Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AH8572

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 03/12275
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opvang / amv.

Vaststaat dat de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, terwijl verzoeker opvang in een OC werd verleend. Verweerder heeft vervolgens ambtshalve geweigerd verzoeker in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als amv. De beslissing op bezwaar tegen deze weigering mag verzoeker in Nederland afwachten. Uit het vorenstaande volgt dat verzoeker aan dit bezwaar ingevolge TBV 2002/59 recht op opvang ontleent. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ontvankelijk en komt voor toewijzing in aanmerking. Verzoeker moet opvang worden verleend totdat op het bezwaar is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr.: AWB 03/12275 VRWET

Inzake: A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. B. Magnin, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoeker stelt te zijn geboren op [...] 1982 en burger van de Democratische Republiek Congo te zijn. Hij verblijft naar zijn zeggen sinds 6 augustus 1999 in Nederland.

Bij besluit van 6 februari 2003 heeft verweerder geweigerd verzoeker in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker". Namens verzoeker is tegen dit besluit op 19 februari 2003 bezwaar gemaakt. Bij fax van 24 februari 2003 is de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) meedeelt dat verzoekers recht op opvang voortduurt.

2. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 27 februari 2003. Verzoeker werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In het besluit van 6 februari 2003, waarbij is geweigerd verzoeker een vergunning tot verblijf regulier te verlenen, heeft verweerder erop gewezen dat het indienen van bezwaar tegen dit besluit op grond van artikel 73, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000, tot gevolg heeft dat verzoeker de behandeling van dat bezwaar in Nederland mag afwachten.

3. Verzoekers gemachtigde heeft zich ter onderbouwing van zijn standpunt, dat verzoeker gedurende deze periode recht heeft op opvang, beroepen op de tekst van het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/59 (Staatscourant 17 december 2002, nr. 243, pagina 8). Voorts is aangevoerd, dat verzoeker op 28 februari 2003 het Opvangcentrum (OC) dient te verlaten.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt, dat het verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk is, omdat niet verweerder maar het bestuur van het COA bevoegd is om over de voortduring van de opvang te beslissen.

Verweerder heeft er verder op gewezen dat verzoekers beroep tegen het besluit van 4 december 2001 tot afwijzing van zijn aanvraag om asiel op 9 oktober 2002 is beëindigd door een uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep ongegrond werd verklaard. Het recht op opvang is geregeld in de Regeling verstrekkingen asielzoekers (RVA). De paragraaf betreffende het recht op opvang uit TBV 2002/59, waarnaar verzoekers gemachtigde verwijst, is daarvan een uitwerking. De RVA regelt het recht op opvang gedurende de asielprocedure. Een reguliere procedure, zoals de onderhavige, geeft geen recht op opvang. De TBV beoogt slechts het recht op opvang voor minderjarigen te garanderen, wanneer er nog een reguliere procedure loopt. Verzoeker is echter niet minderjarig.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde er nog op gewezen, dat er voor verzoeker geen uitzetting dreigt, aangezien hij, zoals reeds vermeld, de beslissing op zijn bezwaar in Nederland mag afwachten. De beschikking van 4 december 2001 in de asielprocedure, waarvan het rechtsgevolg is dat verzoeker na afloop van zijn vertrektermijn geen aanspraak meer kan maken op opvang, is in rechte onaantastbaar geworden. Zij vermag dan ook niet in te zien welk spoedeisend belang verzoeker heeft bij het onderhavige verzoek, nu een reguliere procedure geen recht op opvang geeft.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1. Allereerst is het wel degelijk verweerder en niet het bestuur van het COA, die over voortzetting van de opvang na afloop van de vertrektermijn heeft te beslissen. Het bestuur is blijkens de toepasselijke regelgeving slechts belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers en is, hoge uitzonderingen daargelaten, niet bevoegd te beslissen wie zij tot de opvang toelaat en wie niet.

5.2. TBV 2002/59, getiteld "Ambtshalve toets in asielzaken" betreft de situatie dat na afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ambtshalve door verweerder moet worden bezien of een verblijfsvergunning regulier dient te worden verleend of geweigerd. De passage die partijen verdeeld houdt, luidt als volgt.

Recht op opvang

Indien de asielaanvraag in het AC wordt afgewezen en tevens de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling niet ambtshalve wordt verleend, ontstaat geen recht op voorzieningen, ook al is tegen de afwijzing van de asielaanvraag beroep ingesteld bij de rechter en of tegen de niet verlening van de reguliere vergunning bezwaar aangetekend bij de IND.

