Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9075

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/96154, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang / meewerkcriterium / terugkeermogelijkheid.

De opvang van verzoekers, met de Somalische nationaliteit, is beëindigd omdat zij niet (voldoende) hebben meegewerkt aan het verkrijgen van een (vervangend) reis- of identiteitsbewijs dat nodig is om terug te keren naar het land van herkomst.

Verweerder heeft - marginaal toetsend - de vaststelling van de IND, dat verzoekers niet hebben voldaan aan het meewerkcriterium, overgenomen en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het gegeven dat verzoekers hebben nagelaten zich te wenden tot de Somalische vertegenwoordigingen in Genève en Rome is daarbij als doorslaggevend tegengeworpen. Gelet op de informatie die aan hem beschikbaar was over de problematiek omtrent het verkrijgen van reisdocumenten voor Somalische onderdanen, kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank dit niet doen zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering. Verweerder had dienen te onderzoeken wat thans nog de feitelijke mogelijkheden zijn voor Somalische onderdanen om aan reisdocumenten te komen. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2003-02-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

artikel 3a Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA)

reg.nrs AWB 02/96154 COA; AWB 02/96159 COA

AWB 03/1230 COA; AWB 03/1140 COA

inzake: A, geboren op [...] 1969, (hierna te noemen: de man)

B, geboren op [...] 1972, (hierna te noemen: de vrouw)

C, geboren op [...] 1938, (hierna te noemen: de moeder)

allen van Somalische nationaliteit,

gezamenlijk aan te duiden als: verzoekers

gemachtigde: mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht,

tegen: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), gevestigd te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M. Laan, werkzaam bij het COA.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluiten van 12 december 2002 heeft verweerder de aan verzoekers verleende opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva) beëindigd met ingang van 12 december 2002, waarbij verzoekers zijn gesommeerd de verstrekte woning binnen drie dagen na ontvangst van het besluiten te verlaten en waarbij op voorhand een ontruimingsprocedure is aangezegd.

1.2 Tegen deze besluiten hebben verzoekers op 30 december 2002 beroep ingesteld. Bij verzoekschriften van 30 december 2002 hebben verzoekers daarnaast de voorzieningenrechter verzocht verweerder te verbieden de opvang te beëindigen voordat op het beroep is beslist. De gronden van beroep en verzoekschriften (met bijlagen) zijn op 27 januari 2003 ingediend. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift (met bijlagen) geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen en afwijzing van de verzoeken met toepassing van artikel 8:86 Awb.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 30 januari 2003. Ter zitting hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet, waarbij van de zijde van verzoekers een aanvullend stuk in het geding is gebracht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan -onder meer- indien beroep bij de rechtbank is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of het besluit tot beëindiging van de opvang in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven regels kan doorstaan.

2.4 De voorzieningenrechter gaat uit van het volgende feitenverloop. Verzoekers, allen vreemdeling in de zin van de Vw, hebben vergunningen tot verblijf en toelating als vluchteling hier te lande aangevraagd, waarop laatstelijk op 9 augustus 1995 voor de man en de vrouw en op 14 oktober 1999 voor de moeder (afwijzende) besluiten zijn genomen door de Staatssecretaris van Justitie. Op de tegen deze besluiten door verzoekers ingediende beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen zijn in rechte onherroepelijke negatieve beslissingen genomen.

2.5 Op 12 december 1997 heeft de Staatssecretaris van Justitie een last tot uitzetting gegeven voor de man en de vrouw, gevolgd door zogeheten terugkeergesprek op 12 september 2002, waarin namens de korpschef van de regiopolitie Noord-Holland Noord is medegedeeld dat zij Nederland dienen te verlaten. Met betrekking tot de moeder is op 14 oktober 1999 een last tot uitzetting gegeven, gevolgd door een terugkeergesprek met bedoelde mededeling op 12 september 2002. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft vervolgens op 16 september 2002 de terugkeerdossiers van verzoekers verzonden aan verweerder, met het verzoek alle voorzieningen aan verzoekers opgrond van de Rva te beëindigen op grond van zijn vaststelling dat verzoekers niet (voldoende) meewerken aan het verkrijgen van een (vervangend) reis- of identiteitsbewijs dat nodig is om terug te keren naar hun land van herkomst.

2.6 Naar aanleiding van het voornemen de Rva-verstrekkingen aan verzoekers te beëindigen heeft verweerder op 26 september 2002 met de man en op 25 oktober 2002 met de moeder zogeheten zienswijzegesprekken gevoerd. Vervolgens zijn de bestreden besluiten genomen.

