Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AG0184

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2003
Datum publicatie
10-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/18186
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bosnië-Herzegovina / moslim.

Eisers zijn moslims afkomstig uit Bosnië-Herzegovina. Eisers stellen in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Eisers stellen onder meer dat sprake is geweest van een op de persoon gerichte gewelddadige actie en hebben artikelen van Amnesty International overgelegd. De rechtbank overweegt dat verweerder miskent dat eisers met het overleggen van de artikelen hebben beoogd aan te tonen dat hetgeen hun persoonlijk is overkomen, past in de op dat moment bestaande algemene situatie in de republiek Srpska met betrekking tot de bejegening van moslims. Uit de artikelen van Amnesty International blijkt dat de politie in de meeste gevallen van gewelddadigheden tegen moslims verzuimt de zaak onmiddellijk en uitvoerig te onderzoeken.

Eiser stelt dat hij de opdracht kreeg militaire en civiele communicatie van de Serviërs af te luisteren. De opdracht is niet gegeven door een opperofficier, maar dat leidt niet tot de conclusie dat niet aannemelijk is dat de (hoogste) legerleiding instemde met de opdracht en bedreiging. De verklaringen van eiser dat hij na het weigeren van de opdracht onder druk is gezet en dat het afluisteren van gesprekken van groot strategisch belang was, geeft aanleiding te veronderstellen dat de opdracht en de bedreiging met instemming van de legerleiding werd gegeven. Verweerder heeft niet kunnen onderbouwen dat eiser aan de druk van zijn superieuren kon ontkomen door schriftelijk ontslag in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat onder de geschetste omstandigheden niet in redelijkheid van eiser kon worden verwacht dat hij een schriftelijke ontslagprocedure zou starten; hij zou zich hiermee immers blootstellen aan de niet ondenkbeeldige kans dat het jegens hem geuite dreigement ten uitvoer zou worden gelegd. Het standpunt van verweerder dat eiser de bescherming had kunnen inroepen van internationale organisaties of andere overheidsinstellingen, mist feitelijke onderbouwing. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr: AWB 02 /18186 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1972, en B, geboren op [...] 1973, beiden van Bosnische nationaliteit, wonende te C, eisers,

gemachtigde: mr. L. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Procesverloop

1. Op 9 juni 2001 hebben eisers aanvragen ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Bij beschikkingen van 14 juni 2001 heeft verweerder de aanvragen in de zogenoemde AC-procedure afgewezen. Bij uitspraken van 28 juni 2001, respectievelijk met registratienummer AWB 01/25269 en AWB 01/25270, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, respectievelijk de president van de rechtbank, het tegen de beschikkingen ingestelde beroep van eisers ongegrond verklaard en het door hen ingediende verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 16 augustus 2001, nummer 200103328/1, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het door eisers ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2001 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de besluiten van verweerder van 14 juni 2001 vernietigd.

2. Op 8 november 2001 heeft verweerder aan eisers schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen af te wijzen. Bij brief van 29 november 2001 hebben eisers hun zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Op 7 januari 2002 heeft verweerder aan eisers een aanvullend voornemen tot afwijzing van de aanvragen uitgebracht. Bij brief van 21 januari 2002 hebben eisers hun zienswijze op dit aanvullend voornemen gegeven. Bij besluiten van 12 februari 2002 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.

3. Bij beroepschrift van 26 februari 2002, aangevuld bij brief van 16 april 2002, hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 26 maart 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Bij brief van 19 mei 2003 heeft verweerder een schriftelijke reactie op het beroep gegeven.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2003. Eisers zijn in persoon verschenen en werden bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig mw. I. Jurida, tolk in de Servo-Kroatische taal.

II. Asielrelaas

1. Eisers zijn afkomstig uit het dorp D in Bosnië-Herzegovina en zij behoren tot de Moslim bevolkingsgroep. Eiseres is in 1992, tijdens de oorlog, in een ziekenhuis waar zij een medische behandeling had ondergaan, verkracht door drie Servische paramilitairen. In 1994 zijn eisers door Serviërs uit hun woning in D verdreven. Zij zijn naar de stad Gorazde gegaan. In februari 2001 zijn eisers teruggekeerd naar hun woning in het dorp D, dat inmiddels tot de Servische Republiek Srpska behoorde. Eisers werden in het dorp wel eens mondeling lastiggevallen door Serviërs die in de voormalige huizen van Moslims waren gaan wonen. Eiser werkte sinds 1998 als beroepsmilitair bij het leger van de Moslim-Kroatische Federatie. Hij was adjudant bij de elektronische verbindingstroepen in Gorazde en hield zich bezig met het opsporen, beluisteren, afluisteren en verstoren van de geluidsfrequenties van, onder andere, de Serviërs. Nadat eiser was teruggkeerd naar zijn woning in D, werd hij door zijn superieur, onderluitenant E, gevraagd om zijn werkzaamheden voortaan te gaan verrichten in D dat inmiddels op het grondgebied van de Republiek Srpska lag. Voorgesteld werd om een antenne te plaatsen op de woning van eiser waarmee hij de civiele en militaire communicatie van de Republiek Srpska zou kunnen afluisteren. De woning lag namelijk op een lijn tussen een zend- en een ontvangstation voor hoogfrequente radiostraling. Eiser wees het voorstel af omdat hij geen moeilijkheden wilde. De inwoners van D wisten niet dat hij voor het Moslimleger werkte en hij vond het spioneren vanuit zijn woning op het grondgebied van de Republiek Srpska te riskant voor eiseres en hemzelf. Op 24 februari 2001 werd ’s avonds laat een brandbom tegen de woning van eisers gegooid. Eisers zijn in hun badkamer dekking gaan zoeken. Ze hoorden dat er met stenen tegen hun huis werd gegooid. Ze hoorden iemand schreeuwen dat eiseres zou worden verkracht. Eisers hebben niet gezien wie er bij hun woning stonden, maar zij vermoeden dat het Servische extremisten waren, die eisers probeerden bang te maken, nu zij de vierde Moslimfamilie waren die naar D waren teruggekeerd. De volgende ochtend kwam de politie met eiser praten en ze vroegen wat er was gebeurd. Ze zeiden dat zij een onderzoek wilden verrichten om vast te stellen wie de brandbom had gegooid. Naar aanleiding van het gebeurde met de brandbom en de daarbij geuite bedreigingen, is eiseres het door haar in 1992 opgelopen trauma gaan herbeleven. Eiseres kon niet meer in D blijven en is naar het huis van haar schoonouders in Gorazde gebracht, waar zij een week is gebleven. Daarna heeft eiseres tot aan het vertrek naar Nederland bij vriendinnen in Sarajevo verbleven, waar eiser – die inmiddels verbleef in het huis van zijn vader in Gorazde - haar bezocht. Op 31 mei 2001 vertelde eiser haar dat hij problemen had met zijn werkgever en dat hij daardoor niet meer in de Moslim-Kroatische Federatie kon blijven. Onderluitenant E had hem gezegd dat het in Sarajevo gevestigde hoofd van de eenheid waar eiser werkzaam was, had geëist dat eiser zou terugkeren naar D in de Republiek Srpska om daar zijn werkzaamheden te verrichten. Eiser moest begin mei 2001 naar Sarajevo komen. Eiser legde kapitein F uit wat hem was overkomen met de explosieven en dat een terugkeer naar D niet alleen zou betekenen dat zijn leven gevaar liep, maar ook dat van zijn echtgenote. Eiser zei dat hij tijd nodig had om erover na te denken. Op 24 mei 2001 had eiser opnieuw een gesprek, ditmaal met kolonel G en luitenant H. Zij eisten allebei van eiser dat hij zou terugkeren naar de Republiek Srpska. Ze bedreigden hem met een “ongeluk” waarbij hij zou omkomen voor het geval hij niet aan de gegeven opdracht zou voldoen. Ze zeiden dat dit eisers vader ook zou kunnen overkomen, want deze was werkzaam bij een bedrijf waar explosieven gemaakt werden. Eiser heeft tijdens het gesprek mondeling ontslag gevraagd, maar dat werd niet geaccepteerd. Naar aanleiding van de door zijn superieuren geuite bedreiging vreesde eiser dat zijn leven gevaar zou lopen. Eiser besloot op 31 mei 2001 te deserteren uit het leger. Hij is naar Sarajevo vertrokken om zijn vlucht uit Bosnië-Herzegovina voor te bereiden. Op 6 juni 2001 zijn eisers per vrachtauto vanuit Sarajevo vertrokken uit de Moslim-Kroatische Federatie. Op 9 juni 2001 zijn zij in Nederland aangekomen.

