Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AH9197

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
04-07-2003
Zaaknummer
KG 03/633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

rb 's-Gravenhage: ... De gemeente vordert, gedaagden te veroordelen tot ontruiming, voorts tot het gehengen en gedogen van onderzoek naar de aanwezigheid van asbest en het doen van bomenonderzoek op verbeurte van een dwangsom, en tenslotte tot het overleggen van een geactualiseerde ledenlijst van de Vereniging.....Veroordeelt gedaagden het pand 'de Blauwe Aanslag' te ontruimen ... en dit leeg ter beschikking van de gemeente te stellen per 1 oktober 2003 en machtigt de gemeente de ontruiming zonodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.....

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 3 juli 2003,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 03/633 van:

de gemeente ‘s-Gravenhage,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiseres,

procureur mr. W. Taekema,

advocaat mr. D.H. de Witte te Amsterdam,

tegen:

a. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

“Vereniging De Blauwe Aanslag”,

b. de stichting ”Stichting Mobile Arts & Media”,

c. de stichting “Stichting Drukkerij en Uitgeverij Adelante”

d. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

“Vereniging Boekkafe De Roode Hond”,

e. [gedaagde],

f. [gedaagde] “Buro Litzouw”,

g. [gedaagde] “Loonbedrijf A.T.”,

h. de stichting “Stichting WWW (Wonen, Werken, Waldeck Pyrmontkade)”

i. de stichting “Stichting Woods Electronic Jive”,

j. de stichting “Stichting Brood en Spelen”,

k. de stichting “Stichting T.K.B.D.A.C. (Stichting Turkse Koerdische Bibliotheek, Documentatie en Archief Centrum)”,

l. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid

“Vereniging Vrienden en Vriendinnen van de Blauwe Aanslag”,

m. de vereniging “Een Breder Buitenom”,

[overige gedaagden]

al de hierboven genoemde rechtspersonen, bedrijven en natuurlijke personen zetelend, resp. gevestigd, resp. zaakdoende, resp. wonende te ’s-Gravenhage,

cc. de niet bij name bekende personen, die zich, hetzij als gebruikers in de onroerende zaak ['de Blauwe Aanslag] te ’s-Gravenhage, hetzij als exploitant/eigenaar van aldaar gedreven bedrijven bevinden,

gedaagden,

van wie zich voor gedaagden genoemd sub

b, d, e als bedrijf, j, l, p, u, w, x, y, z, en aa

mr. M. Schucking Kool procureur heeft gesteld,

en van wie voor gedaagden, genoemd sub a, c, e als persoon, f, h, o, r en bb:

mr. E.Th. Hummels te Zeist als advocaat optreedt, wiens procureur is mr. J. Groen.

De gedaagden, genoemd sub g, i, k, m, n, q, t, v, en cc zijn goed opgeroepen doch niet verschenen.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 27 juni 2003 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1 Eiseres, hierna: “de gemeente”, is sedert 1984 eigenares van het pand, staande en gelegen aan ['de Blauwe Aanslag'] te ’s-Gravenhage en kadastraal bekend als gemeente ’s-Gravenhage, sectie K, nr. 2915, groot 28a en 45ca en als gemeente ’s-Gravenhage, sectie K, nr. 2916, groot 19a en 55ca. Het pand is bekend onder de naam “de Blauwe Aanslag”.

1.2 Ten tijde van de eigendomsoverdracht aan de gemeente bevonden zich in het pand personen en/of bedrijven die daar zonder recht of titel verbleven.

1.3 Gedaagde sub 1, hierna “de Vereniging”, bestaat blijkens de inhoud van haar notariële akte van 23 april 1985 sedert 1980 en heeft ten doel het beheren van het complex de Blauwe Aanslag. Lid van de Vereniging kunnen blijkens het bepaalde in de akte slechts zijn de gebruikers van het pand.