2.7 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) is verweerder belast met de materiele en immateriële opvang van asielzoekers, waaronder het plaatsen in een opvangvoorziening of op gemeentelijke opvangplaatsen. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA kan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) nadere regels stellen met betrekking tot de verstrekkingen aan asielzoekers. Van deze bevoegdheid heeft de Staatssecretaris van Justitie, als rechtsopvolger van genoemde Minister, gebruik gemaakt door de vaststelling van de Rva.

2.8 Ingevolge artikel 5, eerste lid, Rva, omvat de opvang onder meer onderdak, een wekelijkse financiële toelage en een verzekering tegen ziektekosten. Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder b, Rva eindigen deze verstrekkingen, indien het een asielzoeker betreft voor wie een last tot uitzetting is gegeven en die ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de korpschef van de politieregio waar van zijn woonplaats Nederland moet verlaten, op de dag waarop hij ingevolge die mededeling Nederland dient te verlaten.

2.9 Gelet op hetgeen hierboven onder 2.4 tot en met 2.6 is opgenomen is in onderhavige zaken voldaan aan de criteria van artikel III van de Wijziging Rva 1997 van 27 maart 2001. Daarmee is tevens vastgesteld dat in onderhavige zaken van toepassing is het Herzien stappenplan beëindigen opvangvoorzieningen ongedocumenteerde asielzoekers, Stcrt. 1999, 53 (Stappenplan 1999, thans vervangen door de Herziene werkwijze Stappenplan III, Stcrt. 2002, 127, in werking getreden 10 juli 2002). Hierin is neergelegd dat het voor het voortzetten van de verstrekkingen van belang is of de vreemdeling al dan niet voldoende meewerkt aan zijn terugkeer of vertrek, waaronder begrepen het verrichten van alle redelijkerwijs te vergen inspanningen ter verkrijging van een (vervangend) reisdocument. Als de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan deze inspanningsverplichting heeft voldaan (en desondanks geen reisdocumenten heeft bemachtigd) wordt de opvang niet beëindigd

2.10 De voorzieningenrechter stelt vervolgens het volgende als onbetwist tussen partijen vast. Verzoekers zijn niet in het bezit van uitreisdocumenten. De man heeft zich namens verzoekers ter verkrijging van deze documenten vergeefs gewend tot ambassades van Kenia, Ethiopië en Djibouti alsmede tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en tot de SOMVAO, een zelfhulporganisatie voor Somalische asielzoekers. Verzoekers en hun gezinsleden, in het bijzonder de moeder, kampen met medische problemen.

2.11 Verzoekers stellen zich – kort gezegd – op het standpunt dat zij in voldoende mate hebben meegewerkt aan de terugkeer naar hun land van herkomst door het verrichten van voormelde inspanningen om aan de benodigde uitreisdocumenten te komen. Ten onrechte heeft verweerder zijn bij het nemen van de bestreden besluiten geen rekenschap gegeven van het feit dat Somalië geen vertegenwoordigingen in het buitenland heeft en dat het voor verzoekers feitelijk onmogelijk is om uitreisdocumenten te bemachtigen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende in zijn overwegingen betrokken de medische informatie die verzoekers hebben overgelegd en had deze informatie voor verweerder aanleiding moeten zijn om medisch advies in te winnen. Voor verweerder was immers kenbaar dat de gezondheidstoestand van met name de moeder zodanig slecht is dat het beëindigen van de verstrekkingen tot zeer schrijnende humanitaire omstandigheden zou leiden.

2.12 Verweerder baseert zich – zakelijk weergegeven - op de volgende uitgangspunten. Er is voor verweerder geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dat terugkeer naar Somalië in algemene zin mogelijk is. Ook kon verweerder genoemde Minister volgen in zijn oordeel dat verzoekers met de door hun verrichte inspanningen niet aan het meewerkcriterium hebben voldaan, nu zowel in Genève als in Rome vertegenwoordigingen van Somalië bestaan alwaar reisdocumenten verkregen kunnen worden. Verzoekers hadden zich hiertoe dienen te wenden in plaats van tot ambassades van landen waarvan zij geen onderdaan zijn. Met betrekking tot het ontstaan van een schrijnende noodsituatie door het beëindigen van de verstrekkingen stelt verweerder vast dat de uitzettingsbelemmering van artikel 64 Vw niet door verzoekers is ingeroepen Daarnaast verwijst verweerder naar de definitie van een acute medische noodsituatie van het Bureau Medische Advisering (BMA) van Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND): een situatie waarin het achterwege blijven van onmiddellijke behandeling zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke en/of lichamelijke schade. De door verzoekers overgelegde medische informatie vormt geen aanleiding voor het vaststellen van een dergelijke situatie en evenmin voor het inschakelen van een medisch adviseur.

2.13 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Verweerder heeft – marginaal toetsend – de vaststelling van de IND, dat verzoekers niet hebben voldaan aan het meewerkcriterium, overgenomen en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het gegeven dat verzoekers hebben nagelaten zich te wenden tot de Somalische vertegenwoordigingen in Genève en Rome is daarbij als doorslaggevend aan hen tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder, gelet op de informatie die aan hem beschikbaar en overigens bekend was over de problematiek omtrent het verkrijgen van reisdocumenten voor Somalische onderdanen, dit niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering doen. De voorzieningenrechter baseert dit op het volgende.

2.14 In het Tussentijds bericht vreemdelingencirculaire van 15 mei 2002 (TBV 2002/18) heeft de Staatssecretaris van Justitie het volgende beleid vastgelegd (met betrekking tot toelating). In Somalië is er geen internationaal erkend centraal gezag. Op die grond worden Somalische autoriteiten en door hen uitgegeven documenten, waaronder documenten voor grensoverschrijding, door Nederland niet erkend. Ten aanzien van onderdanen van Somalië wordt in het algemeen gesteld dat zij geacht worden te hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van hun land niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Uit dit beleid volgt voor de rechtbank in elk geval dat de IND zelf uitgaat van de onmogelijkheid voor Somaliërs om – al dan niet door tussenkomst van vrienden of familie in Somalië - in hun land van herkomst aan geldige documenten te komen.

2.15 De volgende vraag betreft de mogelijkheid voor onderdanen van Somalië om buiten hun land van herkomst aan geldige documenten voor grensoverschrijding te komen. In verschillende uitspraken, waaronder die van de president van de rechtbank Zwolle d.d. 7 juni 2001, AWB 01/532 (NAV 2001/248 kort), alsmede in niet gepubliceerde, door verzoekers in het geding gebrachte uitspraken, is vastgesteld dat noch in Nederland, noch in de ons omringende landen, een Somalische vertegenwoordiging aanwezig is. Daarnaast is in bedoelde uitspraken vastgesteld, mede op basis van informatie van de IOM, dat het niet (meer) mogelijk is om bij de Somalische Permanente Vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties in Genève een vervangend reisdocument te verkrijgen. Van de zijde van verweerder is een recent interne memo van Vluchtelingenwerk overgelegd, waarin wel degelijk van de mogelijkheid wordt uitgegaan om in Genève aan de benodigde reisdocumenten te komen. Deze vaststelling wordt echter door Vluchtelingenwerk zelf weer uitdrukkelijk herroepen in een brief van Vluchtelingenwerk aan de raadsvrouw van verzoekers. Wat er ook zij van de gestelde mogelijkheden in Genève of Rome, naar het oordeel van de rechtbank kan dit op basis van de voorhanden informatie niet redengevend zijn in de beoordeling van de vraag of aan de inspanningen van verzoekers een gebrek kleeft. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting immers erkend dat – nu er geen sprake is van een centraal gezag in Somalië – enige pretense internationale vertegenwoordiging van Somalië niet anders te duiden is dan als een particulier initiatief. Of aan door een dergelijke vertegenwoordiging af te geven documenten voor grensoverschrijding enige betekenis en status moet worden toegekend en zo ja, welke en waarom, kon de gemachtigde van verweerder niet aangeven.

2.16 Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om – uitgaande van een marginale toets van de vaststellingen van de IND – nader te (doen) onderzoeken wat thans nog de feitelijke mogelijkheden zijn voor Somalische onderdanen om aan reisdocumenten te komen, zodat verweerder aan de hand van een maatstaf, op basis daarvan aan te leggen, had kunnen bepalen wanneer de IND in redelijkheid kan vaststellen dat er al dan niet aan het meewerkcriterium is voldaan. Nu dit is nagelaten kleven er zowel aan de zorgvuldigheid van de voorbereiding als aan de deugdelijkheid van de motivering van het bestreden besluiten gebreken, die naar het oordeel van de rechtbank maken dat deze besluiten niet in stand kunnen blijven. Hetgeen partijen overig hebben aangevoerd kan thans buiten bespreking blijven.

2.17 De beroepen zijn mitsdien gegrond.

2.18 Gegeven de beslissing in de hoofdzaken is er geen aanleiding voor het treffen van de verzochte voorlopige voorzieningen, zodat de verzoeken zullen worden afgewezen.

2.19 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit voor het beroep vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Voor de procedure ter verkrijging van een voorlopige voorziening zijn de kosten vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1; er is geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van dat verzoek ter zitting).

3. BESLISSINGEN

De voorzieningenrechter:

in de hoofdzaak:

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers dient te vergoeden;

ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening:

- wijst de verzoeken af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322.—onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers dient te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2003, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Driessen als griffier.

afschrift verzonden op: 20 februari 2003

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.