden standpunt van verweerder. Daarmee gaat de rechtbank voorbij aan het in het verweerschrift en ter zitting herhaalde standpunt dat verweerder primair concludeert tot algehele ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Redengevend daarvoor is dat het ingevolge artikel 8:1, eerste lid, Awb gelezen in samenhang met artikel 8:69 Awb de taak is van de rechtbank om het bestreden besluit en de motivering waarop dit berust op rechtmatigheid te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. Uit de redactie van het bestreden besluit valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat verweerder daarin primair heeft geconcludeerd tot algehele ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Een dergelijke aanscherping in het verweerschrift van verweerders conclusie over de geloofwaardigheid van het relaas getuigt van een andere weging van de door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden en die weging had een definitieve weerslag behoren te vinden in het bestreden besluit. Wegens strijd met de goede procesorde staat het verweerder niet vrij hangende beroep zijn motivering van het bestreden besluit op een essentieel onderdeel te wijzigen. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser geen vluchteling is. Eiser kan geen verblijfsvergunning ontlenen aan artikel 29, eerste lid, onder d, Vw 2000. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Leeuwarden

Vreemdelingenkamer

Regnr.: Awb 02/15383

uitspraak: 18 juni 2003

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1983,

van gestelde Sierra Leoonse nationaliteit,

IND dossiernummer: 0106.28.8009,

eiser,

gemachtigde: mr. H.J. Janse, advocaat te Groningen.

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. P. van den Berg, werkzaam bij de IND.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 28 juni 2001 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 30 januari 2002 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 20 februari 2002 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. Bij brief van 29 maart 2002 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.3 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 mei 2003. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. U.H. Hansma, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. MOTIVERING

Standpunten van partijen

2.1 Eiser stelt het volgende. Hij is geboren in B, Sierra Leone en bezit de nationaliteit van dat land. Op vijfjarige leeftijd is hij met zijn ouders naar Conakry in Guinee verhuisd. In 2001, na de dood van zijn vader, van Guinese nationaliteit, is eiser met zijn moeder, van Sierra Leoonse nationaliteit, bij zijn oom gaan wonen, eveneens in Conakry. Op een gegeven moment zijn militairen langsgekomen en hebben eisers oom doodgeschoten. Eiser is gearresteerd en gevangen gezet. Tijdens deze detentie is eiser mishandeld en er van beschuldigd een rebel en een handlanger van zijn oom te zijn. Eiser is gedwongen dit schriftelijk te verklaren. Op een gegeven moment heeft eiser, gebruik makend van de chaos na een handgemeen tussen bewakers en andere gedetineerden, kans gezien te ontsnappen en is hij teruggekeerd naar zijn moeder. Dezelfde dag heeft eiser met de hulp van zijn moeder en een voor eiser onbekende man zijn land per boot verlaten.

2.2 Verweerder trekt - op de voet van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 - de geloofwaardigheid en oprechtheid van eiseres asielrelaas in twijfel, omdat eiser verwijtbaar geen documenten, noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, heeft overgelegd. In eisers verklaringen ziet verweerder geen aanleiding het ontbreken van documenten niet toe te rekenen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers relaas heeft verweerder voorts betrokken dat eiser geen indicatief bewijs van zijn bootreis naar Nederland kan overleggen, noch in staat is hieromtrent gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen te geven, hetgeen verweerder niet aannemelijk acht. Verweerder acht evenmin aannemelijk dat eiser niet bekend is met het woord 'boot'. Hierbij neemt verweerder in aanmerking dat eiser vanaf zijn vijfde levensjaar in de Guinese havenstad Conakry heeft gewoond en lager onderwijs heeft genoten. Verweerder acht voorts niet geloofwaardig dat eisers moeder heeft kunnen regelen dat eiser op de dag van zijn ontsnapping met een boot het land kon verlaten. Evenmin is geloofwaardig dat eiser vanuit een zeehaven in één dag naar het aanmeldcentrum Zevenaar is gelopen. Verweerder heeft verder gewezen op eenvoudige wijze waarop eiser is ontsnapt uit gevangenschap.

