Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9878

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
09/018008-01 rolnummer 0003
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2004, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

[Parketnummer]

BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR

Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte]

[geboortedatum] [geboorteplaats]

[adres]

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het

Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximum bedrag van € 41.974,66.

Het onderzoek ter zitting.

Ter zitting van 27 mei 2003 heeft de officier van justitie bij de vordering gepersisteerd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 344 dagen hechtenis.

De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr H. Koning, is verschenen en op de vordering gehoord.

Beoordeling van de vordering.

Bij vonnis van deze rechtbank van 10 juni 2003 is [verdachte] voornoemd veroordeeld terzake van, voor zover van belang, de strafbare feiten:

eendaadse samenloop van:

MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING;

en

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK GEBRUIK MAKEN VAN EEN VALS GESCHRIFT ALS BEDOELD IN ARTIKEL 225 LID 1 VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT, ALS WARE HET ECHT EN ONVERVALST, MEERMALEN GEPLEEGD.

In deze zaak is gerapporteerd met betrekking tot het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit heeft geresulteerd in het proces-verbaal, [nummer procesverbaal], van de financiële recherche van politie Haaglanden.

De conclusie van dit proces-verbaal is, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel minimaal NLG 65.000,= (zijnde € 29.495,71) en maximaal NLG 92.500,= (zijnde

€ 41.974,67) bedraagt.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er geen sprake meer is van wederrechtelijk verkregen voordeel nu zijn cliënt op 20 november 2002 door de civiele kamer in deze rechtbank is veroordeeld tot betaling van € 1.667.079,39 vermeerderd met de kosten aan Coöperative Rabobank Den Haag en omgeving U.A.. De raadsman acht deze uitspraak een aan een benadeelde derde in rechte toegekende vordering, die aan toewijzing van de ontnemingsvordering in de weg staat.

De rechtbank overweegt als volgt. De Rabobank is in dezen benadeelde partij en heeft blijkens het door de raadsman overgelegde vonnis van deze rechtbank van 20 november 2002 de door haar geleden schade van veroordeelde gevorderd. Gezien de onderliggende rechtsverhouding waarop de vordering van de Rabobank is gebaseerd omvat het door de Rabobank gevorderde bedrag onder meer het thans in deze procedure door de officier van justitie gevorderde bedrag.

Hoewel de vordering van de Rabobank gezien het tegen voormeld vonnis ingestelde hoger beroep nog niet onherroepelijk in rechte is toegekend en de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht dan ook niet gehouden is deze vordering in mindering te brengen bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat wel op dit moment al te doen. Op de vordering van de Rabobank zal immers op enig moment onherroepelijk worden beslist. Gelet hierop kan het wederrechtelijk verkregen voordeel thans reeds op nihil worden geschat en moet de vordering worden afgewezen. Aldus zal worden beslist.

Beslissing.

De rechtbank:

wijst af de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze beslissing is genomen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Wapenaar en Schirmeister, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Bröcheler, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2003.