Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9648

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 03/8147, 03/8148
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Mvv / gezinshereniging / overgangsrecht

De mvv-aanvraag van verzoekster is afgewezen, omdat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden van het nieuwe gezinsherenigingsbeleid zoals neergelegd in TBV 2002/4. In dit TBV is onder meer bepaald dat wordt aangenomen dat de gezinsband is verbroken bij een referteperiode van langer dan vijf jaar. Het is ook van toepassing op oude aanvragen, omdat het nieuwe beleid overwegend een versoepeling betekent ten opzichte van het oude beleid, neergelegd in hoofdstuk B1/5.1 Vc-1994. Verzoekster heeft aangevoerd dat het nieuwe beleid ingeval van een scheiding van meer dan vijf jaar tussen ouder en kind geen versoepeling inhoudt, maar een aanzienlijke verscherping.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is getoetst aan het oude gezinsherenigingsbeleid. Op grond van artikel 3.103 Vb 2000 is verweerder gehouden te toetsen aan het meest gunstige beleid. Niet wordt uitgesloten dat het oude beleid voor verzoekster gunstiger zou zijn, omdat voorshands niet valt in te zien dat onder het oude beleid de gezinsband verbroken zou zijn geacht. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 03/8147 (VoVo) en Awb 03/8148

Datum uitspraak: 31 maart 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 en artikel 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1987,

van Oekraïnse nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde mr. M.J.P. van Horne,

tegen

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

(Visadienst),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai.

Het procesverloop

Op 5 juni 2001 heeft verzoekster een aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) gedaan met als doel gezinshereniging bij haar moeder (referente). Bij besluit van 27 mei 2002 is de aanvraag niet ingewilligd. Verzoekster heeft daartegen op 21 juni 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 januari 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 7 februari 2003 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij verzoekschrift van 7 februari 2003 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat verzoekster tot Nederland wordt toegelaten als ware zij in het bezit van een mvv, dan wel die voorziening te treffen welke het meest aangewezen is.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 maart 2003. Verzoekster is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Vaststaande feiten

1. Verzoekster is op [...] 1987 geboren en afkomstig uit de Oekraïne. Het huwelijk van haar ouders is op 22 augustus 1989 door echtscheiding ontbonden waarbij referente de voogdij over verzoekster heeft gekregen. Vanaf 1989 heeft verzoekster samen met referente bij haar grootouders gewoond. In 1994 is referente opnieuw gehuwd. Op 15 september 1995 is referente met haar huidige echtgenoot Nederland ingereisd, waarna zij een aanvraag hebben ingediend om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf. Op [...] 1996 is uit het huwelijk tussen referente en haar huidige echtgenoot een zoon geboren. Na diverse procedures is aan referente en haar echtgenoot op 28 februari 2001 een vergunning tot verblijf regulier voor onbepaalde tijd verleend. Op 17 december 2001 hebben beiden de Nederlandse nationaliteit verkregen. Namens verzoekster is op 5 juni 2001 een aanvraag ingediend tot verlening van een mvv met als doel gezinshereniging bij moeder.

Standpunten van partijen

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden van het nieuwe gezinsherenigingsbeleid zoals neergelegd in TBV 2002/4 (hierna: het nieuwe beleid). Er is sprake van een referteperiode van meer dan vijf jaar, zodat de feitelijke gezinsband tussen referente en verzoekster wordt geacht te zijn verbroken. Voorts is er geen sprake van één van de in het beleid opgesomde uitzonderingssituaties. Immers uit de overgelegde medische verklaringen van de grootouders kan niet worden geconcludeerd dat zij niet in staat zijn voor verzoekster te zorgen. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat er geen overige bloed- en of aanverwanten zijn die zonodig de verzorging van verzoekster op zich zouden kunnen nemen, waaronder de biologische vader van verzoekster en een zus van referente. Verder is niet gebleken dat verzoekster daadwerkelijk medische klachten heeft en daarvoor onder behandeling is. Het beroep van verzoekster op de inherente afwijkingsbevoegdheid faalt. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van schending van artikel 8 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( EVRM). Tenslotte faalt het beroep op het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK).

3. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte geen mvv heeft verleend. Verweerder had het oude gezinsherenigingsbeleid zoals neergelegd in de artikelen 3.13 tot en met 3.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 alsmede B1/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: het oude beleid) moeten toepassen aangezien dat in het onderhavige geval gunstiger is. Immers de feitelijke gezinsband tussen verzoekster en referente is nimmer verbroken aangezien er sprake is van een zogenaamde drie generatie-gezinsband. Verder acht verzoekster van belang dat referente steeds nauw betrokken is gebleven bij de opvoeding van verzoekster en heeft bijgedragen in kosten van levensonderhoud.

