Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9643

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/6039
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AL9034
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taalanalyse / onzorgvuldige besluitvorming / motiveringsgebrek.

Uit taalanalyse is gebleken dat eiser eenduidig niet afkomstig is uit Sudan. Eiser heeft de resultaten van de taalanalyse gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt dat, hoewel het laten uitvoeren van een taalanalyse als een goede en geoorloofde methode kan worden beschouwd in het kader van onderzoek naar de nationaliteit dan wel het land van herkomst van de vreemdeling, in concrete gevallen aanknopingspunten kunnen bestaan om aan de juistheid van de conclusie van de taalanalyse te twijfelen. Dat eiser geen contra-expertise heeft laten verrichten, betekent niet dat geen redenen aanwezig kunnen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de taalanalyse. De rechtbank acht dergelijke aanknopingspunten in het onderhavige geval aanwezig. Met betrekking tot de taalanalist die de taalanalyse heeft uitgevoerd is geen of te weinig achtergrondinformatie bekend om te kunnen vaststellen op basis waarvan hij tot bepaalde conclusies is gekomen. Aan de hand van hetgeen wel bekend is over de taalanalist kan niet worden afgeleid dat hij de deskundigheid bezit om bepaalde conclusies te kunnen trekken. Aangezien niet is gebleken dat de taalanalyse met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, heeft verweerder zich niet op basis van de taalanalyse zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser ongeloofwaardig zijn. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 02/6039

Datum uitspraak: 11 april 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1978,

van (gesteld) Sudanese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. E. Heykoop,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

gemachtigde mr. M.J. van der Pijl.

Het procesverloop

Bij besluit van 29 november 2001 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 november 1999 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 15 januari 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 december 2002. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Ter zitting zijn aan verweerder nadere vragen gesteld. Op 23 december 2002 heeft de rechtbank de schriftelijke beantwoording hierop van verweerder ontvangen. Op 3 februari 2003 heeft de rechtbank een schriftelijke reactie hierop van de gemachtigde van eiser ontvangen.

Bij brief van 5 maart 2003 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Partijen hebben bij brieven van respectievelijk 7 maart 2003 en 11 maart 2003 toestemming verleend tot het achterwege laten van een nadere behandeling ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende naar voren gebracht. Hij is afkomstig uit het dorp B in Sudan en behoort tot de bevolkingsgroep der Biti. In juni 1999 werd eiser, toen hij met zijn vader op het land aan het werk was, opgepakt door soldaten van de SPLA. Toen zijn vader probeerde te voorkomen dat eiser werd meegenomen, hebben de soldaten hem doodgeschoten. Na ongeveer drie maanden heeft eiser weten te ontsnappen met behulp van een jongen uit het kamp. Hierna heeft eiser zijn land verlaten.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat hij de gestelde identiteit en nationaliteit niet geloofwaardig acht. In het voornemen spreekt verweerder zijn twijfel uit aan de herkomst van de door eiser gesproken stamtaal Biti, omdat niet is gebleken dat er in Sudan een stamtaal voorkomt die Biti wordt genoemd. Het dorp B kan niet worden gelokaliseerd op een plattegrond van Sudan. De ligging van de door eiser genoemde plaatsen in de omgeving van het dorp B komt niet overeen met de feitelijke situatie. Op 19 september 2001 is de tweede taal van eiser onderzocht door middel van een taalanalyse, verricht door het Bureau Taalanalyse. Uit het rapport van de taalanalyse blijkt dat eiser eenduidig niet afkomstig is uit Sudan. Nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een contra-expertise te laten verrichten, wordt vastgehouden aan de conclusie van de taalanalyse.

4. Eiser betwist de resultaten van de taalanalyse. Het onderzoek is onvoldoende zorgvuldig geweest en kan niet ten grondslag worden gelegd aan de beschikking. Uit het rapport van de taalanalyse blijkt dat de taalanalist afkomstig is uit Sudan. Het is niet duidelijk uit welk gedeelte van Sudan de taalanalist afkomstig is. Een taalanalist die afkomstig is uit Noord-Sudan kan niet geacht worden deskundig te zijn met betrekking tot het Engels dat in het Zuiden wordt gesproken. Slechts een getrainde linguïst die constant zijn kennis over de betreffende regio bijhoudt kan een betrouwbare uitspraak doen over de (Engelse) taal die gesproken wordt in de regio in kwestie. Het is aan verweerder om aan te tonen dat de gebruikte taalanalist aan de kwaliteitseisen voldoet. Blijkens B.F. Grimes, “The ethnologue: Languages of the World” komt er een zeer kleine populatie Biti-sprekenden voor in het gebied tussen Maridi en Amadi alwaar eiser vandaan komt.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de orde is de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft zijn standpunt mede gebaseerd op de conclusie in het rapport van de taalanalyse van 19 september 2001.

