Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AG0188

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2003
Datum publicatie
01-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/3758
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nova.

Eiser heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend en heeft daarbij een krant overgelegd, waarin een aan eiseres gewijd artikel staat gepubliceerd. Verder heeft eiseres foto’s van de begrafenis van haar moeder overgelegd. Verweerder stelt dat de nieuwe gegevens geen aanleiding vormen anders te beslissen dan op de eerste aanvraag is gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, Awb. Het krantenartikel en het overlijden van de moeder zijn nieuwe omstandigheden, nu ze zijn opgekomen na de eerdere afwijzende beschikking en de heroverweging daarvan. Verweerder is gehouden de betekenis daarvan te onderzoeken en bij niet-inwilliging van de aanvraag te motiveren waarom de aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. De door verweerder gegeven motivering ten aanzien van het krantenartikel kan het besluit niet dragen. In casu is sprake van strijd met artikel 3:46 Awb. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 3758 BEPTDN H

inzake: A, geboren op [...] 1976, van Zairese (Congolese) nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duisterhof, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 4 januari 2002 is de aanvraag van eiseres van 7 september 2000 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 7 januari 2002 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 10 januari 2003. Daarbij hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 117, eerste lid, onder c, Vw 2000 wordt een op het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000 in behandeling zijnde aanvraag tot toelating als vluchteling aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van deze wet. Uit artikel 118 Vw 2000 in samenhang met artikel 80 Vw 2000 vloeit voort dat tegen een besluit op een dergelijke aanvraag genomen na inwerkingtreding van de Vw 2000 geen bezwaarschrift kan worden ingediend.

2.2 Eiseres heeft eerder, op 25 februari 1998, een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 28 september 1998 afgewezen. Het door eiseres tegen deze beslissing ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats Zwolle van 15 maart 2000, kenmerk AWB 99/9530, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat, daargelaten de aannemelijkheid van het asielrelaas van eiseres, hetgeen eiseres heeft verklaard onvoldoende zwaarwegend is om tot het oordeel te leiden dat eiseres in haar land van herkomst persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres bij gedwongen verwijdering naar de Democratische Republiek Congo (DRC) een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM.

2.3 Eiseres heeft in verband met haar herhaalde asielaanvraag van 7 september 2000 een krant uit de DRC, Le Messager, van 10 april 2000 overgelegd, waarin een aan haar gewijd artikel is opgenomen. Voorts heeft eiseres foto's overgelegd van de begrafenis van haar moeder die op 16 mei 2000 zou zijn overleden.

2.4 Op 15 maart 2001 heeft verweerder de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht een onderzoek naar het krantenartikel op te starten. De resultaten zijn aan eiseres bekend gemaakt. Op 8 juni 2001 heeft de gemachtigde van eiseres op de uitkomsten van het zogenoemde individuele ambtsbericht gereageerd. De gemachtigde van eiseres is van mening dat het onderzoek in het land van herkomst op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft vervolgens in het voornemen tot afwijzing van de aanvraag van 7 november 2001 medegedeeld dat naar aanleiding van de reactie van de gemachtigde van eiseres van 8 juni 2001 de resultaten zoals vermeld in het individuele ambtsbericht niet in de besluitvorming zijn betrokken.

2.5 De gemachtigde van eiseres heeft uiteengezet dat in het betreffende artikel eiseres als voorbeeld is genoemd van de groep mensen die zich ten tijde van Mobutu op de buik sloegen en zich onsterfelijk waanden op deze aarde. Blijkens dit artikel wordt deze groep mensen beschouwd als houders van het leven van anderen en konden zij er over beschikken zoals hen goed dunkte. Vervolgens noemt het artikel de redenen waarom de MPR van het politieke landschap moet verdwijnen. Het is naar de mening van de gemachtigde van eiseres een artikel dat de goedkeuring van het huidige regime kan dragen. Aan het verschijnen van het artikel, ook na twee jaar, is dan ook niets onbegrijpelijks te duiden, aldus de gemachtigde. Daarbij dient volgens de gemachtigde te worden betrokken dat de krant tweewekelijkse verschijnt, althans dat dat was beoogd, maar door omstandigheden niet met die frequentie kon verschijnen. Voorts wordt in het artikel vermeld dat eiseres één van de vrouwen is geweest van generaal Zing Zong, hetgeen volgens het artikel betekent dat zij in goede doen was, ten koste van de bevolking. Nu eiseres de dochter is van een (gewezen) parlementariër voor de MPR en wordt aangemerkt als een vrouw van een generaal onder Mobutu, wordt zij in Congo beschouwd als behorende tot een groep mensen die zich ten tijde van Mobutu hebben verrijkt ten koste van de bevolking. Ten gevolge van dit artikel is eiseres een bekende persoonlijkheid geworden. Onder deze omstandigheden loopt eiseres het risico van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