III. Standpunten partijen

1. Eisers stellen zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat verweerder hen ten onrechte niet in aanmerking heeft gebracht voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid , aanhef en onder a (vluchtelingschap), of b (artikel 3 EVRM), of c (traumatabeleid dan wel overige klemmende redenen van humanitaire aard) Vw 2000. Eisers zijn van mening dat verweerder hen na de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 16 augustus 2001 aanvullend had moeten horen alvorens opnieuw op hun asielaanvraag te beslissen. Nu dit is nagelaten, zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid. Het door verweerder uitgebrachte voornemen van 8 november 2001 wijkt nauwelijks af van de in de AC-procedure geslagen beschikkingen van 14 juni 2001, zodat slechts sprake is van een herhaling van zetten. Het gooien van de brandbom tegen de woning van eisers op 24 februari 2001 is een op de persoon van eisers gerichte daad van vervolging geweest, nu bij deze aanslag dreigementen zijn geuit die op de persoon van eisers betrekking hadden. Vanwege de herbeleving van haar trauma als gevolg van de aanslag, kan eiseres voorts niet meer terugkeren naar het dorp D in de Republiek Srpska. Eiser kan vanwege zijn weigering te voldoen aan de door de legerleiding gegeven opdracht, niet meer in de Moslim-Kroatische Federatie verblijven. Het standpunt van verweerder dat eiser zijn ontslag bij het leger had kunnen indienen is niet houdbaar. Verweerder gaat er aan voorbij dat lagere officieren de orders van bovenaf uitvoeren. Voor eiser was zonneklaar dat het verzoek mee te werken aan spionage van de Serven afkomstig was van de legerleiding en dat hij geen enkele kans maakte bij de hogere officieren. Verweerder had via het Ministerie van Buitenlandse Zaken moeten laten onderzoeken of eiser, in zijn specifieke geval, inderdaad ontslag had kunnen nemen. Eiser kan hierover zelf geen nader bewijs aanvoeren omdat de personen aan wie hij verzocht heeft informatie te verzamelen over zijn situatie, zijn bedreigd door hooggeplaatste personen, waaronder majoor Osman Subasic, die inmiddels door het Joegoslavië Tribunaal schuldig is bevonden aan oorlogsmisdaden. Eiser had geen andere mogelijkheid dan te deserteren en hij heeft derhalve geen vestigingsalternatief in de Moslim-Kroatische Federatie. Eisers hebben besloten te vluchten uit Bosnië-Herzegovina omdat ze geen kant meer opkonden.

2. Verweerder heeft zich op de in de voornemens van 8 november 2001 en van 7 januari 2002 en in de bestreden besluiten aangegeven gronden, zoals ter zitting toegelicht, op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Hij heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet aannemelijk is geworden dat bij het incident met de brandbom op 24 februari 2001 sprake is geweest van een op de persoon van eisers gerichte vervolging. Nu is gebleken dat de politie uit zichzelf is komen kijken en de zaak in behandeling heeft genomen, is niet aannemelijk dat eisers zich niet tot de autoriteiten konden wenden voor bescherming en hulp. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de gestelde problemen in de Republiek Srpska voor eisers de directe aanleiding voor hun vertrek uit Bosnië-Herzegovina waren. Eisers hadden, zoals ook in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 25 april 200 staat vermeld, een vestigingsalternatief in de Moslim- Kroatische Federatie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de problemen met zijn werkgever tot vluchtelingschap leiden. Niet aannemelijk is gemaakt dat de gedragingen en de bedreigingen van een aantal superieuren van eiser in opdracht van de legerleiding of van de regering gebeurden. Voorts heeft eiser niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om aan de gestelde druk van zijn superieuren te ontkomen door schriftelijk ontslag in te dienen dan wel een advocaat in te huren om hem bij te staan. Uit voornoemd ambtsbericht blijkt voorts dat eiser zich tot de internationale autoriteiten had kunnen wenden voor hulp en/of bescherming dan wel dat hij zich had kunnen wenden tot andere nationale overheidsinstellingen. Het wordt niet opportuun geacht een onderzoek te starten naar de mogelijkheden tot ontslag uit het leger voor eiser. Het is in eerste instantie eisers verantwoordelijkheid om een en ander aannemelijk te maken. Eiser kan evenmin als vluchteling worden aangemerkt op grond van de omstandigheid dat hij is gedeserteerd uit het leger. In dit geval wordt aan géén van de drie zogenoemde Antikian-criteria voldaan. Nu de desertie niet leidt tot vluchtelingschap, heeft eiser een vestigingsalternatief in de Moslim-Kroatische Federatie.