6. Op grond van vaste jurisprudentie kan het laten uitvoeren van een taalanalyse als een goede en geoorloofde methode worden beschouwd in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit dan wel het land van herkomst van de vreemdeling. Dit laat onverlet dat in concrete gevallen aanknopingspunten kunnen bestaan om aan de juistheid van de conclusie van de taalanalyse te twijfelen. Dat eiser geen contra-expertise heeft laten verrichten, betekent niet dat geen redenen aanwezig kunnen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de taalanalyse. De rechtbank acht dergelijke aanknopingspunten in het onderhavige geval aanwezig.

7. In de eerste plaats ziet de rechtbank reden om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat van de verrichte taalanalyse, nu de conclusie van de analist mede is gebaseerd op de kennis die eiser heeft van zijn land van herkomst. In het rapport van de taalanalyse stelt de taalanalist dat eiser zeer beperkte informatie geeft over zijn omgeving. Uit het rapport valt slechts af te leiden dat eiser enkele vragen die betrekking hebben op de geografische kennis van Sudan niet heeft kunnen beantwoorden. Eiser heeft echter verklaard dat hij slechts vier jaar naar school is geweest en altijd thuis bleef bij zijn ouders. Deze omstandigheden kunnen een verklaring zijn voor een gebrekkige geografische kennis van het land van herkomst. Uit het rapport van de taalanalyse kan niet worden afgeleid dat hiermee rekening is gehouden.

8. Vervolgens dient in aanmerking genomen te worden dat verweerder er ten tijde van het verrichten van de taalanalyse niet mee bekend was dat Biti in Sudan gesproken wordt. Uit de bewoordingen van het rapport van taalanalyse kan worden opgemaakt, hetgeen door verweerder niet is bestreden, dat ook de analist ervan uitging dat een dergelijke taal of dialect niet bestaat. Nadat verweerder door eiser gewezen was op het bestaan van het Biti (blijkens informatie van de Ethnologue behoort het Biti-dialect tot de Morokodo-taal, die gesproken wordt in het gebied tussen Amadi en Maridi), heeft verweerder zijn standpunt gewijzigd in die zin dat hij het bestaan van het Biti niet langer heeft ontkend. Betwijfeld kan worden of verweerder zijn standpunt ten aanzien van de identiteit en nationaliteit van eiser onverminderd heeft kunnen blijven baseren op de (nadien niet gewijzigde) conclusies van het rapport van de taalanalyse.

9. Voorts zijn bij de rechtbank vragen gerezen met betrekking tot de deskundigheid van de taalanalist in kwestie. Derhalve zijn ter zitting nadere vragen gesteld aan verweerder met betrekking tot de deskundigheid van de taalanalist.

Om de rechtbank in staat te stellen te toetsen of de bestreden beslissing met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, mag van verweerder worden verwacht desgevraagd voldoende inzicht te geven in de achtergrond, opleiding en ervaring van de taalanalist in kwestie, zodat een indicatie wordt gegeven van zijn of haar deskundigheid.

10. Verweerder heeft bij brief van 23 december 2002 schriftelijk gereageerd op de vragen die door de rechtbank zijn gesteld. Hierbij heeft verweerder over de taalanalist vermeld dat hij geboren en getogen is in Sudan, meer dan vijfentwintig jaar in dit land heeft gewoond, een opleiding heeft op academisch niveau en beschikt over een goede algemene ontwikkeling ten aanzien van de talen, bevolkingsgroepen, geografie en recente geschiedenis van Sudan. Hieruit blijkt niet uit welk deel van Sudan de analist afkomstig is, hoe lang hij reeds buiten Sudan woont en of hij een taalkundige opleiding genoten heeft. Dit klemt te meer, nu evenmin bekend is wat de moedertaal van de analist is, terwijl het Beleidskader Taalanalisten in hoofdstuk 2.7 vermeldt dat personen die taalanalyses uitvoeren in een andere taal dan de moedertaal, voor deze taal een academische studie met goed resultaat dienen te hebben gevolgd.

De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot de taalanalist die de taalanalyse heeft uitgevoerd, geen of te weinig achtergrondinformatie bekend is om te kunnen vaststellen op basis waarvan de taalanalist tot bepaalde conclusies is gekomen. Aan de hand van hetgeen wel bekend is over de taalanalist kan niet worden afgeleid dat de taalanalist de deskundigheid bezit om bepaalde conclusies te kunnen trekken.

