Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AG0141

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2003
Datum publicatie
16-06-2003
Zaaknummer
AWB 03/28168
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / Bjj / IVRK.

Bij de Vw 2000 is geen van het in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) neergelegde stelsel afwijkende regeling getroffen. Daardoor eisen artikel 2, eerste lid en artikel 9 Bjj, gelezen in het licht van artikel 37, aanhef en onder c, IVRK in beginsel dat een zeventienjarige vreemdeling aan wie de maatregel van bewaring wordt opgelegd in een jeugdinrichting wordt geplaatst. Eiseres is een zeventienjarige vreemdelinge. Zij zit in vreemdelingenbewaring in een huis van bewaring. Gesteld noch gebleken is dat zij aldaar gescheiden wordt gehouden van volwassenen. De tenuitvoerlegging van de bewaring is derhalve in strijd met de wet. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak 200300583/1 van de ABRS van 24 februari 2003. De argumenten die verweerder ter zitting heeft aangedragen om de bewaring desondanks niet op te heffen, slagen niet. Nu verweerder desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard om organisatorische redenen niet te kunnen voldoen aan een eventueel door de rechtbank te bevelen wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring, ziet de rechtbank geen grond om vorenbedoelde wijziging te bevelen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummer: AWB 03/28168

Datum uitspraak: 22 mei 2003

UITSPRAAK

op het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A

geboren op [...] 1985,

van Marokkaanse nationaliteit,

verblijvende in het Huis van Bewaring te Scheveningen,

IND dossiernummer 0302.203.4070,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.W. Plantema, advocaat te Amsterdam,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

verweerder,

gemachtigde: E.J. Takkenberg, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Verweerder heeft op 13 mei 2003 de rechtbank op grond van artikel 96, vijfde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in kennis gesteld van het voortduren van de bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 mei 2003. De gemachtigde van eiseres is daarbij verschenen. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt voorop dat het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring laatstelijk bij uitspraak van 16 april 2003 (AWB 03/20011) ongegrond is verklaard. Thans staat uitsluitend ter beoordeling of sedert genoemde uitspraak het voortduren van de bewaring rechtmatig is.

2.2 Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), voorzover thans van belang, wordt de vreemdelingenbewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een huis van bewaring of een ruimte of plaats, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 58, eerste lid, van de Vw 2000.

Ingevolge het tweede lid wordt, indien de tenuitvoerlegging van de bewaring een aanvang neemt op een politiebureau of in een cel van de Koninklijke marechaussee, zodra dit redelijkerwijs mogelijk is de tenuitvoerlegging voortgezet in een huis van bewaring of een ruimte op plaats, als bedoeld in artikel 6, tweede lid of artikel 58, eerste lid, van de Vw 2000.

2.3 Ingevolge artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) wordt voor de toepassing van dit verdrag onder een kind verstaan ieder mens jonger dan achttien jaar, tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt.

Ingevolge artikel 37, aanhef en onder c, van dat verdrag, voor zover thans van belang, wordt ieder kind dat van zijn vrijheid is beroofd, gescheiden van volwassenen, tenzij het in het belang van het kind wordt geacht dit niet te doen.

2.4 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj), voor zover thans van belang, vindt de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, plaats door onderbrengen van de persoon aan wie deze is opgelegd in een inrichting.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b van de Bjj wordt, voor zover hier van belang, onder inrichting verstaan een inrichting voor justitiële jeugdbescherming.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van die wet zijn inrichtingen te onderscheiden in opvanginrichtingen en behandelinrichtingen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kunnen personen in vreemdelingenbewaring, voor zover zij de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, in opvanginrichtingen worden ondergebracht.

2.5 Aangezien bij de Vw 2000 geen van het in de Bjj neergelegde stelsel afwijkende regeling is getroffen, eisen artikel 2, eerste lid en artikel 9 van de Bjj, gelezen in het licht van voormeld artikel 37, aanhef en onder c, van het IVRK, waaraan volgens de toelichting op die wet daarbij uitvoering is gegeven, in beginsel dat een zeventienjarige vreemdeling, aan wie de maatregel van bewaring wordt opgelegd, in een jeugdinrichting wordt geplaatst.

2.6 De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiseres zeventien jaar oud is en dat het bovenstaande derhalve op haar van toepassing is. Uit de gedingstukken blijkt dat de maatregel van bewaring ten aanzien van eiseres desondanks wordt uitgevoerd in Penitentiaire Inrichting Scheveningen, een Huis van Bewaring voor vrouwen. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd. Gesteld noch gebleken is dat eiseres aldaar gescheiden wordt gehouden van volwassenen.

2.7 De rechtbank is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de maatregel gezien het voorgaande in strijd is met de wet. De rechtbank verwijst in dit verband mede naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 februari 2003 (reg. nr. 200300583/1).

2.8 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de bewaring desondanks niet moet worden opgeheven.

Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat het (nog) niet mogelijk is om vrouwelijke vreemdelingen van zestien en zeventien jaar in een jeugdinrichting te plaatsen. Voor mannelijke vreemdelingen van deze leeftijd is inmiddels wel een voorziening getroffen. Verweerder stelt dat er sprake is van overmacht. De rechtbank overweegt echter dat de omstandigheid, dat er geen geschikt detentieregime voorhanden is, voor rekening en risico van verweerder dient te blijven. Dit argument van verweerder kan derhalve niet leiden tot een ander oordeel dan hierboven verwoord.

Voorts heeft verweerder ter zitting naar voren gebracht dat het niet in het belang van eiseres is dat zij als gevolg van een eventuele opheffing van de bewaring als minderjarige op straat komt te staan. De rechtbank overweegt daartoe dat de uitzondering op de hoofdregel van artikel 37c, aanhef en onder c, van het IVRK, dat een kind dat van zijn vrijheid is beroofd wordt gescheiden van volwassen, slechts ziet op (de afweging van) het belang dat een kind kan hebben bij het ondergaan van zijn vrijheidsbeneming bij volwassenen (bijvoorbeeld omdat ook de ouder is gedetineerd), en niet op de afweging van het belang dat een kind kan hebben bij het al dan niet voortduren van de bewaring.

Ten slotte heeft verweerder aangevoerd dat de bewaring niet moet worden opgeheven, omdat eiseres binnen een twaalftal dagen na de zitting de achttienjarige leeftijd zal bereiken. De rechtbank overweegt dat het feit dat eiseres slechts over enkele dagen meerderjarig wordt, evenmin kan afdoen aan de vaststelling dat, in het kader van de thans op de voet van artikel 96, vierde lid, van de Vw 2000 uit te voeren toetsing, de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.

2.9 Nu verweerder desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard niet te kunnen voldoen aan een eventueel door de rechtbank te bevelen wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring van eiseres, ziet de rechtbank geen grond om vorenbedoelde wijziging te bevelen. De rechtbank zal daarom de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring bevelen.

2.10 Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

2.11 Hetgeen overigens ter zitting is aangevoerd behoeft gezien het voorgaande geen bespreking meer.

2.12 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 322,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van heden;

- veroordeelt verweerder in de kosten van rechtsbijstand van eiseres tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van DS 547 Arrondissement Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.

Aldus gegeven door mr. R.G.J. Welbergen en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2003 in tegenwoordigheid van drs. P.F. Lammers als griffier.

Afschrift verzonden op: 23 mei 2003

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.