Niet aannemelijk is dat ten aanzien van eisers sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat juist zij bij terugkeer naar hun land zullen worden onderworpen aan een door artikel 3 EVRM dan wel artikel 3 Anti-folterverdrag verboden behandeling.

Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de gebeurtenis van 24 februari 2001 haar eerder opgelopen traumatische ervaring weer heeft doen oplaaien, geldt dat dit geen aanleiding geeft tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de traumatische ervaring de aanleiding is geweest van het vertrek uit Bosnië-Herzegovina. Gebleken is dat eiseres van 25 februari 2001 tot 6 juni 2001 nog in het land heeft verbleven en pas nadat eiser over zijn problemen in het leger had verteld, met eiser heeft besloten het land te verlaten. Voorts geldt dat eiseres de mogelijkheid heeft zich in een meerderheidsgebied in Bosnië-Herzegovina te vestigen alwaar zij zich onder haar eigen volk kan begeven. Niet gebleken is dat eiser getraumatiseerd is, zodat hij evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van klemmenden redenen van humanitaire aard.

Uit de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), hoofdstuk C3/12.10 en C3/13.4.1 blijkt dat indien doorverwijzing naar een opvangcentrum plaatsvindt op niet-inhoudelijke gronden, de vreemdeling niet nader behoeft te worden gehoord. Gelet hierop is ook een inhoudelijke overeenkomst tussen de in de AC-procedure geslagen beschikkingen en de overwegingen zoals die in de voornemens en de bestreden beschikkingen zijn neergelegd, wenselijk. Dit dient gezien te worden als een uiting van consistent beleid, aldus verweerder.

IV. Overwegingen

1. Op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 – voor zover hier van belang - kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. (…):

e. die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

2. Ingevolge artikel 1, onder l, Vw 2000 wordt onder verdragsvluchteling verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag). Ingevolge artikel 1(A)-2 Vluchtelingenverdrag worden als vluchteling aangemerkt vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

3. Artikel 31, eerste lid, Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

4. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

5. Met betrekking tot de grief van eisers dat verweerder hen na de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 16 augustus 2001 ten onrechte niet nader heeft gehoord, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de genoemde uitspraak blijkt dat verweerder op 13 juni 2001 advies heeft ingewonnen van een arts naar aanleiding van de verklaring van eiseres dat zij getraumatiseerd is en dat zij voor haar psychische klachten medische behandeling behoeft. Gevraagd is, onder meer, of er een acute medische noodzaak voor behandeling en opvang van eiseres bestond. De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft in haar uitspraak overwogen dat, nu verweerder aan de inhoud van het medisch advies betekenis toekende voor de wijze van afdoening in een Aanmeldcentrum dan wel een Opvangcentrum, hij dit advies had moeten afwachten alvorens zijn beslissingen op de aanvragen te nemen. Verweerder heeft, door dit niet te doen, zijn beslissingen onvoldoende zorgvuldig voorbereid en daarmee gehandeld in strijd met artikel 3:2 Awb, aldus de Afdeling Bestuursrechtspraak.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in dit geval, gelet op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak, niet gezegd kan worden dat doorverwijzing naar een Opvangcentrum op inhoudelijke gronden heeft plaatsgevonden. Gelet op hetgeen in de Vc 2000 onder hoofdstuk C3/12.10 en C3/13.4.1 staat vermeld, heeft verweerder zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers, nadat zij waren doorverwezen naar een Opvangcentrum, niet nader behoefden te worden gehoord. De grief faalt derhalve.

