Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9280

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/11475
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AO9221
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sudan / Nuba / identiteit.

Eiser is afkomstig uit Sudan en stelt onder meer in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder d, Vw 2000. Verweerder heeft dit afgewezen, omdat eiser geen reis- of identiteitspapieren zou hebben overgelegd. Eiser heeft een geboorteakte overgelegd. De Kmar heeft in een proces-verbaal gesteld dat niet kan worden vastgesteld of dit document echt is en dat de identiteit noch de nationaliteit van de aanbieder dan wel houder middels dit document kan worden vastgesteld. Het document is niet vertaald en verweerder heeft geen ander onderzoek uitgevoerd dan dat door de Kmar is verricht, omdat de geboorteakte geen pasfoto bevatte. Gelet op hoofdstuk C1/5.8.2 Vc 2000 vormde de geboorteakte geen onderbouwing voor identiteit en nationaliteit van eiser. Deze motivering is niet toereikend. De beleidsregel in hoofdstuk C1/5.8.2 Vc 2000 neemt, gelet op zijn vergaande consequenties ten aanzien van de verdeling van de bewijslast in asielzaken, niet weg dat van verweerder uit het oogpunt van zorgvuldigheid mag worden verlangd dat verweerder zich een oordeel vormt over de betekenis van door de asielzoeker meegenomen documenten. Voorts is niet gebleken dat van de geboorteakte op voorhand kan worden gezegd dat die voor een oordeel omtrent eisers identiteit, nationaliteit en etniciteit van geen enkel belang kan zijn. Verweerder had niet op de door hem gebruikte gronden eisers etniciteit ongeloofwaardig mogen achten. Daarbij is mede van belang dat onder meer uit ambtsberichten is af te leiden dat de sociale en culturele identiteit van de Nuba-stammen als gevolg van de Sudanese regeringspolitiek al zeer lang aan uitholling blootstaat. Nu eiser voorts heeft aangegeven de Nuba-taal wel te begrijpen en uit het rapport van nader gehoor ook overigens niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser over zijn gestelde leefomgeving te weinig kan verklaren, had de zorgvuldigheid verweerder ertoe moeten brengen eiser bijvoorbeeld aan een taalanalyse te onderwerpen alvorens de door eiser gestelde etniciteit voor ongeloofwaardig te houden. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/11475 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1975, van Soedanese nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. R. Menschaert, advocaat te Den Haag,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Mearadji, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 10 oktober 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 16 januari 2002 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 23 januari 2002 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 29 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 6 februari 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn op diezelfde datum ingediend en aangevuld bij brieven van 1 en 22 juli 2002. Op 12 juni 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 23 december 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brieven van 23 januari 2003 en 10 maart 2003 heeft eiser zijn standpunt nog nader onderbouwd.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2003. Met voorafgaand bericht is eiser noch zijn gemachtigde ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Hij heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.

1.1 Eiser behoort tot de bevolkingsgroep van de Heban, een van de Nuba-bevolkingsgroepen. Hij was handelaar in landbouwproducten. Hij is in 1997, toen hij nog op school in C zat, lid geworden van een in het geheim opererende bevrijdingsbeweging van de Nuba, genaamd “D”. Hij maakte aanvankelijk deel uit van een cel van vijf personen, na zijn schooltijd van een cel van tien personen. De cel had als taak het werven van nieuwe leden voor de bevrijdingsbeweging en het rapporteren van niet normale situaties.

Op 15 augustus 2001 heeft een van de celleden, een kennelijke spion van de Soedanese autoriteiten, de cel verraden. Alle leden van de cel, waaronder eiser, zijn begin september opgepakt. Eiser is in E, op de markt, gearresteerd. Eiser werd tijdens zijn detentie mishandeld, maar kon na drie dagen ontsnappen. Na een periode bij een bekende te hebben verbleven - eiser ging niet naar zijn familie, omdat de veiligheidsdienst naar hem op zoek was - is hij op 15 september 2001 via het vliegveld van Khartoum uit Soedan vertrokken.

1.2 In beroep heeft eiser aangevoerd dat het ontbreken van identiteits- en nationaliteitsdocumenten hem niet kan worden toegerekend. Het is een feit van algemene bekendheid dat reisagenten gebruik maken van valse papieren en dat vluchtelingen hun eigen documenten niet mogen meenemen. Eiser heeft zijn geboorteakte meegenomen. Eiser heeft voorts zijn identiteit en nationaliteit later verder kunnen onderbouwen. In beroep is een kopie en een vertaling van zijn - van een foto voorziene - nationaliteitsverklaring overgelegd.