Op deze hoofdregel geldt een uitzondering in twee gevallen: wel opvang wordt verleend indien:

a. door de rechter een voorlopige voorziening in de asielprocedure wordt toegekend, óf:

b. betrokken vreemdeling alleenstaand en minderjarig is.

De indiening van een bezwaar in een reguliere procedure geeft, indien niet sprake is van minderjarigheid, geen recht op opvang, ook al mag het bezwaar in Nederland worden afgewacht.

Indien de asielaanvraag na plaatsing in een COA- dan wel Nidosvoorziening (dus ten tijde van het verblijf in de opvang) wordt afgewezen en eveneens niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning wordt verleend, behoudt betrokken vreemdeling recht op opvang indien en voor zover de vervolgprocedure asiel of regulier (bezwaar of beroep) in Nederland mag worden afgewacht.

5.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat genoemde tekst hoofdstuk 4 van de TBV moet zijn, aangezien daarna hoofdstuk 5 begint en de paragraaf daarvoor nummer 3.1.2 heeft. De voorzieningenrechter concludeert verder, dat het hoofdstuk is verdeeld in twee alinea's, waarvan de eerste de situatie betreft dat de asielaanvraag is afgewezen met toepassing van de aanmeldcentrumprocedure (AC) en de tweede ziet op gevallen, waarin de aanvraag is afgedaan nadat de vreemdeling opvang is geboden (OC). De voorzieningenrechter leidt dit, behalve uit het feit dat er sprake is van twee alinea's, af uit het feit dat de tweede alinea de situatie bespreekt dat de asielaanvraag "na plaatsing in een COA- dan wel Nidosvoorziening" wordt afgewezen. Dat kan zich niet voordoen, wanneer de AC-procedure is gevolgd. In die situatie is de aanvraag immers in het AC al afgewezen. Daarnaast suggereert de vermelding van zowel COA- als Nidosvoorziening dat deze alinea ook over volwassenen gaat. Bepalend voor de toepasselijkheid van de eerste of de tweede alinea is dus de vraag of de asielaanvraag in een AC is afgedaan of niet.

5.4. Wanneer de aanvraag AC is afgedaan en niet ambtshalve een vergunning tot verblijf regulier is verleend, komt de vreemdeling dus slechts in aanmerking voor opvang, wanneer een verzoek om voorlopige voorziening in de asielprocedure is toegewezen dan wel wanneer hij onbetwist alleenstaand en minderjarig is. Wanneer echter al opvang is verleend en de aanvraag om asiel wordt dan afgewezen terwijl er geen ambtshalve vergunning tot verblijf regulier wordt verleend, speelt (verweerders standpunt over) de leeftijd van de vreemdeling blijkens de tekst van de tweede alinea geen rol.

Met deze regeling is verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

5.5. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de voorzieningenrechter staat vast, dat verzoekers aanvraag om asiel is afgewezen terwijl hem opvang in een OC werd verleend. Verweerder heeft vervolgens ambtshalve geweigerd verzoeker in aanmerking te brengen voor een vergunning tot verblijf regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling". De beslissing op zijn bezwaar tegen deze weigering mag verzoeker in Nederland afwachten.

Uit het vorenstaande volgt, dat verzoeker aan dit bezwaar ingevolge de TBV 2002/59 recht op opvang ontleent. Zijn verzoek is dan ook niet alleen ontvankelijk, maar komt tevens voor toewijzing in aanmerking.

6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de ten behoeve van verzoeker gemaakte proceskosten. Deze zijn op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644. Hierbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen van gemachtigde ter zitting met een waarde per punt van € 322. Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, dient dit bedrag te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in dier voege, dat hij verweerder opdraagt het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers opdracht te geven verzoeker opvang te verlenen totdat op zijn bezwaar is beslist;

draagt verweerder op de ten behoeve van verzoeker gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 te vergoeden, onder aanwijzing van het Ministerie van Justitie als de rechtspersoon die dit bedrag aan de griffier van de rechtbank moet betalen;

draagt voornoemde rechtspersoon op verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 116 te vergoeden.

4. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.C.J. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2003 in tegenwoordigheid van R.A.A. Strietman als griffier.

Verzonden op: 12 maart 2003