2.6 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiseres aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden geen aanleiding geven om anders te beslissen dan op de eerste aanvraag om toelating is gedaan. Verweerder vindt het onbegrijpelijk dat twee jaar na het vertrek van eiseres uit de DRC aan haar een artikel is gewijd. Voorts overweegt verweerder dat het onbekend is in hoeverre dit artikel is gepubliceerd door een onafhankelijke bron. Verweerder heeft in het verweerschrift verduidelijkt dat daarmee niet gedoeld wordt op de bron van de schrijver van het artikel, maar de periodiek waarin het artikel is verschenen. Het in het krantenartikel gepubliceerde verhaal is reeds tijdens de eerdere procedure getoetst. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op basis hiervan aan het door eiseres overgelegde krantenartikel niet de door haar gewenste waarde kan worden toegekend. De omstandigheid dat de moeder van eiseres is overleden leidt niet tot een ander oordeel, nu niet is gebleken van een relatie tussen de dood van de moeder en de door eiseres ondervonden problemen. Naar de mening van verweerder komt eiseres niet in aanmerking voor verlening van een asielvergunning op één van de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, Awb. Het krantenartikel van 10 april 2000 en het overlijden van de moeder op 16 mei 2000 zijn nieuwe, want na de eerdere afwijzende beschikking -ook na heroverweging daarvan- opgekomen, omstandigheden. Derhalve is verweerder gehouden de betekenis daarvan te onderzoeken en, zo hij de aanvraag niet inwilligt, te motiveren waarom de aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.

2.8 Ten aanzien van de omstandigheid dat de moeder van eiseres is overleden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor verlening van een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw, nu niet is gebleken van een relatie tussen de dood van de moeder en de door eiseres ondervonden problemen. Op basis van dit nieuwe feit is verweerder derhalve niet gehouden een ander besluit te nemen.

2.9 Het overgelegde krantenartikel leidt volgens verweerder evenmin tot een ander besluit omdat verweerder het onbegrijpelijk acht dat twee jaar na het vertrek van eiseres uit Congo aan haar een artikel is gewijd en dat het onbekend is in hoeverre dit artikel is gepubliceerd door een onafhankelijke bron. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet zonder meer op de in de bestreden beschikking aangegeven gronden heeft mogen concluderen dat het krantenbericht geen aanleiding geeft terug te komen op de eerder genomen beslissing.

Het enkele tijdsverloop en de onduidelijkheid omtrent de bron doen immers geen afbreuk aan het feit dat eiseres met het ter zitting en met het al eerder ten overstaan van verweerder overleggen van de originele editie van Le Messager van 10 april 2000, met daarin het aan haar gewijde artikel, heeft aangetoond dat deze krant met daarin het bewuste artikel daadwerkelijk bestaat. Niet kan worden uitgesloten dat de bewuste krant daadwerkelijk is verspreid en bekend geworden zou kunnen zijn bij de huidige autoriteiten. Evenmin kan worden uitgesloten dat eiseres vervolgens door die autoriteiten als een persoon zal worden gezien die zowel politiek als economisch een belangrijke positie innam tijdens het Mobutu regime. Personen die zowel politiek als economisch een belangrijke positie innamen tijdens het Mobutu regime lopen bij terugkeer naar de DRC risico gearresteerd te worden en ondervraagd over eventuele onrechtmatige verrijking, aldus de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van zowel 3 oktober 2000 als 20 juni 2002. Dat vele leidinggevenden uit het Mobutu regime inmiddels naar de DRC zijn teruggekeerd en gewone aanhangers van Mobutu geen speciaal risico lopen, doet hieraan niet af.

2.10 Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder in de bestreden beschikking gegeven motivering ten aanzien van het krantenartikel, het besluit niet kan dragen. Het besluit is dan ook genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb en komt deswege voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is mitsdien gegrond. Verweerder zal worden opgedragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing te nemen op de asielaanvraag van 7 september 2000.

2.11 In dit geval is er aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- ( 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 4 januari 2002;

3.2 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 7 september 2000, met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2003, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Meesters als griffier.

Afschrift verzonden op: 22 april 2003

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.