Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8335

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
AWB 01/34076
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

FRJ / etnisch Roemeen.

Eisers hebben tijdens het nader gehoor verklaard dat zij vanwege de etnische Roemeense afkomst van eiser werden gediscrimineerd en bedreigd. Verweerder heeft in de verklaringen van eisers aanleiding gezien vragen te stellen aan de minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie van etnisch Roemenen in de FRJ. Verweerder heeft echter de antwoorden op deze vragen niet afgewacht en zonder deze informatie op de asielaanvraag van eisers beslist. Verweerder stelt, onder verwijzing naar informatie van Human Rights Watch en overige algemene bronnen, dat van vervolging van de groep etnisch Roemenen in de FRJ niet gebleken is. Eiser stellen zich op het standpunt dat iedereen die niet tot de Servische meerderheid behoort wordt gediscrimineerd. Reeds in de zienswijze op de kennisgeving van het voornemen hebben eisers verweerder verzocht duidelijkheid te geven omtrent de herkomst van de informatie betreffende de situatie van etnisch Roemenen, waarnaar verweerder verwijst. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat de herkomst van de genoemde algemene informatie niet te achterhalen is. In dit verband stelt de gemachtigde van verweerder voorts dat verweerder, blijkens de uitspraak van de ABRS van 6 september 2002, indien het algemeen ambtsbericht niets over een specifieke groep vermeld, ervan uit kan gaan dat de situatie van deze groep daartoe geen aanleiding gaf. Nu verweerder aanleiding heeft gezien vragen te stellen aan de minister van Buitenlandse zaken, de antwoorden hierop zonder opgaaf van redenen niet heeft afgewacht en vervolgens op basis van niet verifieerbare algemene informatie een beslissing heeft genomen op de asielaanvragen van eisers, is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikkingen een zorgvuldige voorbereiding ontberen. De bestreden beschikkingen zijn mitsdien in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 Awb tot stand gekomen en komen reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 01/34076

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1967,

B e/v A,

geboren op [...] 1976,

mede ten behoeve van hun minderjarige kind,

allen van Joegoslavische nationaliteit,

IND dossiernummer 0004.15.2008,

gemachtigde: mr. H. Meijerink, advocaat te Meppel,

eisers;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. B.F.Th. de Moor , advocaat te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 16 april 2000 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikkingen van 29 juni 2001 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Bij brief van 25 juli 2001 is tegen deze beschikkingen beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is ter zitting van 30 januari 2003 behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid, Vw 2000 worden de aanvragen aangemerkt als aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het beroep toepassing geven aan artikel 83 Vw 2000 en rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikkingen zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eisers komt op het volgende neer. Eisers zijn afkomstig uit C in de provincie Vojvodina. Eiseres is van Servische afkomst, eiser is etnisch Roemeen. Sedert 1997 ondervond eiser problemen vanwege zijn etnische afkomst. In april 1997 werd het paspoort van eiser ingenomen door de politie, waarbij hem werd medegedeeld dat dit bij alle mensen met militaire verplichtingen werd gedaan. Binnen 15 dagen kon hij zijn paspoort bij de SUP weer ophalen. Toen eiser echter zijn paspoort weer wilde ophalen werd hem gezegd dat zij helemaal niets wisten over zijn paspoort. Er werd hem medegedeeld dat hij, om een nieuw paspoort aan te vragen, zijn oude paspoort ongeldig moest laten verklaren. Toen eiser daarna een aanvraag indiende voor een nieuw paspoort kreeg hij deze niet. Uiteindelijk werd hem gezegd dat hij maar naar Roemenië moest gaan om een nieuw paspoort aan te vragen. Eveneens in 1997 werd eiser in elkaar geslagen. Nadat hij door de politie was meegenomen en verhoord, moest hij een boete betalen.

In mei 1998 ontving eiser een oproep van het leger, waaraan hij geen gehoor heeft gegeven. Op 11 mei 1998 werd eiser vanuit huis meegenomen door de militaire politie voor een zogenaamd informatief gesprek. Aan eiser werd gevraagd waarom hij geen gehoor had gegeven aan deze oproep en aan de eerder toegezonden oproepen in 1991 en 1994, waarvoor eiser reeds een boete had betaald. Toen eiser tijdens dit gesprek verklaarde dat hij niet wilde deelnemen aan de oorlog en tevens dat hij van Roemeense afkomst en katholiek was, werd hij door één van de politieagenten met een knuppel geslagen. Bij zijn vrijlating werd hem medegedeeld dat een strafproces tegen hem zou worden opgestart.

In september 1998, toen zij hoogzwanger was, kreeg eiseres problemen met haar zwangerschap. Nadat de arts in het ziekenhuis de naam van haar man gehoord had werd eiseres echter niet geholpen. Nadat zij bij verschillende ziekenhuizen niet werd geholpen, werd eiseres uiteindelijk in een staatsziekenhuis geholpen tegen betaling van 1000 Duitse marken.