1.4 De gemeente en de Vereniging hebben op of omstreeks 4 april 1986 een intentieverklaring getekend. Ingevolge artikel 1 van deze intentieverklaring draagt de Vereniging met goedkeuring van de directeur van de gemeentelijke dienst voor de volkshuisvesting zorg voor de ingebruikgeving van woon- en/of werkruimten in het voornoemde perceel.

1.5 Op 12 januari 1995 heeft de Gemeenteraad in het kader van een stadsvernieuwingsplan besloten tot sloop van, onder meer, alle bebouwing aan het korte Buitenom, inclusief de Blauwe Aanslag. De sloopvergunning is afgegeven.

1.6 In het kader van de uitvoering van dit besluit heeft de gemeente de intentieverklaring opgezegd tegen 1 augustus 1996 en in een bodemprocedure tegen de Vereniging en de personen en bedrijven die in de Blauwe Aanslag verblijven een ontruimingstitel gevraagd. Bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 4 maart 1998 is (in conventie) voor recht verklaard dat de Vereniging c.s. vanaf 1 augustus 1996 zonder recht of titel in het perceel verblijven en is de Vereniging c.s. veroordeeld het perceel met het hare en de haren te ontruimen, zulks onder (opschortende) voorwaarde van het onherroepelijk worden van het stadsvernieuwingsplan.

Dit stadsvernieuwingsplan is bij besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State d.d. 22 april 1999 althans d.d. 14 januari 2000, onherroepelijk geworden.

1.7 Bij Koninklijk Besluit van 27 maart 1998 heeft de Kroon het besluit van de gemeente tot onteigening van het perceel goedgekeurd, waarna de onteigening bij vonnis van 12 juli 2000 is uitgesproken, welk vonnis is ingeschreven.

1.8 Op 27 juni 2000 hebben de gemeente en de Vereniging de overeenkomst “Waldeck Pyrmontkade 115/116” ondertekend, onder meer inhoudende dat aan de reguliere bewoners van de Blauwe Aanslag vervangende woonruimte wordt aangeboden en door deze aanvaard in de vorm van de eeuwigdurende erfpacht van het pand gelegen aan de Waldeck Pyrmontkade 115-116/Elandstraat 200 te Den Haag. De Vereniging zal een herontwikkelingsplan maken voor verantwoord hergebruik en dit ter toetsing aan de gemeente voorleggen.

In deze overeenkomst is het navolgende, voorzover hier van belang, bepaald:

“9.1.a. Vanaf de datum van ondertekening van onderhavige overeenkomst tot aan de oplevering aan de gemeente op maandag 4 februari 2002 is de Vereniging verantwoordelijk voor het interimbeheer van de Blauwe Aanslag, waarbij ten aanzien van het beheer zij gemeld dat het de Vereniging niet is toegestaan ruimtes krachtens huur in gebruik te geven. Uitgangspunt is dat de geplande datum voor de start van de sloop van de Blauwe Aanslag 04 februari 2002 is. Indien bedoelde sloopdatum door onvoorziene omstandigheden dient te worden uitgesteld, dan blijft de Vereniging verantwoordelijk voor het interimbeheer tot aan datum start sloop. (…)

9.1.b Onder onvoorziene omstandigheden wordt mede begrepen een buiten toedoen van Partijen ontstane vertraging in de verbouwing van de Waldeck Pyrmontkade 115/116/Elandstraat 200, die tot gevolg heeft dat ingebruikname van de Waldeck Pyrmontkade 115/116/Elandstraat 200 per de geplande sloopdatum redelijkerwijs niet van de Vereniging kan worden verlangd.

9.2. De Vereniging verbindt zich door ondertekening van deze overeenkomst tot het nagenoeg leeg en ontruimd aan de gemeente leveren van de Blauwe Aanslag op maandag 04 februari 2002, danwel de in lid 1 bedoelde nieuwe sloopdatum. (…) Teneinde de gemeente in staat te stellen de verplichtingen van de Vereniging te kunnen verifiëren, zal de Vereniging direct voorafgaand aan de ontruiming een geactualiseerde ledenlijst aan de gemeente ter hand stellen.