Verweerder acht evenmin geloofwaardig dat eiser de Sierra Leoonse nationaliteit bezit. Blijkens artikel 2 en artikel 3 van de uit 1973 stammende nationaliteitswetgeving van Sierra Leone heeft degene die is geboren in Sierra Leone en die een Sierra Leoonse vader of grootvader heeft en die zelf van neger-Afrikaanse afstamming is, de Sierra Leoonse nationaliteit. Hieraan wordt door eiser niet voldaan, omdat zijn vader de Guinese nationaliteit bezit. Voorts wordt in artikel 30 van de nationaliteitswetgeving van Guinee bepaald dat een kind, waarvan de vader de Guinese nationaliteit bezit, eveneens de Guinese nationaliteit heeft. Op grond van het voorgaande neemt verweerder aan dat eiser de Guinese nationaliteit bezit. Verweerder volgt eiser niet dat nader onderzoek moet worden verricht naar de nationaliteit van eisers vader. Hierbij neemt verweerder in aanmerking dat eiser tijdens de gehoren geen enkele twijfel heeft doen ontstaan omtrent de nationaliteit van zijn vader. Verweerder acht eisers opmerkingen omtrent zijn grootvader niet relevant, nu niet duidelijk is in welk verband deze opmerkingen moeten worden gezien. Eiser heeft tijdens de gehoren nimmer over zijn grootvader gesproken. Overigens werpen de opmerkingen geen ander licht op de zaak, omdat eisers vader de Guinese nationaliteit bezat.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging door de Guinese autoriteiten, zodat geen aanleiding bestaat eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op de a-grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Verweerder is verder van mening dat evenmin rechtsgrond bestaat voor toelating van eiser op een van de overige, in artikel 29 Vw 2000, genoemde asielgerelateerde gronden.

2.3 Eiser stelt zich in de gronden van het beroep, waarin wordt verwezen naar de zienswijze, op het standpunt dat verweerder niet zonder nader onderzoek mag aannemen dat eiser de Guinese nationaliteit bezit. Eiser stelt dat voorstelbaar is dat hij de Sierra Leoonse nationaliteit. In dit verband wijst hij er op dat hij is geboren in Sierra Leone. Met betrekking tot verweerders verwijt dat geen documenten zijn overgelegd, merkt eiser op dat uit het ambtsbericht van 24 augustus 2000 niet blijkt op welke leeftijd en waar een Carte National d'Identité (CNI) kan worden aangevraagd. Eiser stelt te hebben vernomen dat een dergelijk document eerst vanaf het 18de levensjaar kan worden aangevraagd. Dit betekent volgens eiser dat hij niet hoeft te beschikken over een CNI. Overigens wijst eiser er op dat in Guinee niet iedereen zich houdt aan de verplichting te beschikken over een CNI. Bovendien wijst eiser op systematische corruptie bij checkpoints, hetgeen betekent dat het niet beschikken over een CNI kan worden 'afgekocht'. Bovendien, nu twijfel bestaat omtrent zijn nationaliteit is niet duidelijk of hij over een Guinese dan wel een Sierra Leoonse identiteitsdocument dient te beschikken. Eiser merkt verder op dat, zo hij al beschikte over documenten, hij geen tijd heeft gehad deze mee te nemen. Overigens ontgaat eiser de relevantie van verweerders overwegingen omtrent het ontbreken van documenten. Dit gegeven voegt niets toe aan hetgeen hem is overkomen in Guinee. Met betrekking tot verweerders overwegingen omtrent de reisroute persisteert eiser, met verwijzing naar hetgeen naar voren is gebracht in de zienswijze, bij zijn verklaringen.

Eiser stelt zich tenslotte op het standpunt dat verweerder in de bestreden beschikking niet inhoudelijk is ingegaan op hetgeen onder punt 4 van de zienswijze is aangegeven en slechts heeft volstaan met een standaardoverweging. Dit betekent dat de bestreden beschikking wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.4 Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Namens verweerder is in het verweerschrift verder aangegeven dat eiser niet langer wordt verweten dat hij niet beschikt over een identiteitskaart, afgegeven door de Guinese autoriteiten. Namens verweerder is in het verweerschrift voorts aangegeven dat het door eiser naar voren gebrachte relaas primair ongeloofwaardig is en subsidiair - zo dit standpunt de redelijkheidtoets niet kan doorstaan - geen rechtsgrond bestaat voor verlening van een asielvergunning. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde dit standpunt herhaald.

