Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9249

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
AWB 01/59472
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / tijdsverloop.

In hoofdstuk C2/9 Vc 2000 is expliciet opgenomen dat toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb meebrengt dat de periode van behandeling van het beroep niet alsnog rechtmatig wordt geacht. Dit punt blijft echter geheel onbesproken in hoofdstuk A4/6.22.2 Vc-1994, waarin het beleid wordt weergegeven dat ten tijde van de aanvraag en het primaire besluit gold. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder op dit punt reeds ten tijde van de Vc-1994 beleid had gevormd, dan wel (duidelijk en behoorlijk) kenbaar had gemaakt. De rechtbank acht mede redengevend dat het instandlaten van de rechtsgevolgen een vorm is van zelf in de zaak voorzien om proceseconomische redenen. Eiser was ten tijde van het nemen van de eerdere uitspraak van de rechtbank Zwolle van 31 maart 2000 niet gebaat bij het opnieuw nemen van een besluit, omdat wederom een afwijzing van eisers aanvraag zou volgen. Dit kon echter pas worden vastgesteld op het moment van de uitspraak. Voordien was de afwijzing van de aanvraag onrechtmatig. De beroepsperiode telt derhalve in het onderhavige geval mee als relevant tijdsverloop. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/59472 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Ethiopische nationaliteit, verblijvende te B, eiser,

gemachtigde: mr. R.J. Hamerslag, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. van Blankenstein, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 6 april 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend, aan te merken als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf op grond van het driejarenbeleid”. Bij besluit van 3 augustus 2000 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 29 augustus 2000 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 6 november 2001 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 9 november 2001 heeft eiser tegen dit besluit gemotiveerd beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 september 2002. Op 8 mei 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 24 januari 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 30 januari 2003.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Op 25 september 1995 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 29 december 1997, uitgereikt op 14 januari 1998, heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 23 januari 1998 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 3 april 1998 ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 28 april 1998 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 31 maart 2000, geregistreerd onder nummer AWB 98/2414 VRWET, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

2. Namens verzoeker is bij verzoekschrift van 23 januari 1998 verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekte de uitzetting te verbieden totdat zou zijn beslist op het bezwaar van diezelfde datum. Bij uitspraak van 31 maart 2000, geregistreerd onder nummer AWB 98/411 VRWET en verzonden op 5 april 2000, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Bij uitspraak van 10 juli 2000 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, nogmaals beslist op datzelfde verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek is bij die uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

3. In een brief van 30 november 2000 antwoordt de rechtbank Zwolle op een door de gemachtigde van eiser gestelde vraag omtrent de bedoeling van voormelde uitspraken als volgt: “Wat telt in deze is het feit dat het beroep gegrond is verklaard, waardoor de bezwaarfase herleeft en dus het driejarenbeleid moet worden meegewogen.”

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop. Op het voorblad, behorende bij het eerdergenoemde besluit op eisers asielaanvraag van 29 december 1997, is reeds vermeld dat eiser de beslissing op een eventueel in te dienen bezwaarschrift niet mocht afwachten. Op dat moment is geen sprake meer van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g of h, van de Vw 2000 en derhalve evenmin van relevant tijdsverloop. Bovendien is aan eiser bij brief van 13 maart 1998, verzonden op 18 maart 1998, medegedeeld dat het bezwaarschrift geen aanknopingspunten bood om eiser alsnog de beslissing op bezwaar in Nederland te laten afwachten. Vervolgens is op 3 april 1998 eisers bezwaar ongegrond verklaard, waarmee onherroepelijk is beslist op eisers aanvraag. De opbouw van relevant tijdsverloop is derhalve in ieder geval op die datum gestuit. Bij al eerder genoemde uitspraak van 31 maart 2000 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard met instandhouding van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Door deze uitspraak wordt het verblijf van eiser niet alsnog rechtmatig in de zin van artikel 8, onder f, g of h, van de Vw 2000. Voorts heeft eiser ter onderbouwing van zijn aanvraag niet-authentieke documenten overgelegd en onjuiste gegevens verstrekt, zo blijkt uit individuele ambtsberichten van 8 juli 1996 (kenmerk DAZBA/48675), 10 november 1997 (kenmerk DPC/AM/48675) en 26 augustus 1999 (kenmerk DPC/AM/48675). Dit is een contra-indicatie die aan het opbouwen van relevant tijdsverloop in de weg staat zolang de resultaten van de onderzoeken door de vreemdeling betwist worden, zoals in het onderhavige geval.