Voor zover het nieuwe beleid wel van toepassing wordt geacht, stelt verzoekster zich eveneens op het standpunt dat de feitelijke gezinsband niet als verbroken moet worden beschouwd. Immers er is sprake van de in TBV 2002/4 opgenomen uitzonderingssituatie onder a. Haar grootouders zijn te oud en te ziek om haar te kunnen verzorgen, hetgeen is aangetoond met medische verklaringen. Voorts zijn de biologische vader en tante van verzoekster noch in staat noch bereid om voor haar te zorgen, hetgeen eveneens met behulp van verklaringen is onderbouwd. Verzoekster doet voorts een beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder. Immers referente heeft altijd de intentie gehad om verzoekster naar Nederland te laten overkomen. Referente heeft zich meerdere malen tot de Vreemdelingendienst gewend om informatie in te winnen dan wel een aanvraag in te dienen, echter zonder enig resultaat. Tenslotte stelt verzoekster dat de weigering om aan haar een mvv af te geven een schending van artikel 8 EVRM oplevert en doet zij een beroep op artikel 3 en 10 van het IVRK.

De beoordeling

4. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5. De rechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. De rechter overweegt hiertoe dat verzoekster, blijkens de inhoud van de overgelegde brief van verzoekster aan referente van 11 februari 2003, onder ernstige psychische druk staat vanwege het gescheiden zijn van haar moeder. De psychische problemen van verzoekster rechtvaardigen in casu het spoedeisend belang.

6. Indien nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling, kan de voorzieningenrechter, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, na de zitting onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

7. De rechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder op juiste gronden het gezinsherenigingsbeleid zoals neergelegd in TBV 2002/4 heeft toegepast. De rechter overweegt daartoe als volgt.

8. Ingevolge artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt een aanvraag om een verblijfsvergunning (regulier) getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

9. Ingevolge TBV 2002/4 wordt het daarin opgenomen beleid niet alleen toegepast op alle nieuwe aanvragen, maar ook op zaken in eerste aanleg en in bezwaar, omdat de wijziging volgens verweerder overwegend een versoepeling van het oude beleid is.

10. In TBV 2002/4 wordt, voor zover in deze procedure van belang, bepaald dat indien de referteperiode, te weten de periode welke de ouder(s) en het kind van elkaar zijn gescheiden tot de aanvraag om gezinshereniging, vijf jaar of langer heeft geduurd, wordt aangenomen dat de feitelijke gezinsband tussen de ouder(s) en het kind is verbroken. Dit lijdt slechts uitzondering in twee limitatief opgesomde omstandigheden.

11. In het oude beleid, zoals neergelegd in paragraaf B1/5.1 van de Vc 2000, is daarentegen bepaald dat de feitelijke gezinsband, voor zover in deze procedure van belang, als verbroken kan worden beschouwd indien er sprake is van:

-duurzame opneming in een ander gezin in de situatie dat de ouders ook niet meer met het gezag zijn belast;

-duurzame opneming in een ander gezin in de situatie dat de ouders niet meer voorzien de kosten van opvoeding en verzorging.

12. De rechter stelt vast dat verzoekster reeds in bezwaar heeft aangevoerd dat het nieuwe beleid ingeval van een scheiding van meer dan vijf jaar tussen ouder en kind geen versoepeling inhoudt, maar een aanzienlijke verscherping, zodat verweerder de onderhavige aanvraag aan het oude beleid had moeten toetsen. In het bestreden besluit heeft verweerder volstaan met de verwijzing naar de hierboven vermelde uitleg in TBV 2002/4, namelijk dat het nieuwe beleid overwegend een versoepeling is van het oude beleid. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens getoetst aan het nieuwe beleid.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval niet is getoetst aan het oude gezinsherenigingsbeleid. Immers, ingevolge artikel 3.103 van het Vb 2000 is verweerder gehouden te toetsen aan het voor de vreemdeling meest gunstige beleid. Gelet op de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak sluit de rechter niet uit dat het oude beleid voor verzoekster gunstiger uitpakt. Voorshands valt immers niet in te zien dat de feitelijk gezinsband onder het oude beleid verbroken dient te worden geacht, nu onweersproken is gesteld dat referente nog is belast met het gezag over verzoekster en heeft voorzien in de kosten van haar opvoeding en verzorging. Dit geldt temeer nu genoegzaam is gebleken dat referente voortdurend de intentie heeft gehad om verzoekster naar Nederland te laten overkomen.

14. Nu het beroep reeds om die reden gegrond is behoeven de overige geschilpunten geen nadere bespreking. Verweerder zal, gelet op het spoedeisend belang van verzoekster, binnen twee weken nadat deze uitspraak is gedaan een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. Nu het beroep gegrond is, heeft verzoekster geen belang meer bij de gevraagde voorziening. Het verzoek, zowel primair als subsidiair, zal derhalve worden afgewezen.

16. Gelet op het voorgaande bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als de rechtspersoon die aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden.

17. Ten overvloede overweegt de rechter dat, indien verweerder niet binnen de hierboven gestelde termijn een nieuw besluit op bezwaar neemt, verzoekster beroep kan instellen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 24 januari 2003 en draagt verweerder op binnen twee weken nadat deze uitspraak is gedaan een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,- te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van € 109,- door de Staat der Nederlanden namens verweerder aan verzoekster wordt vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S.M. Bak en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2003 in tegenwoordigheid van mr. N.G.M. Roothans als griffier.

de griffier de voorzieningenrechter

w.g. Roothans w.g. Bak

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 2 april 2003

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.