Beoordeling van het beroep

2.5 Onder meer gelet op het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode tot 22 juli 2002 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de (voormalige) Staatssecretaris van Justitie, wiens handelingen en besluiten, voor zover deze tot stand zijn gekomen voor 22 juli 2002, rechtens dienen te worden toegerekend aan voornoemde Minister.

2.6 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de weigering van verweerder eiser een asielgerelateerde verblijfsvergunning te verlenen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.7 In de bestreden beschikking, waarin is verwezen naar het voornemen, heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet waarom eiser de Guinese nationaliteit bezit. De rechtbank kan zich vinden in deze motivering en neemt deze over. Eisers stelling dat hij vanwege de omstandigheid dat zijn grootvader in Sierra Leone is geboren wellicht (tevens) de nationaliteit van dit land bezit, faalt, nu eiser tijdens de gehoren nimmer heeft verklaard dat zijn grootvader is geboren in Sierra Leone. Ter zitting is dit door eisers gemachtigde desgevraagd bevestigd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank bij de in rechtsoverweging 2.6 omschreven toetsing zal uitgaan van de Guinese nationaliteit van eiser.

2.8 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.9 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.10 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Guinee zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een verblijfsvergunning op die grond moet worden verleend.

2.11 Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in de bestreden beschikking niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geloofwaardigheid van eisers verklaringen aan ernstige twijfel onderhevig is. De rechtbank kan zich vinden in de door verweerder gebezigde motivering zoals weergegeven onder 2.2 van deze uitspraak, met uitzondering van de conclusie die verweerder verbindt aan de ontsnapping van eiser uit zijn gevangschap en de eenvoud daarvan. Ook in Nederland komen eenvoudige ontsnappingen voor, terwijl daarbij toch niet kan worden volgehouden dat voortzetting van het verblijf van betrokkenen in de gevangenis niet langer op prijs wordt gesteld door de autoriteiten alhier. Reeds hierom voert verweerders conclusie op dit punt te ver. Dit doet echter niet af aan verweerders standpunt over de geloofwaardigheid, aangezien de daarvoor gebezigde motivering overigens voldoende draagkrachtig is.

2.12 De rechtbank zal verweerders besluit, dat tot stand is gekomen na een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas op de gronden van artikel 29 Vw 2000, toetsen in het licht van voornoemd, niet onredelijk bevonden standpunt van verweerder. Daarmee gaat de rechtbank voorbij aan het in het verweerschrift en ter zitting herhaalde standpunt dat verweerder - primair - concludeert tot algehele ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Redengevend daarvoor is dat het ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de taak is van de rechtbank om, behalve wat zij ambtshalve heeft te onderzoeken, het bestreden besluit, de motivering waarop dit berust daaronder begrepen, op rechtmatigheid te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. Uit de redactie van het bestreden besluit valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat verweerder daarin primair heeft geconcludeerd tot algehele ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Een dergelijke aanscherping in het verweerschrift van verweerders conclusie over de geloofwaardigheid van eisers relaas getuigt van een andere weging van de door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, welke weging haar definitieve weerslag had behoren te vinden in het bestreden besluit. Wegens strijd met de goede procesorde staat het verweerder niet vrij hangende beroep zijn motivering van het bestreden besluit op een essentieel onderdeel te wijzigen.

2.13 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht en op juiste gronden geconcludeerd dat eiser geen vluchteling is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser nimmer lid is geweest van of actief is geweest voor een politieke of enig andere partij of beweging in zijn land. Evenmin heeft hij tegen de autoriteiten gerichte activiteiten verricht. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de politieke activiteiten van zijn oom, waardoor eiser - naar hij stelt - door de autoriteiten een bepaalde verboden politieke overtuiging wordt toegedicht, in de bijzondere belangstelling staat van de autoriteiten. Eiser heeft weliswaar aangegeven dat de autoriteiten hem een rebel hebben genoemd, maar nu eiser hiervan eerst in de zienswijze - in aanvulling op het nader gehoor - melding heeft gemaakt, heeft verweerder deze stelling niet hoeven te betrekken in zijn oordeelsvorming.

Eiser kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.14 Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiser aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

2.15 Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.16 Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.7 omtrent eisers nationaliteit kan hij evenmin aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.17 Het beroep is derhalve ongegrond.

2.18 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2003 in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 18 juni 2003