In april 1999 kreeg eiser opnieuw een mobilisatieoproep, waaraan hij wederom geen gehoor heeft gegeven. Eiser is vervolgens ondergedoken. De militaire politie kwam daarna regelmatig naar het huis van eisers en wilde van eiseres weten waar haar man zich bevond. Eiseres weigerde deze informatie te geven. Bij een van de bezoeken van de militaire politie werd eiseres geslagen.

Nadat Roemenië aan de NAVO toestemming had gegeven het Roemeense luchtruim te benutten om Joegoslavië aan te vallen werden eisers als etnisch Roemenen lastig gevallen, bedreigd en beledigd.

In september 1999 werd eiser meegenomen door de militaire politie en grondig verhoord, hierbij werd eiser drie maal geslagen. Hem werd verweten informatie door te spelen aan de Roemeense autoriteiten en medewerker te zijn van de CIA. Bij zijn vrijlating werd aan eiser medegedeeld dat een rechtszaak tegen hem zou worden opgestart.

Op 25 december 1999 werden eisers door een groep mensen bespuugd toen zij uit de kerk kwamen. Zij werden ervan beschuldigd de oorzaak te zijn van alle ellende. Op straat werden eisers regelmatig staande gehouden door de politie en zij moesten zich dan legitimeren. Toen eiser was ondergedoken werd eiseres op straat regelmatig gevraagd naar de verblijfplaats van haar man en zijn betrokkenheid bij de CIA. Ook waren er regelmatig telefonische bedreigingen. Eisers zijn hierbij met de dood bedreigd. Op 11 april 2000 hebben eisers het land van herkomst verlaten.

3.2 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat het asielrelaas van eisers onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Niet aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen voor vervolging op grond van zijn weigering gehoor te geven aan de mobilisatieoproepen, aangezien op 3 maart 2001 in de Federatieve Republiek Joegoslavië (FRJ) een amnestiewet inwerking is getreden welke betrekking heeft op dienstweigeraars en deserteurs in de periode tot 7 oktober 2000.

Ten aanzien van de weigering een paspoort aan eiser te verstrekken stelt verweerder zich op het standpunt dat dit enkele gegeven geen reden geeft om tot vervolging in de zin van het verdrag, dan wel een onhoudbare levenssituatie te concluderen. Voorts is niet gebleken dat aan eisers structureel op een dusdanige wijze de toegang tot de medische zorg zou zijn ontzegd dat de situatie van eisers hierom onhoudbaar zou zijn geworden. Evenmin is gebleken dat door de bedreigingen, beledigingen en aanvallen op eisers door burgers in hun woonplaats de situatie voor hen onhoudbaar is geworden. Bovendien hebben eisers van deze incidenten geen aangifte gedaan bij de politie. Verweerder merkt hierbij op dat blijkens informatie van Human Rigths Watch en overige algemene bronnen, het overgrote deel van de bevolking van C etnisch Roemeens is. Van vervolging in de FRJ van de groep etnisch Roemenen is dan ook niet gebleken.

Ter zitting wordt namens verweerder voorts aangevoerd dat uitgegaan mag worden van de juistheid van een algemeen ambtsbericht, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn te twijfelen aan de juistheid hiervan. Voorts wordt aangevoerd dat blijkens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 6 september 2002 (JV 2002/384) verweerder, indien het algemeen ambtsbericht niets over een specifieke groep vermeld, ervan uit kan gaan dat de situatie van deze groep daartoe geen aanleiding gaf.

Voorts verklaart de gemachtigde van verweerder ter zitting desgevraagd dat de informatie omtrent etnisch Roemenen, waarnaar in de kennisgeving van het voornemen wordt verwezen, niet te traceren is. Opgemerkt wordt dat deze informatie door eisers niet is betwist. Tevens verklaart de gemachtigde van verweerder desgevraagd dat de aanvraag bij de Minister van Buitenlandse Zaken voor een individueel ambtsbericht is ingetrokken, aangezien verweerder hiertoe geen aanleiding meer zag. De gemachtigde van verweerder erkent dat de situatie van etnisch Roemenen in de FRJ niet uitdrukkelijk in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken staat vermeld, maar verklaart voorts dat de algemene situatie van minderheden in de FRJ wel wordt besproken. De gemachtigde van verweerder ontkent dat de situatie van etnisch Hongaren en etnisch Roemenen in de FRJ bij het nemen van de beslissing gelijkgesteld is.

3.3 Eisers stellen zich op het standpunt dat zij wel degelijk in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Eisers voeren hiertoe aan dat het paspoort van eiser werd ingenomen door de commandant van de politie. Deze commandant was ook degene die tegen eiser zei dat hij maar naar Roemenië moest gaan om een paspoort aan te vragen. Eisers zijn van mening dat, indien er door de eigen autoriteiten belangrijke documenten zoals paspoorten worden geweigerd wegens afkomst, er sprake is van een zo ernstige vorm van discriminatie dat een onhoudbare levenssituatie het gevolg is. Ten aanzien van de stempels in het ziekenfondsboekje geven eisers aan dat deze zijn gezet door het arbeidsbureau en niet voor medische hulp. Eisers merken voorts op dat zij, in tegenstelling tot hetgeen verweerder stelt, geen bescherming konden krijgen van de autoriteiten, hetgeen blijkt uit een aantal voorvallen waarover zij verklaard hebben. Eisers verwijzen voorts naar een aantal overgelegde berichten, waaruit blijkt dat iedereen die niet tot de Servische meerderheid behoort wordt gediscrimineerd. Blijkens een bericht van Vluchtelingenwerk van 30 mei 2001 hebben dienstweigeraars en deserteurs gegronde vrees voor vervolging, mede gezien het karakter van de oorlog in Kosovo. Nu eiser geen gehoor heeft gegeven aan de mobilisatieoproepen dient hij dan ook te worden toegelaten als vluchteling.