11. De taalanalyse is uitgevoerd door de taalanalist aangeduid als DIN1. In het rapport van de taalanalyse wordt over de taalanalist slechts vermeld dat hij afkomstig is uit Sudan en Engels en Dinka spreekt. In het rapport van taalanalyse concludeert DNI1 dat de uitspraak van eiser in het Engels hem plaatst in West-Afrika, en dat eiser mogelijk afkomstig is uit West-Afrika. In de brief van 23 december 2002 geeft verweerder aan op grond waarvan de analist deze conclusie kan trekken:

“De analist in kwestie, DIN1, is zeer ervaren in het verrichten van taalanalyses. Hij heeft inmiddels enige honderden analyses uitgevoerd. In een groot aantal van de betrokken zaken werd een tweede analyse verricht door een analist uit West-Afrika, waarbij eenduidig werd vastgesteld dat betrokkene afkomstig was uit West-Afrika, meestal uit Nigeria. Deze informatie is teruggekoppeld met DIN1, die op grond daarvan, en op grond van zijn ervaringen tijdens een langdurig verblijf in een OC, nu goed in staat is om iemand op grond van zijn tongval in het Engels te plaatsen in West-Afrika.”

Uit de omstandigheden dat DIN1 één en ander bij vorige analyses van een andere analist heeft vernomen en langdurig heeft verbleven in een OC, kan naar het oordeel van de rechtbank geenszins worden afgeleid dat DIN1 de deskundigheid bezit om vreemdelingen op grond van hun uitspraak te plaatsen in West-Afrika.

12. Zoals reeds in rechtsoverweging 8 is opgemerkt, is de taalanalist niet bekend met (het bestaan van) de taal Biti. Aan verweerder is derhalve gevraagd hoe de taalanalist kan concluderen dat eiser niet uit Sudan afkomstig is. Hierop heeft verweerder bij brief van 23 december 2002 geantwoord:

“Volgens Ethnologue wordt het Biti (dialect van het Morodoko) in Sudan gesproken door ca. 280 personen. Zoals op de opname te horen is heeft betrokkene echter geen actieve beheersing van het Biti: hij kent slechts enkele woorden die naar zijn zeggen tot het Biti behoren. Kennis van slechts enkele woorden is niet voldoende als onderbouwing van een beweerde herkomst. Dit is op zich geen controversiële vaststelling, en het feit dat de analist nog nooit van het obscure Biti heeft gehoord is daarbij niet relevant.

De analist kan concluderen dat betrokkene eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Sudan op grond van het feit dat betrokkene duidelijk geen actieve beheersing heeft, zelfs niet op een basisniveau, van enige taal die in Sudan in het dagelijks leven gangbaar is. Betrokkene heeft geen actieve beheersing van het Biti, noch van enige ander inheemse taal die gangbaar is in de regio waar hij vandaan zegt te komen. Het Engels is, anders dan veel pseudo’s met een gestelde herkomst uit Sudan lijken te denken, nergens in Sudan gangbaar als voertaal in het dagelijks leven.”

De rechtbank leidt hieruit af dat de taalanalist volgens verweerder heeft gesteld dat eiser niet uit Sudan afkomstig is, omdat hij de gestelde moedertaal Biti niet actief beheerst, noch enige andere taal die in Sudan in het dagelijks leven gangbaar is, zelfs niet op een basisniveau.

De rechtbank is van oordeel dat de stelling dat eiser het Biti niet actief beheerst, op geen enkele wijze is te lezen in of valt op te maken uit het rapport van de taalanalyse. Integendeel, uit het rapport blijkt dat tijdens de opname die voor de analyse is gebruikt, eiser desgevraagd woorden in het Biti heeft gebruikt. Niet is gebleken dat eiser niet in staat was bepaalde woorden in het Biti te zeggen. Aan de stelling dat eiser de taal Biti niet zou beheersen wordt dan ook geen waarde gehecht.

Ook de stelling dat eiser niet te herleiden is tot Sudan omdat hij geen enkele taal beheerst die in Sudan in het dagelijks leven gangbaar is, is op geen enkele wijze neergelegd in het rapport van de taalanalyse, zodat niet aannemelijk is dat de taalanalist zijn conclusie op een dergelijke omstandigheid heeft gebaseerd. Bovendien volgt de rechtbank de stelling niet. Gelet op het bovenstaande dient er vooralsnog van te worden uitgegaan dat eiser het Biti beheerst. De stelling dat het Engels, eisers tweede taal, nergens in Sudan gangbaar zou zijn als voertaal stemt niet overeen met informatie die de rechtbank ambtshalve bekend is. Weliswaar stelt verweerder in de brief van 23 december 2002 dat blijkens paragraaf 2.1.1 van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 september 2002 het Juba-Arabisch in het Zuiden van Sudan de functie van inter-etnische voertaal vervult, en dat het Engels nergens in Sudan wordt gebruikt als voertaal in het dagelijks leven. Echter, deze informatie stemt niet overeen met hetgeen over Zuid-Sudan wordt vermeld in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart 2001:

“De bewoners van dit deel van Sudan gebruiken, naast lokale stamtalen en het Arabisch (…) het Engels als voertaal. Door een beperking van de scholingsmogelijkheden is het gebruik van het Engels en het noordelijke standaard Arabisch sedert 1983 (…) afgenomen.”

Tussen het uitbrengen van de ambtsberichten is slechts een periode van anderhalf jaar gelegen. Nu geen verklaring is gegeven voor het essentiële verschil op het punt van het gebruik van het Engels in Sudan, is de rechtbank van oordeel dat aan het later uitgekomen ambtsbericht geen doorslaggevende waarde kan worden gehecht en er niet van kan worden uitgegaan dat nergens in Sudan het Engels voorkomt als voertaal.

13. Tenslotte heeft verweerder, eveneens in de brief van 23 december 2002, aangegeven dat de analist vaak landgenoten Engels heeft horen spreken en derhalve op grond van zijn ervaring en taalgevoel in staat is te horen of er op de opname Engels wordt gesproken door iemand uit Sudan of niet. Dit is volgens verweerder te vergelijken met een Nederlander die in staat is aan iemands Engels te horen of iemand afkomstig is uit Nederland of bijvoorbeeld Frankrijk.

Nog afgezien van de vraag of er een vergelijking tussen deze talen en verschillen in uitspraak en taalgebruik te maken is, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke algemene ervaring volstrekt ontoereikend is om te kunnen uitgaan van de deskundigheid van de taalanalist en de betrouwbaarheid van zijn conclusies in deze. Dit klemt te meer nu in Sudan volgens de Ethnologue 134 talen gesproken worden de taalanalist de moedertaal van eiser niet machtig is.

Gelet op bovenstaande twijfelt de rechtbank aan de deskundigheid van de taalanalist om, ondanks dat hij niet bekend is met de moedertaal van eiser, aan de hand van het gebruik van de tweede taal door eiser te beoordelen of hij uit Sudan afkomstig is.

14. Aangezien niet is gebleken dat de taalanalyse met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, heeft verweerder zich niet op basis van het resultaat van de taalanalyse in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde identiteit en nationaliteit van eiseres ongeloofwaardig zijn.

15. Verweerder heeft zijn twijfel aan de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser tevens gebaseerd op het gegeven dat het door eiser genoemde dorp B niet kan worden gelokaliseerd op een plattegrond van Sudan en dat de door eiser genoemde plaatsen in de omgeving van B hiertoe geen aanknopingspunten bieden, nu de ligging die eiser heeft aangegeven van deze plaatsen niet overeenstemt met de feitelijke situatie. Ten eerste overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat B een klein dorpje is. Voorts blijkt uit het rapport van het eerste gehoor dat de contactambtenaar aan eiser heeft gevraagd een kaartje te maken met daarop zijn woonplaats B en de omliggende plaatsen. Hierop heeft eiser te kennen gegeven dat hij het niet goed kan aangeven op papier. De omstandigheden dat eiser slechts vier jaar naar school is geweest en altijd thuis bleef bij zijn ouders, kunnen een verklaring zijn voor een gebrekkige geografische kennis. Eiser heeft desgevraagd toch geprobeerd een kaartje te tekenen van de plaatsen in de omgeving van zijn woonplaats. Dat de ligging van deze plaatsen niet geheel overeenkomt met de feitelijke situatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde identiteit en nationaliteit. Bovendien heeft eiser verklaard dat zijn woonplaats B is gelegen tussen de plaatsen Amadi en Maridi. Dit sluit aan bij de informatie van de Ethnologue, dat het Biti-dialect behoort tot de Morokodo-taal, die gesproken wordt in het gebied tussen Amadi en Maridi.

16. Gelet hierop en op de in de rechtsoverwegingen 7 tot en met 13 genoemde aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de conclusies van de taalanalyse, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt had mogen stellen dat geen geloof dient te worden gehecht aan de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser.

17. Het beroep is derhalve gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 3.46 van de Awb) en het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 29 november 2001 geheel;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Lely - van Goch en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2003 in tegenwoordigheid van J. van de Meerakker als griffier.

de griffier de rechter

Verzonden op 11 april 2003