Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9606

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 01/50112
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak / driejarenbeleid.

Met betrekking tot de thans gewijzigde situatie in Irak merkt de rechtbank op dat verweerder in verband met de onzekerheid over de situatie in Noord-Irak een besluitmoratorium tot 1 juli 2003 heeft ingesteld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding de gewijzigde situatie in Noord-Irak op grond van artikel 83 Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

Met betrekking tot het beroep op het driejarenbeleid overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit geen overweging bevat over de vraag of eiser op grond van dit beleid in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning. Ook het dictum van dit besluit bevat hierover geen beslissing. Ingevolge artikel 3.6, aanhef en onder b, Vb 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ambtshalve worden verleend onder de beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag. Gelet op de Afdelingsjurisprudentie inzake de verhouding tussen de verblijfsvergunning asiel en de verblijfsvergunning amv, zijnde een vergunning die eveneens ambtshalve krachtens artikel 3.6 Vb 2000 kan worden verleend, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen besluit bevat dat strekt tot weigering van een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid in asielzaken. De door eiser voorgedragen grond ziet derhalve niet op een geschil dat valt binnen de omvang van het geding. De rechtbank kan deze grond deswege niet in haar beoordeling betrekken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr : AWB 01/50112 OVERIO

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. P. Scholtes, advocaat te Den Haag,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1975 en de Iraakse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sedert 3 oktober 1997 als vreemdeling in Nederland. Op 3 oktober 1997 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Hierop is door verweerder op 19 november 1998 afwijzend beslist. Wel is in deze beschikking aan eiser met ingang van 3 oktober 1997 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, geldig tot 3 oktober 1998, onder gelijktijdige verlenging tot 3 oktober 1999. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij beslissing van 2 december 1999 is de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verleende vvtv niet ingewilligd. Op 27 december 1999 heeft eiser hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft bij besluit van 5 september 2001 beide bezwaarschriften ongegrond verklaard.

2. Op 2 oktober 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 januari 2003. Eiser en zijn gemachtigde zijn aldaar, met bericht van de gemachtigde, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft bij beslissing van 3 februari 2003 het onderzoek heropend en de zaak, voorzover betrekking hebbend op het beroep van eiser op het zogenoemde driejarenbeleid, verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

4. Verweerder heeft op 20 maart 2003 een nader verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 25 maart 2003 een aanvullend beroepschrift ingediend.

5. De voorzetting van de openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van de meervoudige kamer van 1 april 2003.

Eiser is aldaar verschenen bij mr. P.C.M. van Schijndel, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000), Stb. 2000, 495.

Nu het bestreden besluit is bekend gemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende recht van toepassing.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag -voor zover van belang en samengevat- het navolgende aangevoerd.

Eiser, afkomstig uit Duhok, stelt sinds 4 februari 1996 lid van de Kurdistan Patriotic Salvation Movement (KPSM) te zijn geweest. Eiser behoorde tot een cel bestaande uit vier man van deze geheime ondergrondse organisatie. De organisatie had kritiek op de verdeeldheid onder de Koerden, ook hadden zij kritiek op de Ba’ath-partij. Eiser verspreidde pamfletten en kranten in Duhok. Eiser ontving de kranten en pamfletten van een celgenoot, genaamd B. Op 11 juni 1997 werd eiser in zijn winkel in Duhok opgebeld door iemand uit de organisatie die hem vertelde dat B was opgepakt door de KDP. Eiser werd gezegd dat hij zich in veiligheid moest brengen. Eiser is daarop gevlucht. Toen eiser ondergedoken zat in Zakho heeft hij gehoord dat er door de KDP een arrestatie- of opsporingsbevel tegen hem was uitgevaardigd en dat zijn winkel inbeslaggenomen was.

In beroep heeft eiser het navolgende aangevoerd. Eiser stelt dat zijn eigen observaties en de mededelingen van de KPSM serieus genomen dienen te worden. Eiser stelt dat de Koerdische overheid op de hoogte was geraakt van zijn lidmaatschap van en activiteiten voor de KPSM. Omdat de KPSM zowel kritiek op partijen als de KDP en de PUK als op de Ba’ath-partij leverde, behoort eiser tot een van de risicogroepen in Noord-Irak. Of de activiteiten van eiser al dan niet aangemerkt kunnen worden als marginaal is, aldus eiser, niet van belang, omdat eiser in de ogen van de KDP en PUK blijft behoren tot een oppositiepartij. Eiser stelt daarbij dat er een reëel risico bestaat dat hij bij terugkeer naar (Noord-)Irak zal worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling als bedoeld in art. 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte zijn vvtv niet heeft verlengd.

