Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9881

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
parketnummer 09/017066-01 rolnummer 0002
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

[parketnummer]

BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR

Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte]

[geboortedatum] [geboorteplaats]

[adres]

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het

Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximum bedrag van € 2.722,68.

Het onderzoek ter zitting.

Ter zitting van 27 mei 2003 heeft de officier van justitie bij de vordering gepersisteerd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 54 dagen hechtenis.

De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr R.A.J. Verploegh, is verschenen en op de vordering gehoord.

Beoordeling van de vordering.

Bij vonnis van deze rechtbank van 10 juni 2003 is [verdachte] voornoemd veroordeeld terzake van, voor zover van belang, de strafbare feiten:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK GEBRUIK MAKEN VAN EEN VALS GESCHRIFT ALS BEDOELD IN ARTIKEL 225 LID 1 VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT, ALS WARE HET ECHT EN ONVERVALST, MEERMALEN GEPLEEGD;

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING, MEERMALEN GEPLEEGD.

In deze zaak is gerapporteerd met betrekking tot het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit heeft geresulteerd in het proces-verbaal, met nummer 15JO/2000/169/E, van de financiële recherche van politie Haaglanden.

De conclusie van dit proces-verbaal is, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel minimaal NLG 4.000,= (zijnde € 1815,12) en maximaal NLG 6.000,= (zijnde

€ 2722,68) bedraagt.

Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van hiervoor genoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank grondt haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

P.M.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 2.268,=

De rechtbank overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Veroordeelde heeft zelf aangegeven naar schatting tussen de fl. 4.000,- en fl. 6.000,- van [getuige] te hebben ontvangen voor het “hengelen” van de post. [getuige] verklaart op zijn beurt dat veroordeelde verschillende keren geldbedragen van hem heeft gehad. De rechtbank acht het dan ook reëel het voordeel te schatten aan de hand van de door veroordeelde zelf gemaakte schatting en wel op het gemiddelde bedrag van deze schatting, te weten

fl. 5.000,- oftewel afgerond € 2.268,-.

Door en namens veroordeelde is aangegeven dat de betalingen van [getuige] aan veroordeelde afbetalingen zijn geweest op een schuld van Nandan aan veroordeelde ad

fl. 5.000,-. De vermogenspositie van veroordeelde is met de betalingen dan ook niet gewijzigd, zodat de vordering in elk geval tot dit bedrag moet worden afgewezen, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Zowel de gestelde schuld van Nandan aan veroordeelde als de stelling dat de gedane betalingen afbetalingen zouden zijn geweest op deze schuld is, in aanmerking genomen hetgeen veroordeelde zelf in eerste instantie heeft verklaard - te weten dat hij het geld heeft gekregen voor het “hengelen” - en bij gebreke van enig aanknopingspunt daarvoor in het dossier of nadere onderbouwing met bewijsstukken, niet aannemelijk geworden. Het verweer moet dan ook worden verworpen.

Gelet op het bovenstaande is toewijzing van de vordering tot bovengenoemd bedrag inclusief het gevraagde dwangmiddel van vervangende hechtenis op haar plaats. Indien te zijner tijd mocht komen vast te staan dat geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, zodat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis nog slechts neerkomt op een vorm van "extra bestraffing", staan voor veroordeelde alsdan wegen open de rechter om een (nadere) beslissing te vragen (artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering).

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot genoemd bedrag en daarbij de duur van de vervangende hechtenis bepalen.

Ten aanzien van laatstgenoemd bedrag zal de rechtbank de betaling aan de Staat gelasten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.268,=

legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 2.268,= aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt dat bij gebreke van betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 45 dagen.

Deze beslissing is genomen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Wapenaar en Schirmeister, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Bröcheler, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2003.