(…)

9.5. Indien de Vereniging heeft voldaan aan het bepaalde in lid 2 van dit artikel ontvangt zij van de gemeente een bedrag van (…) € 113.445,-- (…) als finale tegemoetkoming in de totale verhuiskosten.(…)”

1.9 Bij brief van 29 oktober 2002 van het college van B & W van Den Haag heeft de gemeente aan de Vereniging laten weten dat de planning van de herontwikkeling een vertraging van 14 maanden heeft opgelopen, dat zij bereid is rekening te houden met deze vertraging en de uiterlijke dag van ontruiming tot 4 april 2003 uitstelt, doch dat met verder uitstel niet wordt ingestemd. Voorts heeft zij in deze brief aangekondigd dat de door haar geplande onderzoeken uiterlijk 1 december 2002 van start dienen te gaan.

De Vereniging heeft geweigerd de onderzoeken te doen plaatsvinden.

1.10 De gemeente heeft gedaagden bij inleidende dagvaarding van 24 januari 2003 in rechte betrokken teneinde onder meer een ontruimingstitel te verkrijgen per 4 april 2003 alsmede toegang tot het pand in verband met de uitvoering van de door haar noodzakelijk geachte onderzoeken. In deze (bodem)procedure is op 25 juni 2003 de conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie ingediend.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

De gemeente vordert, na vermindering van eis ter zitting, - kort weergegeven - gedaagden te veroordelen tot ontruiming, voorts tot het gehengen en gedogen van onderzoek naar de aanwezigheid van asbest en het doen van bomenonderzoek op verbeurte van een dwangsom, en tenslotte tot het overleggen van een geactualiseerde ledenlijst van de Vereniging.

Daartoe voert de gemeente het volgende aan.

De Vereniging kan sedert 4 april 2003 geen gebruiksrecht meer ontlenen op grond van de overeenkomst Waldeck Pyrmontkade 115/116. De overige gedaagden kunnen vanaf 4 april 2003 geen gebruiksrecht meer ontlenen aan de ingebruikgeving door de Vereniging. Alle gedaagden zijn op basis van het vonnis van de rechtbank van 4 maart 1998 gehouden het perceel te ontruimen.

De weigering van gedaagden mee te werken aan het gevraagde onderzoek in het perceel is een toerekenbare tekortkoming, althans onrechtmatig jegens de gemeente.

De gemeente heeft een spoedeisend belang aangezien zij op zo kort mogelijke termijn haar plannen tot stadsvernieuwing wil uitvoeren.

De verschenen gedaagden voeren onder meer tot verweer aan dat de gemeente geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zij stellen dat het belang van de gemeente bij onmiddellijke ontruiming van het perceel niet opweegt tegen het belang van de bewoners om tot hun nieuwe onderkomen gereed is in het perceel te blijven wonen, te meer nu de bodemprocedure bijna is afgerond en gedaagden hun verweer tegen de door de gemeente geplande onderzoeken hebben ingetrokken.

Daarbij komt dat de gemeente onzorgvuldig jegens hen handelt omdat zij de ontruimingsdatum van 4 april 2003 heeft vastgesteld op een tijdstip waarop bekend was dat de verbouwing op dat tijdstip nog niet gereed kon zijn.

De gemeente behoort zorgvuldig om te gaan met de vertragingen bij de verbouw aan de Waldeck Pyrmontkade. Er is sprake van onvoorziene omstandigheden, die aanleiding geven om in gezamenlijk overleg een nieuwe verhuisdatum vast te stellen.

Op grond van de redelijkheid en de toezegging van de gemeente hebben de bewoners van de Blauwe Aanslag recht op vervangende huisvesting en een verhuiskostenvergoeding.

De gedaagden, genoemd sub b, p, u, z en aa, voeren daarnaast nog aan dat zij niet verplicht zijn tot ontruiming aangezien zij huurbescherming genieten en de noodzaak van de verbreding van de weg en daarmee de sloop van het pand niet aanwezig is.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Tegen de niet verschenen gedaagden zal verstek worden verleend nu aan de vereisten in art. 139 Rv. is voldaan.

