Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8698

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
09-046636/02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Arbeidstijdenbesluit
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2003/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

ECONOMISCHE POLITIERECHTER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-046636/02

rolnummer 0006

's-Gravenhage, 29 april 2003.

De economische politierechter 's-Gravenhage heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

[verdachte]

Gevestigd te [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 april 2003.

Namens de verdachte is verschenen haar raadsvrouw mr Vroegh, die heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De raadsvrouw is gehoord.

De officier van justitie mr De Waardt heeft gevorderd dat verdachte terzake van het haar bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van respectievelijk 550,-, 880,-, 880,-, en 880,- euro.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de economische politierechter op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht de economische politierechter wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Namens de verdachte heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het telastegelegde feit geen strafbaar feit is. De raadsvrouw stelt, onder verwijzing naar een beslissing van de economische politierechter van Amsterdam(LJN-nummer AB0702), dat artikel 8:1 lid 2 Arbeidstijdenbesluit vervoer onverbindend is, nu dat artikel niet is vastgesteld bij of krachtens de wet in formele zin.

De economische politierechter overweegt hieromtrent het volgende.

De ten tijde van de het plegen van de bewezenverklaarde feiten toepasselijke wetsbepalingen, die op 10 januari 2001 in werking zijn getreden (Koninklijk Besluit van 27 november 2000, Stb 2001, 5), luiden als volgt:

Art. 2.5:1 lid 4 (rusttijd) Arbeidstijdenbesluit vervoer: De bestuurder handelt overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van de verordening (EEG) nr. 3820/85.

Art. 2.5:3 (rijtijd) Arbeidstijdenbesluit vervoer: De bestuurder handelt overeenkomstig artikel 6 van de verordening (EEG) 3820/85.

Art. 8:1 lid 2 Arbeidstijdenbesluit vervoer (strafbaarstelling wegvervoer):

1. Het niet naleven van de artikelen (...) 2.5:1 vierde lid, 2.5:3 (...) levert een strafbaar feit op.

2. Behoudens (...) wordt, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling, de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.

Voor inwerkingtreding van de hierboven genoemde bepalingen waren de artikelen 2.5:1, vierde lid en 2.5:3 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer gericht tot de werkgever in plaats van tot de bestuurder, en hielden in dat de werkgever de arbeid zodanig organiseert dat de werknemer niet in strijd handelt met de artikelen 8 en 9 respectievelijk 6 van de EEG verordening 3820/85. Met de wetswijziging die heeft geleid tot de hierbovengenoemde genoemde bepalingen, is de wetgever in verband met de handhaafbaarheid weer teruggekeerd bij de formulering van de aansprakelijkheid van de werkgever zoals die gold voor de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet onder de oude Rijtijdenwet, inhoudende:

Indien een persoon, die in dienstbetrekking als bemanningslid werkzaam is, in strijd handelt met het bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 1, bepaalde wordt zijn werkgever geacht het feit te hebben gepleegd. (artikel 3, eerste lid)

In de in casu toepasselijke regelgeving is het "fictieve daderschap" echter, anders dan onder de Rijtijdenwet, niet bij of krachtens de wet geregeld, maar bij Koninklijk Besluit.

De vraag is of dat in dit geval moet leiden tot onverbindendheid van de bepaling.

Vooropgesteld moet worden dat uit de wetsgeschiedenis bij de verschillende wetswijzigingen blijkt dat het steeds de bedoeling van de wetgever is geweest om de werkgever aan te merken als degene die de overtreding pleegt.

In verband met die omstreden onverbindendheid heeft de wetgever voor de zekerheid, bij wet van 18 april 2002 (Stb 2002, 238. iwtr 23 juli 2002) weer een formeelwettelijke basis gegeven aan het fictieve daderschap, teneinde - zo blijkt uit de Memorie van Toelichting - te voorkomen dat de normering voor rij- en rusttijden niet adequaat kan worden gehandhaafd.

De regelgeving zoals die in het onderhavige geval geldt verdient niet de schoonheidsprijs, maar het verband tussen het verbod (artikel 2.5:1, vierde lid, respectievelijk 2.5:3 jo 8:1, tweede lid Arbeidstijdenbesluit vervoer) en het in artikel 1 WED genoemde artikel waarop het verbod is gebaseerd (artikel 5:12 Arbeidstijdenwet) is er wel.

In aanmerking genomen dat de wetgever die wettelijke basis wel heeft willen geven en het feit dat de functie van de verbindendheidscontrole door de rechter er met name toe dient om te onderzoeken of de besluitgever de hem gestelde grenzen niet heeft overschreden, zou onverbindendverklaring van de bedoelde bepaling zijn doel voorbij schieten en in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever.

Gelet op het vorenoverwogene is de economische politierechter van oordeel dat artikel 8:1, tweede lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer, niet onverbindend is.

De economische politierechter verwerpt dan ook het verweer.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Strafbaarheid van de verdachte.

Verdachte is strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de vaststelling van de vermogensstraffen heeft de economische politierechter rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 23, 24, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 5.12 van de Arbeidstijdenwet;

- 2.5:1 en 2.5:3 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer;

- 8 van de Verordening (EEG) nr 3820/85.

Beslissing.

De economische politierechter,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4:

OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD KRACHTENS ARTIKEL 5:12 VAN DE ARBEIDSTIJDENWET, BEGAAN DOOR EEN RECHTSPERSOON, VIER MAAL GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

ten aanzien van feit 1:

een geldboete van euro 550,-;

ten aanzien van feit 2:

een geldboete van euro 880,-;

ten aanzien van feit 3:

een geldboete van euro 880,-;

ten aanzien van feit 4:

een geldboete van euro 880,-;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr Geeve, economische politierechter,

in tegenwoordigheid van Rietbroek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de economische politierechter in deze rechtbank van 29 april 2003.

parketnummer 09-046636/02