Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9645

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 03/24945
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / Mongolië / artikel 3 EVRM.

De rechtbank stelt vast dat verweerder noch de aannemelijkheid van het relaas noch de omstandigheid dat eiseres aan de door haar genoemde, mogelijk levensbedreigende, ziekte lijdt, betwist. Evenmin heeft verweerder gesteld dat een nieuwe detentie van eiseres niet aannemelijk is. Uit het ambtsbericht van 29 januari 2003 blijkt dat de situatie van gevangenen die zich onder voorarrest in politiecellen bevinden in heel Mongolië nog steeds slecht is. Gezien deze omstandigheden kan verweerder er naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer van uit gaan dat de autoriteiten van Mongolië rekening zullen houden met de gezondheidstoestand van eiseres, of dat eiseres tijdens een eventuele detentie een adequate medische behandeling zal kunnen krijgen.

Verweerder heeft niet zonder nader onderzoek kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Mongolië het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder is meerdere malen verzocht nader onderzoek te doen naar de medische situatie van eiseres en naar de vraag of eiseres gezien haar gezondheidstoestand langere tijd gedetineerd zou kunnen worden, onder de geschetste omstandigheden, zonder verder risico voor haar gezondheid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 03/24945

Datum uitspraak: 16 mei 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1974,

van Mongolische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. C.G.J.M. Lucassen,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R.A.P.M. van de Zande,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Bij besluit van 23 april 2003 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 19 april 2003 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Zevenaar.

Op 25 april 2003 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 mei 2003. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. De toetsing of de aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen, mondt uit in een beoordeling van het naar de gedane aanvraag verrichte onderzoek en de motivering van de afwijzing.

2. Gezien de gronden van het beroep en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgrond.

3. Eiseres heeft betoogd dat zij bij terugkeer naar Mongolië een reëel risico loopt een behandeling in strijd met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) te zullen ondergaan. Eiseres leidt aan het Wolff Parkinson White Syndrome, een hartaandoening, waarvoor zij medicijnen moet gebruiken. Volgens de arts van eiseres is haar ziekte levensbedreigend en zou zij geopereerd moeten worden. Eiseres vreest bij terugkeer naar Mongolië opnieuw gedetineerd te worden. Gezien de slechte situatie in de gevangenissen in Mongolië, met name in de politiecellen, en de houding van de autoriteiten ten opzichte van de gezondheidssituatie van eiseres gedurende haar detentie vóór haar komst naar Nederland, zal zij tijdens een nieuwe detentie geen adequate medische behandeling kunnen krijgen, waardoor zij zou komen te overlijden.

4. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres tijdens een eventuele detentie geen adequate medische behandeling zou kunnen krijgen, aangezien uit het relaas van eiseres is gebleken dat de autoriteiten tijdens haar eerdere detentie wel degelijk rekening hebben gehouden met haar medische situatie. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de ziekte van eiseres in het kader van een reguliere procedure beoordeeld dient te worden, gezien het in de Vw 2000 gemaakte strikte onderscheid tussen de asiel- en de reguliere procedure. Verweerder acht het dan ook niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Mongolië het reële risico loopt in een situatie terecht te komen die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998-1999, 27 732, nr. 3, p. 2, 37-38) is in de Vw 2000 een onderscheid gemaakt tussen de verblijfsvergunning asiel en de verblijfsvergunning regulier, teneinde te komen tot betere en snellere procedures en heeft de wetgever er voor gekozen om een eventueel beroep op artikel 3 van het EVRM slechts te beoordelen in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan deze vergunning worden verleend aan een vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde reden heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2002 (JV 2002, 71).

6. Uit het voorgaande volgt dat indien een vreemdeling de bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een reëel risico om aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM te worden onderworpen, hij daartoe een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 moet indienen. Hierbij is niet van belang of de door de vreemdeling gestelde problemen asielgerelateerd zijn. Dit blijkt ook niet uit de bewoordingen van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Eiseres heeft gesteld dat terugkeer naar Mongolië een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling zal opleveren en zij heeft daartoe een aanvraag ingediend als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Zoals reeds is overwogen heeft de wetgever er niet voor gekozen om artikel 3 van het EVRM eveneens te beoordelen in het kader van een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Derhalve dient verweerder het beroep van eiseres op schending van artikel 3 van het EVRM te beoordelen in het kader van de verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft dat in casu ook gedaan.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder noch de aannemelijkheid van het relaas noch de omstandigheid dat eiseres aan de door haar genoemde, mogelijk levensbedreigende, ziekte lijdt, betwist. Evenmin heeft verweerder gesteld dat een nieuwe detentie van eiseres niet aannemelijk is. Voorts is van belang dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 januari 2003 blijkt dat de situatie van gevangenen die zich onder voorarrest in politiecellen bevinden in heel Mongolië nog steeds slecht is. Gedetineerden zouden volgens het ambtsbericht door politie en bewakers worden geslagen en geschopt, onvoldoende te eten krijgen en soms worden verkracht. Gezien deze omstandigheden kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer er vanuit gaan dat de autoriteiten van Mongolië rekening zullen houden met de gezondheidstoestand van eiseres, of dat eiseres tijdens een eventuele detentie een adequate medische behandeling zal kunnen krijgen. Dat eiseres tijdens haar eerdere detentie op 16 maart 2003 naar het ziekenhuis is gebracht nadat zij buiten bewustzijn was geraakt, rechtvaardigt, mede gelet op voornoemd ambtsbericht, niet zonder meer de aanname van verweerder dat eiseres een adequate medische behandeling zal krijgen tijdens het verblijf in een politiecel. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat eiseres slechts tot 24 maart 2003 in het ziekenhuis mocht blijven van de autoriteiten, nadat de politie haar aanvankelijk in het geheel niet in het ziekenhuis wilde achterlaten ondanks de mededeling van haar behandelend arts dat eiseres niet gedetineerd mocht blijven omdat ze zich onder behandeling moest laten stellen.

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Mongolië het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dit klemt te meer nu namens eiseres verweerder meerdere malen is verzocht nader onderzoek te doen naar de medische situatie van eiseres en naar de vraag of eiseres gezien haar gezondheidstoestand langere tijd gedetineerd zou kunnen worden, onder de geschetste omstandigheden, zonder verder risico voor haar gezondheid. Het onderzoek dat verweerder op 22 april 2003 bij de medisch adviseur heeft ingesteld kan, gezien de vraagstelling die slechts was beperkt tot de uitzetting van eiseres en waarvan de beantwoording door de medisch adviseur nog beperkter was, niet als toereikend worden beschouwd. De rechtbank is dan ook gelet op al het vorenoverwogene van oordeel dat verweerder nader had moeten onderzoeken of eiseres in Mongolië een adequate medische behandeling zal kunnen krijgen tijdens een eventuele detentie.

8. Het beroep is derhalve gegrond wegens schending van het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 23 april 2003 voorzover dit betrekking heeft op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgrond;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2003 in tegenwoordigheid van mr. M. van der Linde als griffier.

de griffier de rechter

w.g. van der Linde w.g. Derksen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 16 mei 2003