6. Met betrekking tot de gebeurtenis van 24 februari 2001, waarbij een brandbom tegen de woning van eisers in D is gegooid en waarbij eiseres is bedreigd, overweegt de rechtbank dat zij verweerder niet kan volgen in diens motivering van het standpunt dat niet aannemelijk is gemaakt dat daarbij sprake was van een tegen eisers persoonlijk gerichte daad van vervolging wegens het feit dat zij behoren tot de Moslim bevolkingsgroep. Eisers hebben verklaard dat zij in februari 2001 zijn teruggekeerd naar hun dorp dat inmiddels tot de Republiek Srpska behoorde. Zij waren, nadat zij in 1994 door Serviërs waren verdreven, de vierde Moslim-familie die terugkwam in het voornamelijk door Serviërs bewoonde dorp. Eisers hebben voorts verklaard dat zij vermoeden dat Servische extremisten achter de aanslag zaten en dat het motief was om hen bang te maken nu zij in hun woning waren teruggekeerd. Ter ondersteuning van hun stelling dat sprake was van een op hen persoonlijk gerichte actie, hebben eisers bij de zienswijze van 29 november 2001 overgelegd artikelen van Amnesty International (AI) van, respectievelijk, 10 mei 2001, 19 juni 2001 en 10 november 2001 waarin, onder meer, staat vermeld dat leden van minderheidsgroepen, zoals Bosniakken, die terugkeren naar de Republiek Srpska in toenemende mate het slachtoffer worden van gewelddadige acties van de kant van Serviërs. In reactie op deze artikelen wordt in de bestreden besluiten overwogen dat deze verwijzen naar algemeenheden en omstandigheden die kunnen voorkomen in Bosnië-Herzegovina, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden worden aangedragen die de persoon van betrokkenen betreffen en die een ander licht doen schijnen op de overwegingen zoals neergelegd in het ten aanzien van eisers uitgebrachte voornemen van 8 november 2001. Verweerder miskent hiermee evenwel dat eisers met het overleggen van de in genoemde artikelen neergelegde informatie hebben beoogd aan te tonen dat hetgeen hen persoonlijk in D is overkomen, past in de in 2001 bestaande algemene situatie in de Republiek Srpska met betrekking tot de bejegening van Moslims die terugkeerden naar hun oorspronkelijke woonplaatsen die inmiddels in meerderheid door Serviërs werden bewoond. Verweerder heeft zijn conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake was van een op eisers persoonlijke gerichte daad van vervolging derhalve ondeugdelijk gemotiveerd.

De rechtbank kan verweerder evenmin volgen in het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij zich naar aanleiding van de gebeurtenis van 24 februari 2001 niet tot de autoriteiten konden wenden voor bescherming en hulp nu is gebleken dat de Servische politie een dag na de explosie uit zichzelf is komen kijken en de zaak in behandeling hebben genomen. Eisers hebben in reactie op dit standpunt van verweerder in hun hierbovengenoemde zienswijze gesteld dat de politie is gekomen om te kijken of er geen aanslag op een Servische woning was gepleegd en dat zij niet van plan waren de daders van de aanslag te zoeken. Ter ondersteuning van deze stelling hebben eisers gewezen op eerdergenoemd artikel van AI van 10 november 2001 waarin staat vermeld dat de politie in de Republiek Srpska in de meeste gevallen van gewelddadigheden tegen Moslims verzuimt de zaak onmiddellijk en uitvoerig te onderzoeken. Verweerder heeft in zijn bestreden besluiten tegenover deze informatie geen feitelijke gegevens over de situatie in de Republiek Srpska gesteld waaruit blijkt dat het artikel van AI feitelijk onjuist of inmiddels achterhaald is. Verweerder heeft zich dan ook niet zonder nadere motivering ter zake op het standpunt kunnen stellen dat de autoriteiten in de Republiek Srpska eisers bescherming willen en kunnen bieden tegen gewelddadige acties van Servische burgers.

7. Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat eisers zich aan eventuele problemen in de Republiek Srpska kunnen onttrekken door zich te vestigen in de Moslim-Kroatische Federatie, waar de Moslims de meerderheid vormen, overweegt de rechtbank dat dit standpunt niet in rechte houdbaar is vanwege hetgeen hierna wordt overwogen.

8. Eiser heeft gesteld dat hij in de Moslim-Kroatische Federatie gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging dan wel dat hij een reëel risico loopt om bij terugkeer een behandeling te ondergaan als bedoeld in artikel 3 EVRM of artikel 3 Anti-folterverdrag. De reden hiervan is volgens eiser gelegen in het feit dat hij de door zijn superieuren gegeven opdracht om vanuit zijn woning in D militaire en civiele communicatie van de Serviërs af te luisteren, niet heeft willen uitvoeren, waarna hij door zijn superieuren is bedreigd met de dood.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in diens motivering van het standpunt dat eiser naar aanleiding hiervan niet als vluchteling kan worden aangemerkt dan wel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van hem sprake is van een reëel risico op schending van de eerdergenoemde verdragsbepalingen.

Verweerder is in de eerste plaats van mening dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aan hem gedane voorstel om zijn werk in de Republiek Srpska te gaan doen en de na diens weigering geuite bedreiging in opdracht van de (hoogste) legerleiding zijn gedaan. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat eiser niet met een tot de legerleiding behorende opperofficier heeft gesproken, maar met een hoofdofficier (kolonel) en subalterne officieren (luitenant en kapitein).