Ter zitting merkt de gemachtigde van eisers op dat reeds in de zienswijze op de kennisgeving van het voornemen is verzocht om duidelijkheid te geven omtrent de herkomst van de informatie betreffende de situatie van etnisch Roemenen, waarnaar verweerder verwijst. Eiser verklaart desgevraagd dat het overgrote deel van de bevolking van C Serviër is en tevens dat het Servisch de voertaal in C is.

4 Overwegingen

4.1 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Joegoslavië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000 dient te worden verleend. Eisers zullen daarom aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

4.2 Op grond van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn dienstweigering nog te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag. Blijkens het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 maart 2001 is op 3 maart 2001 in de Federatieve Republiek Joegoslavië een amnestiewet in werking is getreden, welke onder andere amnestie verleent aan dienstweigeraars en deserteurs in de periode tot 7 oktober 2000. Blijkens het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 juli 2001 is deze amnestiewet ook daadwerkelijk ten uitvoer gelegd. De niet nader onderbouwde stelling van eiser in beroep, dat niet bij voorbaat kan worden aangenomen dat de afgekondigde amnestiewet voor dienstweigeraars en deserteurs, zonder onderscheid zal worden toegepast bij personen die tot een minderheidsgroep behoren, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan de juistheid van het ambtsbericht te twijfelen.

4.3 De rechtbank stelt vast dat verweerder voorts in de bestreden beschikking, waarin de kennisgeving van het voornemen als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft gesteld dat niet is gebleken van vervolging van de groep etnisch Roemenen in de FRJ. Verweerder heeft hierbij verwezen naar informatie van Human Rights Watch, alsmede naar informatie uit algemene bron, waaruit zou blijken dat het grootste deel van de bevolking van C, de woonplaats van eisers, bestaat uit etnisch Roemenen. Tevens stelt verweerder dat uit deze informatie blijkt dat de groep etnisch Roemenen aldaar in vrijheid kan leven, dat de voertaal in C een variant van de Roemeense taal is, het de etnisch Roemenen is toegestaan hun religie in vrijheid te belijden en dat de Joegoslavische autoriteiten deze groep erkennen als nationale minderheid en de culturele activiteiten van etnisch Roemenen in de FRJ financieel ondersteunen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder echter desgevraagd erkent dat de herkomst van deze genoemde algemene informatie niet te achterhalen is.

De verwijzing in dit kader van de gemachtigde van verweerder ter zitting naar de uitspraak van de ABRS van 6 september 2002 kan naar het oordeel van de rechtbank niet gevolgd worden, nu uit het dossier (dossierstuk 10) blijkt dat verweerder in de verklaringen van eisers aanleiding heeft gezien vragen te stellen aan de Minister van Buitenlandse Zaken, omtrent de situatie van etnisch Roemenen in de FRJ. Verweerder heeft echter de antwoorden op deze vragen niet afgewacht en zonder deze informatie op de asielaanvraag van eisers beslist. Niet is gebleken wat voor verweerder de reden is geweest wel vragen te stellen, maar de antwoorden hierop niet af te wachten. De enkele verklaring van de gemachtigde van verweerder ter zitting, dat verweerder hiertoe geen aanleiding meer zag, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Te meer nu de rechtbank heeft geconstateerd dat de algemene informatie waarnaar verweerder in de bestreden beschikking verwijst niet verifieerbaar is, hetgeen door de gemachtigde van verweerder ter zitting is erkend.

De rechtbank acht hierbij bovendien van belang dat eiser desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat, in tegenstelling tot hetgeen in de bestreden beschikking door verweerder wordt gesteld, in Kovin de voertaal Servisch is en niet Roemeens en tevens dat het overgrote deel van de bevolking in Kovin Serviër is.

Nu verweerder aanleiding heeft gezien vragen te stellen aan de Minister van Buitenlandse zaken, de antwoorden hierop zonder opgaaf van redenen niet afwacht en vervolgens op basis van niet verifieerbare algemene informatie een beslissing neemt op de asielaanvragen van eisers, is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikking een zorgvuldige voorbereiding ontbeert. De bestreden beschikking is mitsdien in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen en komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

4.3 Het beroep is, gelet op het vorenstaande, gegrond.

4.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikkingen;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvragen dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. de Haas in tegenwoordigheid van mr. M.H.B. Boksebeld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2003

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 14 maart 2003