Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9254

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
AWB 01/37645
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vtv / contra-indicaties.

In geschil is de vraag of verweerder eiser terecht de contra-indicatie criminele activiteiten heeft kunnen tegenwerpen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de informatie uit het Uittreksel Justitieel Documentatieregister. Artikel 3:2 Awb kan echter onder omstandigheden met zich brengen, dat door verweerder terzake nader onderzoek wordt verricht naar de juistheid van (deze ambtshalve als contra-indicatie tegengeworpen) gegevens. Met name wanneer sprake is van door de vreemdeling overgelegde gegevens die twijfel doen rijzen aan de juistheid en/of volledigheid van die informatie ligt het op de weg van verweerder om ter zake navraag te doen bij de bevoegde instantie(s). Indien verweerder niet is overtuigd door de overgelegde concrete informatie, zal verweerder dat op zijn minst aan betrokkene moeten laten blijken vooraleer wordt beslist op het bezwaar. Dat kan bijvoorbeeld op een hoorzitting waarbij betrokkene alsnog de gelegenheid krijgt om nadere door verweerder relevant geachte informatie in te brengen. Op een dergelijke zitting kan ook de vraag aan de orde komen of, zo al naar de letter van het beleid sprake is van een contra-indicatie, zulks ook naar de geest ervan het geval is. Ook de namens eiser opgeworpen vraag naar de toepasselijkheid van artikel 4:84 Awb kan hier aan de orde komen. Een dergelijke hoorzitting is in casu echter niet gehouden. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2003-05-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te ’s-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/37645 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1966, van Iraanse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. M.A. Buys, advocaat te Leeuwarden,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 17 december 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning op basis van het Tussentijdsbericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/22. Bij besluit van 2 oktober 2000 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit van 6 juni 2001 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 27 juni 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 9 augustus 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 14 augustus 2001. In het verweerschrift van 26 februari 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Eiser heeft op 17 februari 1994 aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 februari 1997 (AWB 96/9668) is het beroep van eiser tegen de niet-inwilliging van de aanvragen ongegrond verklaard.

2. In het Uittreksel Justitieel Documentatieregister van 21 december 1999 is met betrekking tot eiser aangaande overtreding van artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (vernieling openbare gebouwen) gepleegd op 8 januari 1997, het volgende vermeld: Transactie: vergoeding schade ad fl. 334.00.

III. OVERWEGINGEN

1. In geschil is of verweerder terecht de contra-indicatie criminele activiteiten aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

2. Niet in geschil is dat het aanvaarden van een transactie een contra-indicatie in de zin van TBV 1999/22 en de bijbehorende werkinstructie van 10 januari 2000 (Werkinstructie nummer 215) oplevert.

3. Verweerder is in het bestreden besluit op grond van de informatie uit het Uittreksel Justitieel Documentatieregister van 21 december 1999 uitgegaan van een door eiser aanvaardde transactie. Eiser betwist dat sprake is van een door hem aanvaardde transactie. Hij stelt dat hij de schade (een kapotte ruit), die hij per ongeluk heeft veroorzaakt, heeft vergoed. Subsidiair stelt eiser dat verweerder gebruik had dienen te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

4. In de door eiser in bezwaar aan verweerder overgelegde brief van de officier van justitie van het Arrondissementsparket te Utrecht van 17 maart 1997 is -voor zover hier van belang- het volgende opgenomen:

“Aan de heer A werd een dagvaarding betekend teneinde te verschijnen ter zitting van de Politierechter te Utrecht van 27 februari 1997. Deze dagvaarding is ingetrokken. Te zijner tijd zal aan de heer A een nieuwe dagvaarding voor een nieuwe zittingsdatum worden betekend. (--) Mocht het zo zijn dat de heer A bereid is de schade van fl.334,87 te vergoeden, dan verneem ik dat graag van u. Wellicht kan dan van dagvaarden worden afgezien.”

Bij -eveneens door eiser in bezwaar overgelegde- brief van 2 april 1997 heeft eiser aan het arrondissementsparket geschreven dat hij bereid is de schade te vergoeden en dat hij de ruit niet met opzet heeft gebroken. Uit het overgelegde bankafschrift van 25 juni 1997 blijkt dat op 16 juni 1997 een bedrag van fl.334,87 van eisers bankrekening is afgeboekt.

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de informatie uit het Uittreksel Justitieel Documentatieregister. Artikel 3:2 van de Awb kan echter onder omstandigheden met zich brengen, dat door verweerder terzake nader onderzoek wordt verricht naar de juistheid van (deze ambtshalve als contra-indicatie tegengeworpen) gegevens. Met name wanneer sprake is van door de vreemdeling overgelegde gegevens die twijfel doen rijzen aan de juistheid en/of volledigheid van die informatie, ligt het op de weg van verweerder om ter zake navraag te doen bij de bevoegde instantie(s), bijvoorbeeld bij het Arrondissementsparket te Utrecht. Op zijn minst zal verweerder, indien hij niet is overtuigd door de overgelegde concrete informatie, dat aan betrokkene moeten laten blijken vooraleer wordt beslist op het bezwaar, bijvoorbeeld op een hoorzitting waarbij betrokkene alsnog de gelegenheid krijgt om nadere door verweerder relevant geachte informatie in te brengen. Op een dergelijke zitting kan ook de vraag aan de orde komen of, zo al naar de letter van het beleid sprake is van een contra-indicatie, zulks ook naar de geest ervan het geval is. Ook de namens eiser opgeworpen vraag naar de toepasselijkheid van artikel 4:84 van de Awb kan hier aan de orde komen. Een dergelijke hoorzitting is in casu echter niet gehouden.

6. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de door eiser in bezwaar overgelegde stukken gegevens die twijfel doen rijzen aan de juistheid en/of volledigheid van de uit de Justitiële Documentatie verkregen informatie. Met name staat niet zonder meer vast dat sprake is van een transactie, en niet van bijvoorbeeld een voorwaardelijk sepôt, waarvan de voorwaarde is vervuld met de vergoeding van de schade.

7. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd, onder gegrondverklaring van het beroep. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De overige gronden van beroep behoeven geen bespreking meer.

8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

9. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 22,69,-- (zegge: twee en twintig euro en negenenzestig eurocent).

Gewezen door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tajik-Smeets, griffier en openbaar gemaakt op 19 mei 2003.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 19 mei 2003

Conc: DT

Coll: SK

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.