Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9164

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2003
Datum publicatie
15-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/1293 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan verzoekster medegedeeld dat op de aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend is beslist in verband met het aanwezige vermogen dat het vrij te laten bescheiden vermogen overtreft. Voorts heeft verweerder geoordeeld dat verzoekster naast dit vermogen beschikt over voldoende middelen om in haar levensonderhoud te voorzien vanwege inkomsten uit arbeid, inkomsten uit heffingskorting en inkomsten uit verhuur van twee woningen in Marokko.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 03/1293 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

met betrekking tot het besluit van 21 november 2002 (hierna: bestreden besluit) van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Naaldwijk, verweerder. Bij dit besluit heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat op de aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend is beslist in verband met het aanwezige vermogen dat het vrij te laten bescheiden vermogen overtreft. Voorts heeft verweerder geoordeeld dat verzoekster naast dit vermogen beschikt over voldoende middelen om in haar levensonderhoud te voorzien vanwege inkomsten uit arbeid, inkomsten uit heffingskorting en inkomsten uit verhuur van twee woningen in Marokko.

Ontstaan en loop van het geding

Verzoekster ontving van 1 augustus 1992 tot en met 23 september 2001 een bijstandsuitkering.

Op 18 januari 2001 heeft verweerder aan het bureau buitenland verzocht om onderzoek te doen naar eventueel bezit van onroerend goed door verzoekster in Fes te Marokko.

Op 4 april 2002 heeft verzoekster, in verband met ingetreden gedeeltelijke werkloosheid, opnieuw een bijstandsuitkering bij verweerder aangevraagd.

Bij brief van 1 juni 2002 heeft de Nederlandse ambassade te Rabat, Marokko, het bureau buitenland geïnformeerd omtrent de resultaten van het onderzoek naar het bezit van onroerend goed van verzoekster. Uit dit onderzoek is gebleken dat verzoekster voor de helft eigenaar is van het pand [adres 1] te Fes, Marokko, waarbij de waarde van het pand is vastgesteld op € 68.000 euro. Voorts is gebleken dat verzoekster eigenaar is van het clandestien gebouwde pand op het adres [adres 2] in Fes, waarbij de waarde van dit pand is geschat op € 5.000,-.

Bovengenoemde resultaten werden op 8 augustus 2002 door het bureau buitenland aan verweerder gerapporteerd.

Op 19 september 2002 is verzoekster omtrent dit vermogen door verweerder gehoord. Hierbij heeft verzoekster verklaard één huis samen met haar pleegbroer te bezitten. Het andere huis staat op haar naam maar zou eigendom zijn van haar pleegbroer. Voorts verklaarde verzoekster dit vermogen nooit te hebben gemeld omdat zij meende dat dit niet nodig was.

Op 21 november 2002 heeft verweerder voornoemd bestreden besluit genomen.

Bij brief van 27 november 2002 heeft verzoekster tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 16 december 2002 heeft verweerder aan het bureau buitenland om nadere informatie verzocht met betrekking tot het pand [adres 1] te Fes omdat volgens verzoekster het verkeerde pand is getaxeerd.

Bij brief van 17 december 2002 heeft verweerder aan verzoekster bericht dat aan het bureau buitenland om nadere informatie is gevraagd en dat behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden nadat deze informatie is ontvangen. Hierdoor verwacht verweerder het bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijn van zes weken te kunnen behandelen. Verweerder heeft de behandeling met toepassing van artikel 7:10, vierde lid, van de Awb uitgesteld totdat het bericht van het bureau buitenland is ontvangen en er een hoorzitting heeft plaatsgevonden.

Bij brief van 30 december 2002 heeft het bureau buitenland aan verweerder bericht dat het verzoek om informatie, alsmede het verzoek om een gecorrigeerd taxatierapport, is doorgezonden te hebben naar de Nederlandse ambassade te Rabat.

Bij brief van 25 maart 2003 heeft verzoekster aan verweerder gevraagd om haar uitkering te verstrekken, dan wel in positieve zin te beslissen op het bezwaarschrift, omdat zij, uitgaande van het aanwezige vermogen, door verzoekster gesteld op ten hoogste € 10.500,00, daarop inmiddels voldoende was ingeteerd.

Voorts heeft verzoekster bij brief van 25 maart 2003 tegen het bestreden besluit een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij brief van 27 maart 2003 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat het onroerend goed vermogen van verzoekster is getaxeerd € 39.000,00 en dat behandeling van het bezwaarschrift wordt vervolgd zodra het rapport van het bureau buitenland is ontvangen.