Tenslotte stelt eiser dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde driejarenbeleid nu er sprake is van meer dan drie jaar relevant tijdsverloop.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt. Met betrekking tot eisers beroep op het driejarenbeleid heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van deze beroepsgrond, nu het bestreden besluit geen ambtshalve weigering bevat aan eiser een verblijfsvergunning, op grond van het tijdverloop in de asielprocedure te verlenen. Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat de periode vanaf 3 oktober 1997 tot 30 november 1998 niet wordt aangemerkt als relevant tijdsverloop omdat eiser in die periode op grond van artikel 8 Vw 2000 rechtmatig verblijf heeft gehad.

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, b, en c, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, ten tijde van het bestreden besluit, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag had.

Terecht stelt verweerder dat eisers stelling dat hij als lid van KPSM te vrezen had voor vervolging van de zijde van de KDP op geen enkele wijze is geconcretiseerd. Eiser stelt daartoe slechts dat hij werd opgebeld door een onbekend gebleven persoon, die hem vertelde dat één van de leden van eisers cel was opgepakt en dat ook hij gevaar liep. Eisers vrees is derhalve slechts gebaseerd op vermoedens en van horen zeggen. Daarbij komt dat verweerder op goede gronden stelt dat, gelet op de marginale activiteiten - eiser heeft slechts gedurende een korte periode pamfletten en kranten helpen verspreiden - niet valt in te zien waarom eiser in de negatieve belangstelling van de KDP zou staan.

Gelet hierop komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw 2000.

9. Gelet op de vorige rechtsoverweging heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt kunnen stellen dat eiser evenmin aan artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning kon ontlenen. Niet aannemelijk is geworden dat eiser bij gedwongen terugkeer naar (Noord) Irak een reëel risico liep te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Verweerder heeft zich daarbij op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eiser zich desgewenst kon onttrekken aan de invloed van de KDP door zich elders in het door Koerden beheerste deel van Irak te vestigen.

De eerst in beroep ingenomen stelling dat eiser ook van de PUK te vrezen had, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en maakt dit niet anders.

Derhalve dreigde bij uitzetting geen schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

10. Met betrekking tot de thans gewijzigde situatie in Irak merkt de rechtbank op dat verweerder in verband met de onzekerheid over de situatie in Noord-Irak een besluitmoratorium tot 1 juli 2003 heeft ingesteld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding de gewijzigde situatie in (Noord-)Irak op grond van artikel 83 Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

11. Evenmin is gebleken dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook aan de overige gronden van artikel 29 Vw 2000 niet is voldaan. Eiser heeft de niet inwilliging van zijn aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vvtv niet gemotiveerd bestreden, zodat het bestreden besluit ook op dit punt in stand kan blijven.

12. Met betrekking tot het beroep op het driejarenbeleid overweegt de rechtbank het volgende. Het bestreden besluit van 5 september 2001 bevat geen overweging over de vraag of eiser op grond van dit beleid in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning. Ook het dictum van dit besluit bevat hierover geen beslissing. Ingevolge artikel 3.6, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 ambtshalve worden verleend onder de beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de verhouding tussen de verblijfsvergunning asiel en de verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling – zie onder meer de uitspraken van 15 februari 2002 (JV 2002, 101) en 18 april 2002 (JV 2002, 200) – welke vergunning eveneens ambtshalve krachtens artikel 3.6 Vb 2000 kan worden verleend, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen besluit bevat dat strekt tot weigering van een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid in asielzaken. De door eiser voorgedragen grond ziet derhalve niet op een geschil dat valt binnen de omvang van het geding. De rechtbank kan deze grond deswege niet in haar beoordeling betrekken.

13. Het beroep is ongegrond.

14. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mrs E. Dijt, M.C.J.A. Huijgens en L.P. Bosma en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2003, in tegenwoordigheid van P.C. Stroebel, griffier.

afschrift verzonden op: