Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AH8610

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
KG 03/655
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

rb 's-Gravenhage:.... Eisers vorderen –zakelijk weergegeven– gedaagde te bevelen –op straffe van een dwangsom– middels een brief aan de gemeenten en schoolbesturen, zijn advies zoals vervat in de brief van 28 mei 2003 te herzien, en in deze brief:

- de betrokken gemeenten en schoolbesturen uitdrukkelijk te adviseren zich te onthouden van de voorbereiding van ontslagen van onderwijs in levende talen (OALT) leraren wegens de voorgenomen beëindiging van de bekostiging van het OALT onderwijs, c.q. niet over te gaan tot RDDF plaatsingen (artikel I-P76 lid 2 onder b, Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel) van deze leerkrachten, totdat de Minister hen in kennis stelt van een akkoord met de centrales over de gevolgen van de beëindiging van het OALT-onderwijs,

- de betrokken gemeenten en schoolbesturen te garanderen dat de OALT bekostiging blijft gewaarborgd voor de duur van de RDDF plaatsingen en zo nodig ook na 1 augustus 2004 zal voortduren....

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2003, 166

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 16 juni 2003,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 03/655 van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Algemene Centrale van Overheidspersoneel,

gevestigd te Zoetermeer,

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel,

gevestigd te 's-Gravenhage,

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Ambtenarencentrum,

gevestigd te 's-Gravenhage,

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Centrale van Middelbaar en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs,

gevestigd te Leidschendam-Voorburg,

eisers,

procureur mr. M.F. Baltussen,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. E.J. Daalder.

1. Verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagde gedagvaard tegen de zitting van 12 juni 2003. De procureurs van partijen hebben de zaak bepleit aan de hand van pleitnotities en producties. Het vonnis is bepaald op 16 juni 2003. Aan partijen is op 16 juni 2003 een uittreksel uit het audiëntieblad van die datum afgegeven relaterend de uitspraak in deze zaak. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 juni 2003 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eisers zijn centrales als bedoeld in artikel 105 lid 2 ARAR. In die hoedanigheid nemen zij deel aan het georganiseerd overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel van instellingen voor onderwijs en onderzoek. Dit georganiseerde overleg vindt plaats in de Sectorcommissie Onderwijspersoneel.

2.2. Het georganiseerde overleg is nader geregeld in het Overlegbesluit onderwijspersoneel (Besluit van 4 februari 1994, laatstelijk gewijzigd Stb 2001, 523) (hierna: het besluit). Dit besluit bepaalt in artikel 2 lid 3: “Met de Sectorcommissie wordt door of namens Onze Minister met betrekking tot het personeel van instellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, onder 1 en 4, indien op die instellingen het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel van toepassing is, overleg gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.” Voorts bepaalt artikel 11 lid 1 van dit besluit: “Voorstellen in aangelegenheden waarover ingevolge artikel 2 overleg moet worden gepleegd en waaromtrent in het overleg geen overeenstemming is bereikt met de meerderheid van de centrales, worden niet ten uitvoer gelegd, voor zover het betreft: a. (…); b. voorstellen strekkende tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele leden van het onderwijspersoneel.”

2.3. De artikelen 171-176 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 272-277 van de Wet op het voortgezet onderwijs en de artikelen 157-162 van de Wet op de expertisecentra voorzien in de mogelijkheid dat gemeenten en schoolbesturen bekostiging ontvangen voor onderwijs in allochtone levende talen (OALT).

2.4. Gedaagde is voornemens de bekostiging van het OALT-onderwijs bij wet in formele zin met ingang van 1 augustus 2004 te beëindigen.

2.5. Voordat tot beëindiging van een betrekking van een leraar kan worden overgegaan, dient deze eerst gedurende één (school)jaar geplaatst te worden in het risicodragend deel van de formatie als bedoeld in artikel I-P76 lid 2 onder b Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RPBO) (hierna: de RDDF-plaatsing). De aanzegging dat een leraar in het RDDF geplaatst wordt dient vóór de zomervakantie plaats te vinden.

2.6. In verband met de voorgenomen beëindiging van het OALT-onderwijs zijn een aantal gemeenten en schoolbesturen er toe overgegaan leraren mededeling te doen dat zij met ingang van 1 augustus 2003 zullen worden geplaatst in het RDDF.