3.2 Eiseres grondt de spoedeisendheid van haar vordering op de verkeerssituatie rondom de Blauwe Aanslag, in het bijzonder (verdere) realisering van de CentrumRing, waarvoor ontruiming en sloop van de Blauwe Aanslag nodig is. Dit wordt door (verscheidene) gedaagden betwist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de gemeente voldoende aangetoond spoedeisend belang te hebben om te komen tot realisering van de CentrumRing. Zoals ook blijkt uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van deze rechtbank d.d. 4 juni 2003 is genoegzaam gebleken – en feit van algemene bekendheid – dat in de binnenstad van Den Haag sprake is van aanzienlijke verkeersproblematiek. Deze problematiek kan verminderd worden door een goed functionerende CentrumRing. Tot aanleg van die CentrumRing is al in 1995 besloten en de planologische grondslag, het Stadsvernieuwingsplan Vaillantplein/Buitenom, is tot in hoogste instantie getoetst. Het is begrijpelijk en aanvaardbaar dat de gemeente na veel vertraging tot (verdere) uitvoering wil overgaan. In het kader van dit kort geding kan en behoeft de discussie over nut en noodzaak van de CentrumRing niet opnieuw te worden gevoerd.

De stelling van (sommige) gedaagden dat de uitspraak in de bodemprocedure (zie onder 1.10) afgewacht kan en dient te worden, verwerpt de voorzieningenrechter. In de bedoelde bodemprocedure zal eerst nog een conclusie van dupliek in reconventie genomen worden, waarna de zaak naar de rol verwezen zal worden voor vonnis. Ambtshalve is bekend dat het nadien nog gemiddeld 18 weken duurt voordat er een vonnis gewezen wordt, waarbij op voorhand ook niet zeker is of er dan een eindvonnis wordt gewezen. Anders gezegd: in casu wachten op een (eind)vonnis in de bodemprocedure kan niet van de gemeente verlangd worden en ook daarom heeft zij (spoedeisend) belang bij een voorlopige voorziening.

Het feit dat (sommige) gedaagden alsnog bereid zijn om hun medewerking te verlenen aan de door de gemeente gewenste asbest- en bomenonderzoeken, maakt het voorgaande niet anders.

3.3 De weren die door (sommige) gedaagden gevoerd worden die zien op de (on)wenselijkheid van de gemeentelijke plannen (zoals de sloopvergunning, bouw- en onttrekkingvergunning) en de schorsende werking van de provinciale monumentenaanvraag, passeert de voorzieningenrechter. Immers, nagenoeg al deze weren zijn wel in één of andere vorm uitvoerig in eerdere procedures aan de orde gekomen en hetgeen hieromtrent nu is aangevoerd werpt geen ander licht op de huidige situatie. Feit is dat alle noodzakelijke bestuursrechtelijke procedures zijn doorlopen voor het verkrijgen van een sloop- en bouwvergunning c.a. en dat het stadsvernieuwingsplan onherroepelijk vaststaat (zie onder 1.6 slot). Zeer recent (op 4 juni 2003) is door de voorzieningenrechter bij de sector bestuursrecht goed gemotiveerd en positief beslist op een verzoek van de gemeente om opheffing van de opschortende werking ex art. 16 Monumentenwet. Door gedaagden is onvoldoende gesteld én onderbouwd dat er thans sprake is van dusdanige ándere omstandigheden die nopen tot een voorlopige voorziening waardoor de gemeente niet over kan en mag gaan tot (voorbereiding van de) sloop van de Blauwe Aanslag.

3.4 Ook aan de stelling dat sommige gedaagden huurbescherming zouden genieten gaat de voorzieningenrechter voorbij. Zélfs indien juist zou zijn dat deze gedaagden op enigerlei wijze een recht op huurbescherming hebben verworven jegens de Vereniging, kan dit rechtens niet aan de gemeente worden tegengeworpen nu zij buiten deze rechtsverhouding staat en deze pretense (onder)huurders geen recht of titel tot bewoning hebben jegens de gemeente als eigenares (pretense hoofdverhuurder).