5. Eiser heeft aangevoerd dat uit de eerder genoemde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, op eisers beroep en verzoek om een voorlopige voorziening inzake zijn asielaanvraag blijkt, dat indien al in de bezwaarfase zou zijn beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening, dit verzoek zou zijn toegewezen. De individuele ambtsberichten konden immers de rechterlijke toets niet doorstaan. Eiser verwijst tevens naar de brief van 30 november 2000 van de president van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, waaruit blijkt dat een nieuwe beslissing op bezwaar genomen had dienen te worden. De herleving van de bezwaarfase betekent bovendien dat schorsende werking heeft bestaan. Derhalve kan alleen een contra-indicatie aan verlening van de vergunning tot verblijf in de weg staan. De in het bestreden besluit genoemde contra-indicatie wordt eiser ten onrechte tegengeworpen. Uit de eerder genoemde uitspraken blijkt dat de individuele ambtsberichten die aan deze tegenwerping ten grondslag liggen, onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Op grond van deze onzorgvuldige ambtsberichten mag niet worden geconstateerd dat de door eiser overgelegde documenten niet authentiek zijn, aldus eiser.

6. Eiser doet een beroep op het zogenaamde driejarenbeleid. Voor een geslaagd beroep op dit beleid is -voor zover hier van belang - vereist dat drie jaar na ontvangst van de asielaanvraag van een vreemdeling nog niet onherroepelijk is beslist op die aanvraag. Voorts moet de vreemdeling gedurende die periode rechtmatig in Nederland verblijven. Ten slotte gelden een zestal contra-indicaties, waaronder het verstrekken van onjuiste gegevens.

7. Het driejarenbeleid was voor de invoering van de Vw 2000 opgenomen in hoofdstuk A4/6.22.2, onder 2, van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994). Thans is dit beleid opgenomen in hoofdstuk C2/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). De rechtbank stelt vast dat eisers oorspronkelijke aanvraag voor een verblijfsvergunning dateert van 25 september 1995. Bij de toetsing van eisers aanspraken op grond van dit beleid zal de rechtbank -mede op grond van het bepaalde in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2002/62- hoofdstuk A4/6.22.2 van de Vc 1994 toepassen, nu het vollopen van de termijn van drie jaren als boven bedoeld zou hebben plaatsgevonden op 25 september 1998, derhalve voor invoering van de Vw 2000.

8. In hoofdstuk C2/9 van de Vc 2000 is expliciet opgenomen dat toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb meebrengt dat de periode van behandeling van het beroep niet alsnog rechtmatig wordt geacht. In hoofdstuk A4/6.22.2 van de Vc 1994, waarin het beleid wordt weergegeven dat ten tijde van de aanvraag en het primaire besluit gold, blijft dit punt echter geheel onbesproken. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder op dit punt reeds ten tijde van de Vc 1994 beleid had gevormd, dan wel (duidelijk en behoorlijk) kenbaar had gemaakt. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraken, gepubliceerd in NAV 06/02, nummer 184 (met noot NH), en JV 2001/272 en 2002/327 (met noten BKO). De rechtbank acht mede redengevend dat het instandlaten van de rechtsgevolgen een vorm is van zelf in de zaak voorzien om proceseconomische redenen. Eiser was ten tijde van het nemen van de eerder genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 31 maart 2000 niet gebaat bij het opnieuw nemen van een besluit, omdat wederom een afwijzing van eisers aanvraag zou volgen. Dit kon echter pas worden vastgesteld op het moment van de uitspraak. Voordien was de afwijzing van de aanvraag onrechtmatig. De beroepsperiode telt derhalve in het onderhavige geval mee als relevant tijdsverloop.

9. Nu het bestreden besluit reeds hierom niet in stand kan blijven dient het beroep gegrond te worden verklaard.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

11. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. S.J. Bosma, voorzitter, in tegenwoordigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier, en openbaar gemaakt op: 10 april 2003

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 10 april 2003

Conc: LFF

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.