2.7. Op 7 mei 2003 hebben eisers de beëindiging van het OALT-onderwijs bij gedaagde aan de orde gesteld. Gedaagde heeft – omdat het kabinet destijds demissionair was – eisers voorgesteld om informeel overleg te plegen over een sociaal plan respectievelijk flankerend beleid. Dit voorstel is door eisers van de hand gewezen.

2.8. Bij brief van 28 mei 2003 heeft de Minister aan de gemeenten en schoolbesturen onder meer het volgende medegedeeld: “Zoals u weet is destijds in het Strategisch Akkoord het voornemen opgenomen om met ingang van 1 augustus 2004 te stoppen met de bekostiging van OALT vanuit de rijksoverheid. (…) gegeven het voornemen uit het Strategisch Akkoord van het vorige kabinet, mijn verantwoordelijkheid heb genomen om de voorgenomen beëindiging van de bekostiging ook per 1 augustus 2004 te realiseren. (…) Gegeven de bovenstaande situatie adviseer ik u tijdig die maatregelen te treffen die horen bij een voorgenomen beëindiging van de bekostiging van OALT met ingang van het schooljaar 2004-2005. Wat betreft de schoolbesturen verwijs ik naar de bepalingen in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, i.c. de artikelen I-P76 en I-P84 t/m I-P86.”

2.9. Deze brief is onderwerp geweest van overleg tussen eisers en gedaagde op 4 juni 2003. In dat overleg heeft gedaagde een procedurevoorstel met betrekking tot de regeling van de rechtspositionele gevolgen uitgereikt, voorzien van een tijdpad waarin werd gestreefd naar afronding van het overleg voor 1 augustus 2003. Eisers hebben gedaagde in dit overleg gevraagd afstand te nemen van de in zijn brief van 28 mei 2003 geadviseerde RDDF-plaatsingen en een nieuwe brief te doen uitgaan met het advies af te zien van de voorbereiding van RDDF-plaatsingen.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eisers vorderen –zakelijk weergegeven– gedaagde te bevelen –op straffe van een dwangsom– middels een brief aan de gemeenten en schoolbesturen, zijn advies zoals vervat in de brief van 28 mei 2003 te herzien, en in deze brief:

- de betrokken gemeenten en schoolbesturen uitdrukkelijk te adviseren zich te onthouden van de voorbereiding van ontslagen van OALT leraren wegens de voorgenomen beëindiging van de bekostiging van het OALT onderwijs, c.q. niet over te gaan tot RDDF plaatsingen van deze leerkrachten, totdat de Minister hen in kennis stelt van een akkoord met de centrales over de gevolgen van de beëindiging van het OALT-onderwijs,

- de betrokken gemeenten en schoolbesturen te garanderen dat de OALT bekostiging blijft gewaarborgd voor de duur van de RDDF plaatsingen en zo nodig ook na 1 augustus 2004 zal voortduren.

Daartoe voeren eisers het volgende aan.

De Minister handelt onrechtmatig door vooruitlopend op de wetswijziging het OALT-onderwijs per 1 augustus 2004 af te schaffen en de gemeenten en schoolbesturen bij brief van 28 mei 2003 het advies te geven de nodige maatregelen daartoe te nemen, terwijl er geen overleg, als bedoeld in de artikelen 2 en 11 van het besluit, is gevoerd met eisers over de rechtspositionele maatregelen voor OALT-leraren. Thans is de tijd te kort om het overleg af te ronden. Om een akkoord te bereiken zou het overleg op 17 juni 2003 moeten zijn afgerond, daar bij een deel van de instellingen de vakantie al op 27 juni 2003 aanvangt en voor deze vakantie reeds aangezegd moet worden dat een leraar per 1 augustus 2003 in het RDDF geplaatst wordt. Het is niet reëel te streven naar een beëindiging van de bekostiging van de OALT per 1 augustus 2004, daar eerst sprake kan zijn van een voorbereiding van rechtspositionele maatregelen, nadat het overleg met de centrales over de rechtspositionele gevolgen is afgerond en terzake overeenstemming is bereikt. Het overleg als voorgeschreven in artikel 2 van het besluit dient een open en reëel overleg te zijn, waarvan de uitkomst niet bij voorbaat mag vaststaan omdat de besluitvorming al is afgerond. Bovendien dienen op grond van artikel 11 van het besluit uitvoeringsmaatregelen achterwege te blijven zolang het overleg niet is afgerond. Vanwege artikel 11 van het besluit is ook de vaststelling van het tijdstip van de beëindiging van de bekostiging niet mogelijk voordat het overleg is afgerond. Gedaagde mag dan ook niet bevorderen dat het ontslag van OALT-leraren door middel van RDDF-plaatsingen wordt voorbereid.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Voorop staat dat het voornemen tot beëindiging van de bekostiging voor OALT-leraren in een wet in formele zin zal worden geconcretiseerd, voor zover de Staten-Generaal daarmee zal instemmen. De beëindiging van de bekostiging als zodanig kan dan ook in dit geschil niet aan de orde worden gesteld. Dit brengt mee dat het verzenden van de brief van 28 mei 2003 aan gemeenten en schoolbesturen die uitvoering geven aan de wet OALT, voor zover gedaagde daarin heeft aangekondigd dat de bekostiging voor OALT zal worden beëindigd, niet onrechtmatig is. De in artikel 11 van het besluit neergelegde onmogelijkheid een voornemen tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele leden van het onderwijspersoneel ten uitvoer te leggen voordat overeenstemming is bereikt met eisers, kan als lagere regeling niet in de weg staan aan het uitvoeren van wetgeving in formele zin.