Het verweer van sommige gedaagden dat de gemeente niet over mag gaan tot ontruiming zonder te zorgen voor vervangende (woon)ruimte en een verhuiskostenvergoeding, wordt verworpen. Immers, in art. 9.5 van de overeenkomst van 27 juni 2000 is een finale regeling getroffen terzake totale verhuiskosten. Het pand aan de Waldeck Pyrmontkade kan dienen als vervangende (woon)ruimte. Niet valt in te zien waarom sommige gedaagden menen rechtens aanspraak te kunnen maken op een individuele regeling.

3.5 Als (materiële) grondslag voor de gevorderde ontruiming neemt de gemeente de overeenkomst van 27 juni 2000 tussen de gemeente en de Vereniging (zie onder 1.8), het vonnis van deze rechtbank van 4 maart 1998 (zie onder 1.6) en de brief van 29 oktober 2002 (zie onder 1.9) waarbij ontruiming is aangezegd tegen 4 april 2003. Voorshands staat genoegzaam vast dat de gebruikers van het pand allen leden zijn van die Vereniging (zie onder 1.3). Voorzover er gebruikers zijn die géén lid zijn van de Vereniging, hetgeen niet gesteld of gebleken is, dan geldt rechtens dat in ieder geval deze gebruikers zonder recht of titel jegens de gemeente in het pand verblijven en uit dien hoofde ontruimd kunnen worden. Op grond van art. 9.1.a en art. 9.2 van de genoemde overeenkomst dient de Vereniging, met de haren, de Blauwe Aanslag te ontruimen als de geplande datum voor de start van de sloop aan haar (tijdig) bekend is gemaakt. Deze datum heeft de gemeente na overleg met de Vereniging vastgesteld op 4 april 2003, waarmee zij tevens rekening heeft gehouden met "onvoorziene omstandigheden" (zo blijkt uit haar brief van 29 oktober 2002).

3.6 Partijen verschillen met elkaar van mening of er sprake is van de in art. 9.1.b genoemde onvoorziene omstandigheden (zie onder 1.8), waardoor de ontruiming per de geplande sloopdatum redelijkerwijs niet van de Vereniging kan worden gevergd. De gemeente stelt zich op het standpunt dat de vertraging een gevolg is van een gebrek aan voortvarendheid van de Vereniging. De Vereniging stelt, ter zitting mondeling toegelicht door de architect, daartegenover dat het uit te voeren ontwerp veel ingrijpender is dan aanvankelijk werd aangenomen en dat de gemeente bij de bepaling van de termijnen in het contract geen rekening heeft gehouden met het feit dat veel werk om financiële redenen door de bewoners zelf wordt uitgevoerd, hetgeen vertragend werkt. De zelfwerkzaamheden strekken zich uit van het aanvragen van bouwvergunningen en het zoeken van en onderhandelen met een aannemer tot het bouwproces zelf. Zij verwijzen daarbij naar tal van vergelijkbare projecten, met de uitvoering waarvan veel meer tijd zou zijn gemoeid. Daarenboven wist de gemeente in oktober 2002 al dat de datum 4 april 2003 niet haalbaar zou zijn. De vroegst mogelijke datum van oplevering van het nieuw te betrekken pand aan de Waldeck Pyrmontkade zal ergens in het najaar van 2003 liggen.

3.7 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat genoegzaam vast dat beide partijen zich (hebben) in(ge)spannen om de verbouwingswerkzaamheden aan de Waldeck Pyrmontkade zo spoedig mogelijk af te (laten) ronden. Beide partijen hebben daar ook – een eigen – belang bij. Door (onvoorziene) omstandigheden is de ontruimings- en sloopdatum tot tweemaal toe niet gehaald (die van 4 februari 2002 en die van 4 april 2003). Dát gedaagden op enig moment de Blauwe Aanslag dienen te ontruimen staat voorshands wel vast, gelet op (art. 9 van) de overeenkomst van 27 juni 2000 tussen de gemeente en de Vereniging (zie onder 1.8) en het vonnis van deze rechtbank van 4 maart 1998 (zie onder 1.6) – en gezien hetgeen overwogen is in rechtsoverweging 3.5. In zoverre kan de (ontruimings)vordering van de gemeente worden toegewezen.