Bij brief van 28 februari 2003 heeft de Nederlandse ambassade te Rabat het bureau buitenland opnieuw geïnformeerd omtrent het bezit van onroerend goed van verzoekster. Uit dit rapport blijkt dat inderdaad het verkeerde pand is getaxeerd. Voorts is de waarde van dit pand, [adres 1] te Fes, waarvan verzoekster samen met haar pleegbroer mede-eigenaar is, getaxeerd.

Bij brief van 15 april 2003 heeft het bureau buitenland deze informatie aan verweerder doorgestuurd.

Bij brief van 16 april 2003 heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat gelet op de nieuwe informatie over het bezit van onroerend goed van verzoekster de waarde van dit bezit is vastgesteld op € 30.700,00.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 mei 2003.

Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. M.H. Samama. Voorts werd verzoekster bijgestaan door haar stiefzus [stiefzus]

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H. den Besten-van der Elst.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, naar voorlopig oordeel, na heroverweging in bezwaar in stand zal blijven.

Verzoekster bestrijdt de rechtmatigheid van het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Volgens verzoekster is het pand op het adres in [adres 2] € 4000,00 waard in plaats van € 5.000,00. Verzoekster heeft niet het gevoel dat zij (mede)eigenaar is van het onroerend goed te Fes. Zij laat deze zaken aan haar stiefbroer over. Zij betwist de juistheid van de gecorrigeerde taxatie van het pand [adres 1].

Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij de woning waarvan zij het mede-eigendom heeft als een last ziet en deze wil verkopen. Er is echter niemand die dit wil kopen. Zij heeft haar stiefbroer verzocht haar deel te kopen maar deze heeft hiervoor evenmin belangstelling. Voorts heeft verzoekster gesteld dat de andere woning afgebroken moet worden omdat deze woning illegaal is neergezet en bovendien bij bewoning gevaarlijk is. Met betrekking tot de tweede afwijzingsgrond heeft verzoekster naar voren gebracht dat zij met haar inkomsten onder bijstandsniveau zit en dat zij geen inkomsten uit onderhuur ontvangt.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat, gelet op het nieuwe taxatierapport, bij de beslissing op bezwaar de hoogte van het vermogen opnieuw zal worden vastgesteld en lager uit zal vallen. Ondanks deze aanpassing zal verzoekster het vrij te laten vermogen overschrijden met, naar voorlopige berekening, een bedrag van circa € 21.000,00. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster redelijkerwijs de beschikking heeft over het vermogen ondanks dat het haar niet is gelukt het bezit te verkopen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Artikel 42, van de Abw, bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen, bedoeld in de eerste zin, behoort in elk geval de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij de te nemen beslissing op bezwaar van de waarde van de bezittingen zoals vermeld in het rapport van de Nederlandse ambassade van 28 februari 2003 uitgegaan mag worden. Verzoekster heeft tot op heden geen stukken overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van de in dit rapport vermelde taxaties getwijfeld dient te worden. Verweerder heeft derhalve het bezit van verzoekster in de vorm van onroerend goed in Marokko bij brief van 16 april 2003 terecht nader bepaald op € 30.700,00. Gelet op het bij aanvang aanwezige overige vermogen en rekening houdend met het vrij te laten vermogen beschikt verzoekster over vermogen dat het vrij te laten vermogen overschrijdt.

Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verzoekster beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over het vermogen uit onroerend goed. Niet gebleken is dat verweerder onderzoek heeft gedaan ter beantwoording van de vraag of verzoekster toereikende inspanningen heeft verricht om dit onroerend goed te gelde te maken. Verzoekster heeft onweersproken gesteld dat zij heeft geprobeerd haar bezit te verkopen maar dat zij tot op heden hierin niet is geslaagd. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen reden om aan te nemen dat verzoekster op dat punt nalatig is gebleven. In afwachting van het beschikbaar komen van de middelen uit dit vermogen had het op de weg van verweerder gelegen om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken ingevolge artikel 24, aanhef en onder a, van de Abw dan wel, in het geval het beschikbaar komen van deze middelen niet op korte termijn is te verwachten, de bijstand om niet te verlenen en deze terug te vorderen op grond van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw zodra verzoekster over de middelen uit het vermogen beschikt of kan beschikken. Verweerder kan aan de bijstandsverlening zo nodig een verplichting ingevolge artikel 106 van de Abw verbinden die ertoe strekken dat verzoekster alles in het werk stelt om haar bezit te verkopen.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de afwijzing op grond van het beschikken over te veel vermogen in bezwaar niet in stand zal blijven.

