Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8334

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
AWB 01/22749
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / voorwaarden.

Ingevolge hoofdstuk A4/6.22.3 Vc 1994, komt een vreemdeling in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid indien - naast de overige (cumulatieve) voorwaarden waaraan moet zijn voldaan - het oorspronkelijk beoogde doel, waarvoor de vreemdeling verblijf heeft aangevraagd, op de datum van de beslissing nog aanwezig is en de vreemdeling voldoet aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning. Verweerder heeft aan eiseres het ontbreken van gelegaliseerde en geverifieerde akten waarmee zij haar (on)gehuwde staat kan aantonen tegengeworpen. In het oude, in deze zaak toepasselijke, beleid werd niet de eis gesteld dat het ongehuwd dan wel gehuwd zijn middels gelegaliseerde en geverifieerde documenten moest worden aangetoond, zodat verweerder die eis dan ook niet in rechte aan eiseres kon tegenwerpen. Eiseres heeft bij haar aanvraag verzocht om verblijf bij partner. Ten tijde van het bestreden besluit wenste eiseres nog steeds verblijf bij diezelfde partner, die toen inmiddels haar echtgenoot was geworden en voldeed zij daarmee nog aan het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/22749 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1965, van Ghanese nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. R.E. Spelt, advocaat te Hilversum,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Mearadji, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 27 maart 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel ‘verblijf bij partner, heer C’. Bij besluit van 3 februari 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 16 februari 1999 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 14 april 1999 ongegrond verklaard. Bij brief van 2 februari 2000 heeft verweerder het besluit van 14 april 1999 ingetrokken en toegezegd een nieuwe besluit te zullen nemen. Verweerder heeft eiseres bij brief van 11 juli 2000 in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken over te leggen. Op 2 mei 2001 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 16 mei 2001 opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 28 mei 2001 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 20 juni 2001. Op 27 maart 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 29 november 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2002. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig C en de twee minderjarige kinderen van eiseres, D en E.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Eiseres is op 12 oktober 1997 Nederland binnengekomen. De kinderen van eiseres zijn respectievelijk op [...] 1998 en op [...] 2000 in Nederland geboren.

2. Bij besluit van 10 september 1997 is aan C een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd verleend.

3. Bij besluit van 12 februari 1999 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de geboorteakte en de ongehuwdverklaring van eiseres voor legalisatie geweigerd. Bij besluit van 27 februari 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken het hiertegen gerichte bezwaar - betreffende de ongehuwdverklaring - ongegrond verklaard. Het hiertegen ingediende beroep is door deze rechtbank (sector bestuursrecht algemeen) bij uitspraak van 4 juni 2002 (AWB 01/902) ongegrond verklaard. Kort weergegeven is in die uitspraak - voor zover hier van belang - het volgende bepaald. De Minister van Buitenlandse Zaken kon in redelijkheid besluiten niet over te gaan tot verificatie van de geboorteakte, nu redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van de inhoud daarvan. Gelet op de ongeldigheid en onbruikbaarheid van de geboorteakte is de identiteit van eiseres niet in voldoende mate komen vast te staan. De Minister van Buitenlandse Zaken hoefde eiseres voorts niet de gelegenheid te bieden om in het kader van het verzoek om legalisatie van de ongehuwdverklaring met aanvullende gegevens te komen. Er bestond geen aanleiding in afwijking van het beleid anders te handelen.

4. Tegen de onder II.3 genoemde uitspraak is hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet heeft voldaan aan de zelfstandige voorwaarde haar ongehuwde burgerlijke staat aan te tonen middels gelegaliseerde en geverifieerde documenten. Zij komt derhalve niet in aanmerking voor de gevraagde vergunning tot verblijf. De stelling van eiseres dat de weigering van de Minister van Buitenlandse Zaken om de door haar aangeboden documenten te legaliseren, beschouwd moet worden als (on)gevraagd advies maakt dit oordeel niet anders. Voornoemde weigering is immers geen advies, maar een publiekrechtelijke rechtshandeling van een bestuursorgaan, waartegen een afzonderlijke rechtsgang openstaat. Niet gebleken is van omstandigheden die verweerder nopen tot gebruikmaking van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Verweerder acht in dit kader redengevend dat niet vaststaat dat eiseres ongehuwd is en evenmin gebleken is dat aan de voorwaarden voor toelating zal worden voldaan. Voorts is niet gebleken dat terugkeer naar Ghana van eiseres niet verlangd kan worden: eiseres spreekt immers geen Nederlands, is eerst op 32 jarige leeftijd naar Nederland gekomen en kan, gezien haar leeftijd, geacht worden zich in Ghana te handhaven. Ten slotte is van belang dat K. Panou de kinderen van eiseres niet heeft erkend. Overigens lag er ten tijde van het bestreden nog geen onherroepelijke uitspraak van de rechtbank. Die kwam immers eerst op 4 juni 2002, weshalve verweerder ervan mocht uitgaan dat eiseres niet op de door haar gestelde wijze in bewijsnood verkeerde.