De vraag die vervolgens nog beantwoord moet worden is welke ontruimingstermijn in dit geval aan de belangen van beide partijen het meest recht doet. Enerzijds wil de gemeente zo snel mogelijk een aanvang nemen met (de voorbereiding van) de sloop, anderzijds wensen (verscheidene) gedaagden wel (en pas) te verhuizen naar de Waldeck Pyrmontkade indien dit pand voor bewoning en werk enigszins geschikt is gemaakt. De door de gemeente gewenste ontruimingstermijn van 5 dagen doet aan de belangen van gedaagden te kort; de door gedaagden gewenste ontruimingstermijn per 1 december 2003 levert een te lange vertragingstermijn voor de gemeente op. Nu gedaagden ter zitting hebben aangegeven dat in het najaar van 2003 de verbouwing zo ver gevorderd kan zijn dat zij zouden kunnen verhuizen en de gemeente gevraagd heeft om een ontruimingstijdstip – en een executoriale titel – zal de ontruimingsdatum naar redelijkheid worden vastgesteld op 1 oktober 2003. De samenhangende nevenvorderingen van de gemeente die zien op de ontruiming zullen worden toegewezen als nagemeld.

3.8 De vordering tot het gehengen en gedogen van de onderzoeken, met dwangsom, zal eveneens worden toegewezen nu slechts een deel van de gedaagden hun verweer hiertegen heeft prijsgegeven en er nog een (anonieme) groep resteert die deze toezegging niet heeft gedaan.

Er zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zulks mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

De vordering tot het overleggen van een geactualiseerde ledenlijst zal eveneens worden toegewezen doch niet veel eerder dan door partijen in art. 9.2 (slot) van de overeenkomst van 27 juni 2000 is overeengekomen: "direct voorafgaand aan de ontruiming". Naar redelijkheid wordt deze termijn vastgesteld op uiterlijk 3 dagen vóór de ontruimingsdatum.

3.9 Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Veroordeelt gedaagden het pand aan ['de Blauwe Aanslag'] te ’s-Gravenhage te ontruimen met het hunne en de hunnen (daaronder begrepen zij die zich in plaats van gedaagden daarin zullen bevinden) en dit leeg ter beschikking van de gemeente te stellen per 1 oktober 2003 en machtigt de gemeente de ontruiming zonodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

Verbiedt gedaagden de onroerende zaak aan ['de Blauwe Aanslag'] te ’s-Gravenhage na ontruiming wederom in bezit te nemen en machtigt de gemeente om bij overtreding van dit verbod door gedaagden zonodig zelf (opnieuw) de ontruiming te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

Bepaalt dat de ontruiming tot een jaar na de dag, waartegen de ontruiming is bevolen door de gemeente, zonodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in het pand aan ['de Blauwe Aanslag'] te ’s-Gravenhage bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet.

Veroordeelt gedaagden binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te gehengen en gedogen dat in en/of nabij het pand aan ['de Blauwe Aanslag'] te

’s-Gravenhage onderzoek wordt verricht naar de aanwezigheid van asbest en naar bomen, waarvoor een kapvergunning noodzakelijk is, alvorens de boom kan worden gekapt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag dat gedaagden daarmee in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,--.

Bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.8 is vermeld.

Veroordeelt de Vereniging 3 dagen vóór de ontruiming een geactualiseerde lijst van haar leden aan de gemeente ter beschikking te stellen.

Veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de gemeente begroot op € 976,20, waarvan € 205,-- aan griffierecht en € 68,20 aan dagvaardingskosten.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dozy en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

md