1.3 Voorts heeft verweerder onvoldoende onderkend dat de omstandigheid dat eiser de Nuba-taal niet spreekt, te wijten is aan het feit dat hij naar een Arabische school is geweest, waar in het Arabisch werd onderwezen. Uit het in beroep overgelegde artikel The Nuba Mountains: Who Spoke What in 1976? door Hermann Bell blijkt dat 90 tot 98 procent van de bevolking in het gebied waar eiser vandaan komt Arabisch spreekt.

1.4 Eiser heeft verder geen tegenstrijdigheden over de bevrijdingsbeweging verteld. Het is niet bevreemdend dat eiser tegelijkertijd cellid en zelfstandig lid van de beweging was. Ook is het niet innerlijk tegenstrijdig dat de beweging, hoewel binnen de school algemeen bekend, toch geheim was.

Dat eiser voor vervolging te vrezen heeft blijkt ook uit twee in beroep overgelegde verklaringen van de in Egypte gevestigde afdeling van 'The New Sudan - Sudans People's Liberation Movement'.

1.5 Eiser doet ten slotte een beroep op het zogenaamde vvtv-beleid en het uitstel-van-vertrek-beleid.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers asielaanvraag moet worden afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw 2000.

2.1 Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit vast te kunnen stellen. De verklaring van eiser dat zijn reisagent had gezegd geen documenten mee te nemen, moet van de hand worden gewezen, nu eiser de reisagent eerst in Khartoum heeft ontmoet. Bovendien valt niet in te zien waarom eiser wel een geboorteakte heeft meegenomen, maar zijn nationaliteitsverklaring thuis heeft achtergelaten. Eisers verklaring niet in de gelegenheid te zijn geweest zijn nationaliteitsdocument thuis op te halen, kan niet worden gevolgd, nu eiser voor zijn vertrek uit Soedan nog wel thuis is geweest om afscheid te nemen van zijn familie. Verder wordt, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart 2001, niet aannemelijk geacht dat eiser nooit in het bezit is geweest van een identiteitskaart.

Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C1/5.8.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) dient een identiteitsbewijs een officieel door de overheid afgegeven document te zijn met daarin tenminste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling. Op eisers geboorteakte, overgelegd tijdens het eerste gehoor, is evenwel geen foto aangebracht.

Verder valt niet in te zien waarom de nationaliteitsverklaring eerst in beroep is overgelegd. Het document dateert van 4 oktober 1989 en had dus eerder ingebracht kunnen worden. Bovendien is het een kopie, zodat de echtheid van het document niet vastgesteld kan worden.

Gelet hierop is de oprechtheid van eisers asielaanvraag op voorhand aangetast en is er afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.

2.2 Mede gelet op het vorenstaande wordt geen geloof gehecht aan de door eiser gestelde identiteit en etniciteit. Eiser heeft onjuiste en incomplete antwoorden gegeven op essentiële vragen over de Nuba en kan niets in zijn gestelde moedertaal zeggen. Dat eiser in het Arabisch onderwijs kreeg, neemt niet weg dat hij voor die tijd van zijn Nobeh sprekende ouders de taal geleerd moet hebben.

2.3 Daarnaast zijn eisers verklaringen over zijn lidmaatschap van de bevrijdingsbeweging van de Nuba niet geloofwaardig. Eiser kan geen nadere informatie over de beweging geven, hoewel hij sinds 1997 lid is, en weet niet uit te leggen wat er met de door hem verzamelde informatie gebeurde of hoe iemand lid werd van de beweging. Bovendien heeft eiser tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn gestelde detentie. Ten slotte is het niet geloofwaardig dat eiser op eenvoudige wijze heeft kunnen ontsnappen uit de gevangenis.

2.4 Het voorgaande maakt het dan ook niet aannemelijk dat eiser verdragsvluchteling is of gegronde reden heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan van eiser niet kan worden verlangd terug te keren, is evenmin gebleken. Nu, zoals hiervoor is geconcludeerd, niet geloofwaardig is dat eiser de door hem gestelde identiteit en etniciteit heeft, kan een beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 evenmin slagen.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover in geschil - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

[…]

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar;

[…].

4.1 Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

4.2 Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

5. In paragraaf C8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is - voor zover thans van belang - neergelegd dat asielzoekers uit Soedan behoudens contra-indicaties in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 als zij behoren tot een van de Nuba-bevolkingsgroepen.