1.2 Het beroep van eiseres op het driejarenbeleid faalt op grond van hoofdstuk B1/2.2.11 juncto hoofdstukken B 2/4.5 en B 2/12 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 eveneens. Weliswaar zijn inmiddels drie jaren relevant tijdsverloop verstreken en is voldaan aan het middelenvereiste, doch niet is voldaan aan de voorwaarde het (on)gehuwd zijn middels de daarvoor vereiste documenten aan te tonen. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat nog steeds wordt voldaan aan het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel.

1.3 Ten slotte is weliswaar sprake van gezinsleven tussen eiseres, haar partner en haar kinderen doch niet van inmenging in dat gezinsleven in geval van gedwongen terugkeer van eiseres naar Ghana. In dit verband is van belang dat eiseres ten tijde van het aangaan van het gezinsleven hier te lande wist dat zij en haar kinderen niet verblijfsgerechtigd waren respectievelijk zouden zijn. Bij gedwongen terugkeer wordt eiseres voorts niet een recht ontnomen dat haar (feitelijk) in staat stelde haar gezinsleven hier te lande uit te oefenen. Niet gebleken is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Ghana, althans buiten Nederland uit te oefenen.

1.4 Evenmin is gebleken dat aan eiseres verblijf hier te lande moet worden toegestaan wegens klemmende redenen van humanitaire aard nu van zodanige redenen niet is gebleken.

2.1 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij zich voldoende heeft ingespannen voor de legalisatie van de ongehuwdverklaring door de Minister van Buitenlandse Zaken. Hoewel deze verklaring ook in bezwaar ter legalisering is geweigerd, wordt niet getwijfeld aan de ongehuwde staat van eiseres ten tijde van de aanvraag. Eiseres verkeert in bewijsnood, nu de door haar overgelegde en over te leggen stukken blijkens de uitspraak van deze rechtbank (sector bestuursrecht algemeen) van 4 juni 2002 (AWB 01/902) nooit zullen (kunnen) worden goedgekeurd. Het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken om de geboorteakte van eiseres niet te verifiëren, is door de rechtbank immers redelijk bevonden, waardoor ook de overige documenten nooit voor legalisatie of verificatie in aanmerking kunnen komen. Verweerder had de stukken in de legalisatieprocedure zelf moeten toetsen en ingevolge artikel 4:84 van de Awb, in afwijking van het beleid, de gevraagde vergunning tot verblijf moeten verlenen. Verweerder heeft in het bestreden besluit volstrekt onvoldoende gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van voornoemde afwijkingsbevoegdheid.

2.2 Op 28 maart 2001 is de driejarentermijn ten aanzien van de aanvraag van eiseres volgelopen. Gelet hierop en op het feit dat een overgangsregeling ontbreekt, is het - voor eiseres meest gunstige - driejarenbeleid zoals dat gold vóór 1 april 2001, van toepassing. In strijd met de zorgvuldigheid is in het kader van de hoorzitting namens verweerder gesteld dat, nu eiseres inmiddels - op 25 maart 2000 met C te Ghana - in het huwelijk is getreden, er een probleem zou kunnen ontstaan in verband met het tengevolge van dat huwelijk gewijzigde verblijfsdoel. Vervolgens is in het bestreden besluit een andere afwijzingsgrond geformuleerd. Anders dan verweerder meent, is het oorspronkelijke verblijfsdoel van eiseres - verblijf bij C - echter nog steeds aanwezig. Niet kan worden volgehouden dat reeds onder het oude beleid het beschikken over gelegaliseerde documenten een voorwaarde was voor een geslaagd beroep op het driejarenbeleid. De beleidswijziging (die in hoofdstuk B 1/2.2.11 van de Vc 2000 heeft plaatsgevonden) - dat voor een geslaagd beroep op het driejarenbeleid gelegaliseerde documenten noodzakelijk zijn - ten opzichte van het oude driejarenbeleid, is onvoldoende kenbaar en deugdelijk gemotiveerd. In het rapport van 21 november 2000 inzake de Vw 2000 is immers toegezegd dat het driejarenbeleid niet zal worden gewijzigd. Mede gelet op het artikel van B.K. Olivier in Migrantenrecht (nr. 7/02, p. 224) kan die beleidswijziging niet worden geaccepteerd en moet het oude driejarenbeleid worden toegepast. Subsidiair stelt eiseres zich in deze op het standpunt dat uit het nieuwe beleid of uit de wet niet volgt dat het ontbreken van een gelegaliseerde en geverifieerde huwelijksakte een afwijzingsgrond is die in het kader van het driejarenbeleid mag worden gesteld.