4.2. Door in de brief van 28 mei 2003 te adviseren tijdig die maatregelen te treffen die horen bij een voorgenomen beëindiging van de bekostiging van OALT met ingang van het schooljaar 2004-2005 en te verwijzen naar de bepalingen in het RPBO, waaronder artikel I-P76, handelt gedaagde ook niet onrechtmatig. De artikelen 2 en 11 van het besluit hebben slechts betrekking op het overleg omtrent het flankerend beleid in verband met de beëindiging van de OALT-bekostiging. Het bevoegde gezag van scholen neemt een beslissing over het plaatsen van OALT-leraren in het RDDF en niet gedaagde. Het staat het bevoegde gezag van scholen derhalve vrij het advies van gedaagde de OALT-leraren in het RDDF te plaatsen al dan niet op te volgen. Daaraan staat artikel 11 van het besluit niet in de weg. Voordat tot plaatsing in het RDDF kan worden overgegaan behoeft derhalve geen overeenstemming over het flankerende beleid te zijn bereikt. Op grond van artikel 11 van het besluit kan gedaagde slechts de flankerende maatregelen niet ten uitvoer leggen indien geen overeenstemming is bereikt. Nu het flankerende beleid ziet op de beëindiging van de OALT-bekostiging en derhalve niet op de RDDF-plaatsingen op zich, behoefde gedaagde zich niet te onthouden van zijn advies over de RDDF-plaatsingen zolang nog geen overeenstemming was bereikt. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van eisers, voor zover deze inhoudt dat gedaagde aan het bevoegde gezag van de scholen en gemeenten dient te adviseren dat OALT-leraren niet in het RDDF moeten worden geplaatst, niet kan worden toegewezen.

4.3. Overigens zou gedaagde wanneer hij in de huidige omstandigheden aan het bevoegde gezag van de scholen en de gemeenten zou adviseren niet over te gaan tot plaatsing van de OALT-leraren in het RDDF totdat overeenstemming is bereikt met eisers, gemeenten of het bevoegde gezag van de scholen in de positie brengen dat – wanneer zij dit advies zouden opvolgen en de OALT-bekostiging inderdaad per 1 augustus 2004 wordt beëindigd – zij de bekostiging van de OALT-leraren die op dat moment niet kunnen worden ontslagen zelf dienen te financieren met alle gevolgen van dien. Het ligt uit een oogpunt van behoorlijk bestuur dan ook op de weg van gedaagde de gemeenten en de schoolbesturen in dat verband tijdig te wijzen op hun verantwoordelijkheden.

4.4. Voorts is niet aannemelijk geworden dat gedaagde omtrent de flankerende maatregelen niet bereid zou zijn tot een eerlijk en open overleg. Het is wenselijk dat over het flankerende beleid voor beide partijen – bij voorkeur voor 1 augustus 2003 – duidelijkheid komt. Niet aannemelijk is echter geworden dat daarover niet voor 1 augustus 2003 overeenstemming zou kunnen worden bereikt. Daarvoor is van belang dat gedaagde een tijdpad voor het bereiken van overeenstemming heeft overgelegd dat niet reeds op voorhand onhaalbaar is. Het enkele feit dat over het bereiken van overeenstemming thans geen duidelijkheid bestaat, brengt niet mee dat gedaagde onrechtmatig handelt.

4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst het gevorderde af.

Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van gedaagde begroot op € 908,--, waarvan € 205,-- aan griffierecht.

Verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juni 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

esk