6. In paragraaf C1/5.1 van de Vc 2000 is neergelegd dat bij de beoordeling of een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 moet worden verleend, niet in de eerste plaats wordt gekeken of de verklaringen van de asielzoeker die de inhoud van het asielrelaas betreffen, geloofwaardig zijn. Het gaat in beginsel immers, aldus het beleid, om de vraag of de asielzoeker behoort tot een categorie die in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op de voormelde grond. Vanzelfsprekend moeten de identiteits- en nationaliteitsgegevens wel buiten twijfel staan.

7. Ter beantwoording ligt allereerst de vraag voor of verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 geen rechtsgrond voor verlening vormt. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

8. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval niet gezegd kan worden dat eisers asielrelaas, wat daar overigens van zij, dermate zwaarwegend is dat aannemelijk moet worden geacht dat hij als verdragsvluchteling moet worden aangemerkt of dat aannemelijk is dat hij bij uitzetting te vrezen heeft voor een behandeling contrair aan artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe is met name van belang dat eiser heeft verklaard dat hij na zijn arrestatie niet op enigerlei wijze is geregistreerd.

9. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 geen rechtsgrond voor verlening kan vormen.

10. Verweerders standpunt in deze is gestoeld op de conclusie dat eiser niet over de door hem gestelde identiteit en nationaliteit beschikt en niet tot een van de Nuba-bevolkingsgroepen behoort. Verweerder komt onder meer tot die conclusie omdat eiser ter staving van zijn aanvraag - onverschoonbaar - geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft kunnen overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.

11. De rechtbank stelt vast dat eiser blijkens het rapport van eerste gehoor van 10 oktober 2001 een geboorteakte heeft overgelegd. In een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2001, opgesteld door de Koninklijke Marechaussee, wordt gerelateerd dat niet kan worden vastgesteld of dit document echt is en dat de identiteit noch de nationaliteit van de aanbieder dan wel houder middels dit document kan worden vastgesteld. Vastgesteld moet worden dat het document niet vertaald is en dat verweerder evenmin enig ander onderzoek met betrekking tot dit document heeft verricht dan dat welke door de Koninklijke Marechaussee is uitgevoerd. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat dit niet is gedaan, omdat de geboorteakte geen pasfoto van eiser bevatte, en om die reden, gelet op het beleid in paragraaf C1/5.8.2 van de Vc 2000, de identiteit en nationaliteit van eiser niet kon onderbouwen. Deze motivering kan niet toereikend worden geacht. De in paragraaf C1/5.8.2 van de Vc 2000 neergelegde beleidsregel neemt, gelet op zijn vergaande consequenties ten aanzien van de verdeling van de bewijslast in asielzaken, niet weg dat van verweerder uit het oogpunt van zorgvuldigheid mag worden verlangd dat verweerder zich een oordeel vormt over de betekenis van door de asielzoeker meegenomen documenten. Voorts is niet gebleken dat van de geboorteakte op voorhand kan worden gezegd dat die voor een oordeel omtrent eisers identiteit, nationaliteit en etniciteit van geen enkel belang kan zijn.

Verder blijkt uit het rapport van nader gehoor d.d. 21 november 2001 dat eiser desgevraagd heeft verklaard te zullen proberen een nationaliteitsverklaring te verkrijgen. Niet gebleken is dat verweerder voor het nemen van het bestreden besluit op 29 januari 2002 geïnformeerd heeft of de pogingen van eiser tot resultaat hadden geleid.

12. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gevolgde handelwijze op de onder III.11 genoemde punten als onzorgvuldig te kwalificeren is. Gelet op het beleid als weergegeven in III.6 had verweerder niet op de daartoe gebruikte gronden mogen concluderen dat de door eiser gestelde etniciteit ongeloofwaardig is. Daarbij is mede van belang dat onder meer uit de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken is af te leiden dat de sociale en culturele identiteit van de Nuba-stammen als gevolg van de Soedanese regeringspolitiek al zeer lang aan uitholling blootstaat. Nu eiser voorts heeft aangegeven de Nuba-taal wel te begrijpen en uit het rapport van nader gehoor ook overigens niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser over zijn gestelde leefomgeving te weinig kan verklaren, had de zorgvuldigheid verweerder ertoe moeten brengen eiser – bijvoorbeeld – aan een taalanalyse te onderwerpen, alvorens de door eiser gestelde etniciteit voor ongeloofwaardig te houden.

13. Gelet op het vorenstaande zal het beroep van eiser gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Snoeijer, griffier en openbaar gemaakt op: 22 mei 2003

De griffier De voorzitter

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: 22 mei 2003

Conc: JSn

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.