2.3 Van eiseres kan voorts onmogelijk verlangd worden dat zij haar gezinsleven in Ghana voortzet. Haar echtgenoot heeft de Togolese nationaliteit, is geworteld in de Nederlandse samenleving en heeft hier te lande een vtv voor onbepaalde tijd en een vaste dienstbetrekking. Voor de in Nederland geboren kinderen van eiseres is het, gezien hun leeftijd, niet wenselijk in Ghana op te groeien. Eiseres dient derhalve in ieder geval op grond van artikel 8 van het EVRM in het bezit van een verblijfsvergunning worden gesteld.

IV. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

3. Ten aanzien van eiseres’ beroep op het driejarenbeleid, overweegt de rechtbank het volgende. Op 28 maart 2001 was nog geen (onherroepelijke) beslissing op de aanvraag van eiseres genomen en was derhalve sprake van drie jaar relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid. Gelet op het feit dat de termijn nog voor de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 en aanverwante regelingen is volgelopen, dient het beroep van eiseres te worden getoetst aan het oude driejarenbeleid, te weten het beleid zoals dat gold voor 1 april 2001.

4. Ingevolge hoofdstuk A 4/6.22.3 van de Vc 1994, komt een vreemdeling in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid indien - naast de overige (cumulatieve) voorwaarden waaraan moet zijn voldaan - het oorspronkelijk beoogde doel, waarvoor de vreemdeling verblijf heeft aangevraagd, op de datum van de beslissing nog aanwezig is en de vreemdeling voldoet aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning. Dit is bijvoorbeeld bij huwelijk of verblijf bij partner het geval als er sprake is van samenwoning en er nog steeds sprake is van dezelfde echtgeno(o)t(e) of partner als ten tijde van de oorspronkelijke aanvraag.

5. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres tegengeworpen dat zij niet middels - de ingevolge hoofdstukken B 2/4.5 en B 2/12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vereiste -gelegaliseerde en geverifieerde documenten heeft aangetoond dat zij ongehuwd dan wel rechtsgeldig gehuwd is. Derhalve kan volgens verweerder niet worden volgehouden dat zij ten tijde van het bestreden besluit ongehuwd dan wel gehuwd was en dat zij nog aan het verblijfsdoel voldeed. Gelet hierop kan volgens verweerder aan eiseres geen vergunning op grond van het driejarenbeleid worden verleend.

6. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit standpunt van verweerder dat in het oude, in deze zaak toepasselijke, beleid niet de eis werd gesteld dat het ongehuwd dan wel gehuwd zijn middels gelegaliseerde en geverifieerde documenten moest worden aangetoond. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder die eis dan ook niet in rechte aan eiseres tegenwerpen. Eiseres heeft bij haar aanvraag verzocht om verblijf bij partner C. Ten tijde van het bestreden besluit wenste eiseres nog steeds verblijf bij C, die toen inmiddels haar echtgenoot was geworden en voldeed zij daarmee nog aan het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel. In zoverre kan het onder IV.5 weergegeven standpunt van verweerder de rechterlijke toets dan ook niet doorstaan en is het beroep in zoverre gegrond.

7. Ten overvloede overweegt de rechtbank ten aanzien van verweerders beroep op de uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 maart 2002 (geregistreerd onder nummer 200200879/1) het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder met deze verwijzing dat de termijn in de aan die uitspraak ten grondslag liggende zaak, anders dan in het onderhavige geval, eerst na inwerkingtreding van de Vw 2000 en aanverwante regelingen was volgelopen. Reeds hierom kan dit beroep dan ook niet slagen.

8. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking.

9. Het bestreden besluit zal met toepassing van artikel 8:72, eerste lid, van de Awb, worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, opdragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

11. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd

vier en veertig), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door

eiser betaalde griffierecht ad € 102, 10 (zegge: honderd en twee euro en tien cent).

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Quist, griffier, en openbaar gemaakt op: 13 maart 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 13 maart 2003

Conc: JQ

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.