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de opdracht aan eiser niet is gegeven door een zogenoemde opperofficier, op zichzelf niet dwingt tot de conclusie dat niet aannemelijk is dat de hoogste legerleiding instemde met de opdracht en de geuite bedreiging. De omstandigheid dat eiser, nadat hij geweigerd had in te gaan op het door zijn directe superieur onderluitenant E gedane voorstel om zijn werk voortaan vanuit zijn woning in de Republiek Srpska te gaan verrichten, op het hoofdbureau van zijn eenheid in Sarajevo meerdere malen door andere superieuren, waaronder een hoofdofficier, onder druk is gezet om aan de opdracht te voldoen, alsook de verklaring van eiser dat het afluisteren van gesprekken in de Republiek Srpska van groot strategisch belang werd geacht, geeft veeleer aanleiding om te veronderstellen dat de opdracht en de geuite bedreiging wel met instemming van de legerleiding werd gegeven.

Verweerder heeft eiser vervolgens tegengeworpen dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om aan de druk van zijn superieuren te ontkomen door schriftelijk zijn ontslag in te dienen, eventueel met de hulp van een advocaat. De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder zijn standpunt dat een dergelijke procedure in het Moslim-Kroatische leger onder de door eiser geschetste omstandigheden een reële mogelijkheid is, niet onderbouwd met feitelijke informatie over de organisatiestructuur van dat leger en de daar gehanteerde procedures. De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op de verklaring van eiser dat de opdracht hem door meerdere superieuren werd gegeven en dat hij, na zijn weigering daaraan te voldoen, met de dood werd bedreigd, terwijl zijn mondeling gedane verzoek om hem ontslag te verlenen niet werd geaccepteerd, niet in redelijkheid van eiser kon worden verwacht dat hij onder die omstandigheden een schriftelijke ontslagprocedure op zou starten. Hiermee zou eiser zich immers blootstellen aan de niet ondenkbeeldige kans dat het jegens hem (en zijn vader) geuite dreigement ten uitvoer zou worden gelegd. Dat eiser, in plaats daarvan, heeft besloten de Moslim-Kroatische Federatie te verlaten, dwingt op zich dan ook niet tot het oordeel dat hij geen vluchteling is dan wel dat hij geen reëel risico loopt om bij terugkeer in dat deel van zijn land van herkomst een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM of artikel 3 Anti-Folterverdrag te ondergaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verweerder aan zijn standpunt ten grondslag gelegde motivering ondeugdelijk is.

De rechtbank overweegt voorts dat het standpunt van verweerder dat eiser met betrekking tot de problemen met zijn werkgever de bescherming had kunnen inroepen van internationale organisaties of andere overheidsinstellingen, niet is onderbouwd met feitelijke gegevens met betrekking tot de situatie in de Moslim-Kroatische Federatie. Niet duidelijk is welke internationale organisaties dan wel overheidsinstellingen verweerder op het oog heeft, noch welke procedures eiser in dat kader ter beschikking zouden staan. Nu dit standpunt van verweerder feitelijke onderbouwing mist, is hem dit ten onrechte tegengeworpen.

9. Met betrekking tot het door eiser gedane beroep op vluchtelingschap wegens het feit dat hij uit het leger gedeserteerd is, overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat dit feit op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat eiser deswege als vluchteling dient te worden aangemerkt. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser vanwege een godsdienstige of politieke overtuiging, of zijn nationaliteit dan wel omdat hij behoort tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf of een andere discriminatoire behandeling wegens desertie. Verweerder heeft voorts terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser gedeserteerd is op grond van een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging die zijn desertie voorschrijft en dat evenmin sprake is van een door de internationale gemeenschap veroordeelde militaire actie op grond waarvan eiser tot desertie heeft besloten.

10. De rechtbank is op grond van hetgeen onder de rechtsoverwegingen zes tot en met acht is overwogen van oordeel dat de bestreden besluiten voor zover daarbij geweigerd is eisers in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning asiel op de grond genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, Vw 2000 voor vernietiging in aanmerking komen wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, Awb, zodat het beroep reeds hierom gegrond is. Het beroep behoeft voor het overige derhalve geen bespreking meer.

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

V. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2003, door mr. N.O.P. Roché, lid van de enkelvoudige kamer, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Eijkelenkamp-Van Unen, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag). Ingevolge artikel 69, eerste lid, Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 5 juni 2003

Conc: AE

Bp: -

D: B