Ook de afwijzing op grond van het beschikken over voldoende inkomsten uit diverse bronnen zal, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, in bezwaar niet in stand blijven. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Artikel 26 van de Abw, voor zover van belang, bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Verweerder heeft vastgesteld dat verzoekster beschikt over inkomsten uit arbeid ad € 465,69 per maand, exclusief vakantiegeld, en € 166,83 per maand uit heffingskorting. Deze bedragen zijn door verzoekster niet betwist zodat de voorzieningenrechter deze bedragen tot uitgangspunt neemt bij de beoordeling van de bijstandbehoevendheid van verzoekster. De voor verzoekster van toepassing zijnde bijstandsnorm bedroeg ten tijde hier in geding € 989,83 per maand. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster redelijkerwijs over inkomsten uit verhuur van de woningen in Marokko beschikt of redelijkerwijs kan beschikken ter hoogte van het verschil tussen de bijstandsnorm en haar inkomsten, zijnde € 357,31.

Van verzoekster mag, gelet op het bepaalde in artikel 42 van de Abw, in beginsel worden verlangd dat zij van derden aan wie een (mede) aan haar in eigendom toebehorende woning voor bewoning ter beschikking is gesteld als tegenprestatie daarvoor huur in rekening brengt. In het algemeen is in een dergelijke situatie immers door de terbeschikkingstelling van de woning sprake van een op geld waardeerbare prestatie van de eigenaar van de woning. Ingevolge artikel 42 van de Abw is er derhalve sprake van middelen waarover verzoekster redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De omstandigheid dat verzoekster geen huur ontvangt is gelegen in het feit dat er geen huur gevraagd wordt aan de bewoners voor het bewonen van de woning. Ter verklaring hiervoor is door verzoekster ter zitting naar voren gebracht dat het om verhuur aan ouders gaat, in dit geval de ex-schoonouders van de stiefbroer, deze personen geen middelen hebben om huur te betalen en volgens de Marokkaanse cultuur in deze situatie een zorgplicht wordt aangenomen waardoor geen huur gevraagd wordt. Deze feiten en omstandigheden kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen afbreuk doen aan het blijkens het vorenstaande bij de toepassing van artikel 42 van de Abw in een geval als het onderhavige geldende uitgangspunt dat sprake is van een op geld waardeerbare prestatie van de eigenaar van de woning.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat hiermee nog niet is gegeven dat verzoekster als tegenprestatie voor de bewoning door derden redelijkerwijs de beschikking kan krijgen over een bedrag van tenminste vorengenoemd bedrag van € 3571,31.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat verhuur tegen dit bedrag ten voordele van verzoekster mogelijk is. Verweerder heeft derhalve in zoverre niet kunnen concluderen dat verzoekster over voldoende inkomsten kan beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om het verzoek ex artikel 8:81 van de Awb in te willigen en de volgende voorlopige voorziening te treffen. Verweerder dient met ingang van 25 maart 2003, zijnde de datum van indiening van het verzoek om voorlopige voorziening, aan verzoekster een uitkering ingevolge de Abw toe te kennen ter hoogte van een bedrag van € 178,00 per maand tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij de bepaling van de hoogte van dat bedrag heeft de voorzieningenrechter overwogen dat geen gegevens voorhanden zijn om tot een objectieve vaststelling van de hoogte van inkomsten uit verhuur te komen. De voorzieningenrechter kan daarom niet anders dan betrekkelijk willekeurig bedoeld bedrag vaststellen. De belangen van beide partijen afwegend, heeft hij daarom besloten tot middeling van het bedrag van € 357,51 (afgerond € 358,--). Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat onduidelijkheid bestaat op welke termijn verzoekster over het vermogen kan beschikken, zodat hij geen aanleiding ziet verweerder thans te verplichten de bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening ingevolge artikel 24, aanhef en onder a, van de Abw.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten, begroot op € 644,00 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht). Aangezien ten behoeve van verzoekster een toevoeging is verleend, dient de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in dier voege dat verweerder aan verzoekster onverwijld met ingang van 25 maart 2003 tot en met zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar een uitkering ingevolge de Abw wordt toegekend tot een bedrag van € 178,00 per maand, met schorsing van het bestreden besluit voor zover nodig;

- bepaalt dat de rechtspersoon, de gemeente Naaldwijk, aan verzoekster het griffierecht, te weten € 29,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier van de rechtbank dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2003, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: