Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9507

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/92434, 02/92433
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AH9082
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang / beëindiging verstrekkingen.

Verweerder heeft niet in redelijkheid kunnen besluiten het standpunt van de IND te volgen dat eiseressen niet voldoen aan het in het Stappenplan III neergelegde meewerkcriterium. Daartoe is van belang dat de in dit standpunt vervatte vooronderstelling dat van Somaliërs in het algemeen kan worden gevergd te voldoen aan dit criterium geen stand kan houden, zodat verweerder deze vooronderstelling niet mocht overnemen. Het staat namelijk vast dat Somaliërs niet kunnen beschikken over documenten die zijn afgegeven door daartoe bevoegde autoriteiten. Deze vaststelling blijkt ook uit TBV 2002/18. Verweerder wordt niet gevolgd in het standpunt dat onder meewerken ook dient te worden verstaan het verkrijgen van reisdocumenten die zijn afgegeven door niet bevoegde autoriteiten. Daarbij is van belang dat het Stappenplan III uitgaat van documenten afgegeven door daartoe bevoegde autoriteiten. De rechtbank verwijst naar de uitspraak 200204119/1 van de ABRS van 30 september 2002, waarin is overwogen dat het van belang is of de vreemdeling zich dusdanig heeft ingespannen dat met vrucht aan de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst afgifte van een reisdocument kon worden verzocht en dat verweerder ter zitting niet kon aangeven welke niet bevoegde autoriteiten om reisdocumenten kan worden verzocht waarmee terugkeer naar Somalië daadwerkelijk mogelijk is. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:70 en artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 3a Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (Wet COA)

reg.nr: AWB 02/92434 COA (beroep)

AWB 02/92433 COA (voorlopige voorziening)

inzake: 1. A, geboren op [...] 1962,

mede ten behoeve van haar minderjarige dochter B, geboren op [...] 1987,

en

2. C, geboren op [...] 1983,

allen van Somalische nationaliteit, wonende te D, eiseressen/verzoeksters, hierna: eiseressen

gemachtigde: mr. V. Kuit, advocaat te Amsterdam,

tegen: Het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verweerder,

gevestigd te Rijswijk,

gemachtigden: mr. E.W. van Blommestein en mr. G. Turksema.

I. Procesverloop

1. Bij beschikkingen van 22 november 2002 heeft verweerder ten aanzien van eiseressen de verstrekkingen in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (hierna: Rva 1997) met onmiddellijke ingang beëindigd. Verweerder heeft bepaald dat indien beroep wordt ingesteld dit de werking van de besluiten niet zal schorsen.

2. Bij gemotiveerd beroepschrift van 11 december 2002 hebben eiseressen tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn nader aangevuld bij brieven van 2 januari 2003 en 7 januari 2003. Tevens is op 11 december 2002 door eiseressen verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt de werking van de bestreden besluiten te schorsen totdat is beslist op het beroep. In het verweerschrift van 6 januari 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2003. Eiseressen zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigden.

II. Standpunten

1. Verweerder stelt dat de verstrekkingen in het kader van de Rva 1997 terecht zijn beëindigd nu eiseressen geen recht meer hebben op verstrekkingen, en er ook niet op basis van het Stappenplan III tot voortzetting van de verstrekkingen kan worden besloten. Voor deze voortzetting is nodig dat eiseressen voldoen aan het zogenoemde meewerkcriterium uit dit Stappenplan, en eiseressen voldoen hieraan niet.

Verweerder heeft de vaststelling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 1 november 2002, dat eiseressen niet aan het meewerkcriterium voldoen nu zij onvoldoende activiteiten hebben ondernomen om aan een reisdocument te komen, marginaal getoetst en vervolgens overgenomen als grondslag voor de beëindigingbesluiten.

Verweerder stelt dat (ook) van Somalische vreemdelingen kan worden verlangd dat zij zich inspannen teneinde mee te werken aan terugkeer naar Somalië. Feitelijke terugkeer naar Somalië is niet onmogelijk. Nu Somalië geen internationaal erkende regering heeft kunnen eiseressen niet in het bezit komen van reisdocumenten die zijn afgegeven door daartoe bevoegde instanties, maar van hen kan worden verlangd dat zij activiteiten verrichten met het oog op het verkrijgen van reisdocumenten die zijn verstrekt door daartoe niet bevoegde instanties.

2. Eiseressen stellen dat de verstrekkingen in het kader van de Rva 1997 ten onrechte zijn beëindigd nu op basis van het Stappenplan III moet worden geoordeeld dat niet tot beëindiging kan worden besloten. Primair stellen eiseressen daartoe dat Somaliërs per definitie voldoen aan het meewerkcriterium, nu er geen bevoegde Somalische autoriteiten zijn die reisdocumenten kunnen afgeven. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 23 juli 2002 (2002/291 KG) en Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/18 (Stcrt. 2002, 107).

Subsidiair stellen eiseressen dat zij genoegzaam meewerken aan hun terugkeer naar Somalië, nu zij activiteiten hebben ondernomen gericht op het verkrijgen van documenten.

III. Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet COA is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA kan de Minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3 Wet COA. De Rva 1997 strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COA. Bij de beoordeling of de verstrekkingen aan een uitgeprocedeerde asielzoeker worden voortgezet, wordt het "herzien stappenplan beëindigen opvangvoorzieningen ongedocumenteerde asielzoekers " gevolgd (Stcrt. 1999, nr. 53, p. 24), thans vervangen door de " herziene werkwijze voor stappenplan III " (Stcrt. 8 juli 2002, nr. 127, p. 7). Volgens laatstgenoemd plan worden verstrekkingen beëindigd, indien geconstateerd wordt dat de vreemdeling geen medewerking verleent aan terugkeer of vertrek naar het land van herkomst of een ander land waar de toelating gewaarborgd is.

2. Thans is aan de orde de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten het standpunt van de IND, dat eiseressen niet voldoen aan het in het Stappenplan III neergelegde meewerkcriterium, te volgen.

3. Daartoe dient eerst te worden vastgesteld of verweerder de in dit standpunt vervatte vooronderstelling dat van Somaliërs in het algemeen kan worden gevergd te voldoen aan dit criterium, mocht overnemen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat niet in redelijkheid kon menen, nu vaststaat dat Somaliërs niet kunnen beschikken over documenten afgegeven door daartoe bevoegde autoriteiten. Deze feitelijke vaststelling is overigens ook reeds neergelegd in TBV 2002/18, waarin onder meer is opgemerkt dat "... ten aanzien van onderdanen van Somalië (wordt) in het algemeen gesteld dat zij geacht worden te hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding....".

Het standpunt van verweerder dat onder meewerken aan terugkeer naar het land van herkomst ook valt het (verrichten van activiteiten gericht op het) verkrijgen van reisdocumenten "die zijn afgegeven door niet bevoegde autoriteiten" wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat het Stappenplan III uitgaat van documenten afkomstig van bevoegde autoriteiten en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 30 september 2002 (nr. 200204119/1) heeft overwogen dat het van belang is "of de vreemdeling zich zodanig heeft ingespannen om documenten te verkrijgen, dat met vrucht aan de diplomatieke vertegenwoordiging van zijn land van herkomst afgifte van een reisdocument kon worden verzocht". Voorts is van belang dat verweerder niet heeft aangegeven welke niet bevoegde autoriteiten reisdocumenten zouden kunnen afgeven waarmee daadwerkelijk naar Somalië kan worden teruggekeerd.

Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder reeds op deze grond niet in redelijkheid heeft kunnen stellen dat eiseressen niet voldoen aan het meewerkcriterium.

4. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook op basis van de door eiseressen verrichte inspanningen zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseressen niet aan het meewerkcriterium hebben voldaan, nu eiseressen vóór de bestreden besluiten meerdere pogingen hebben ondernomen om reisdocumenten te verkrijgen. Het meewerkcriterium behelst volgens het Stappenplan III en eveneens volgens verweerder een inspanningsverplichting. Nu ook verweerder niet kan aangeven welke activiteiten nog van eiseressen mochten worden verwacht kon niet in redelijkheid op basis van het uitblijven van resultaten tot het oordeel worden gekomen dat onvoldoende medewerking werd verleend.

5. Op grond van het vorenstaande heeft verweerder derhalve niet in redelijkheid kunnen besluiten de verstrekkingen in het kader van de Rva 1997 te beëindigen. Gelet hierop komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 en artikel 3:2 Awb.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

6. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

7. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseressen in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 966 ,-- (1 punt voor het beroep, 1 punt voor de indiening van de voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) als kosten van verleende rechtsbijstand.

IV. BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- (zegge zeshonderd vier en veertig euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

De voorzieningenrechter:

1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- (zegge driehonderd twee en twintig euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003, door mr. M. Lolkema, lid van de enkelvoudige kamer, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. E.M. de Buur, griffier.

Afschrift verzonden op: 24 januari 2003

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open - voorzover het de uitspraak op het beroep betreft - bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag). Ingevolge artikel 69, eerste lid, Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.