Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8331

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-04-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
AWB 01/59154
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / vvtv / tijdsverloop.

Eiser is afkomstig uit Noord-Irak. Hem is een vvtv verleend. Voorzover eiser zich op het standpunt stelt in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid, overweegt de rechtbank dat uit het besluit van 10 oktober 2001 niet kan worden afgeleid dat dit mede strekt tot weigering van een dergelijke vergunning. Gelet op de uitspraak 200206784/1 van de ABRS van 16 januari 2003 kan de rechtbank in de onderhavige procedure dan ook niet oordelen over de vraag of aan eiser op grond van het driejarenbeleid een vergunning moest worden verleend. Dit geldt evenzeer voor de ter zitting door eiser ingenomen stelling dat hij in aanmerking dient te komen voor een vergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Eiser dient terzake een nieuwe (reguliere) aanvraag in te dienen.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/59154 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1970, van Iraakse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. E.S. van Aken, advocaat te Zierikzee,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Kuijpers, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 1 september 1999 - uitgereikt op 6 december 1999 - heeft verweerder de aan eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) ingetrokken. Bij bezwaarschrift van 23 december 1999 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 27 januari 2000. Het bezwaar is bij besluit van 10 oktober 2001 kennelijk ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 7 november 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 17 december 2001. Op 21 mei 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 21 januari 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 22 januari 2003 heeft eiser de aanwezigheid ter zitting van C en D aangekondigd.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig K. Saleh, tolk in de Koerdische taal, en C en D.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en is afkomstig uit Ranya in Noord-Irak.

2. Op 11 februari 1997 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf (vtv) wegens klemmende redenen van humanitaire aard ingediend. Bij besluit van 6 juni 1997 zijn deze aanvragen afgewezen en is aan eiser een vvtv verleend, ingaande op 11 februari 1997 en geldig tot 11 februari 1998. Het tegen voornoemd besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 20 november 1997 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 augustus 1999, heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, doch op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zijn de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1 Eiser stelt dat hij recht heeft op een vvtv, althans op een vergunning tot verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, omdat hij daarvoor op het moment van zijn asielaanvraag in aanmerking kwam en de situatie in Noord-Irak sindsdien niet zodanig is veranderd dat een dergelijke vergunning kan worden ingetrokken. Verweerders beleid met betrekking tot terugkeer naar Noord-Irak is nog niet volledig uitgekristalliseerd en bovendien moet rekening worden gehouden met het recentelijk gewijzigde beleid ten aanzien van de terugkeer van Centraal-Irakezen naar Noord-Irak. Mede gelet op de eiser persoonlijk betreffende omstandigheden kan van eiser terugkeer naar Noord-Irak in redelijkheid niet worden verlangd.

1.2 Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, omdat het onmogelijk is voor hem om Noord-Irak binnen te komen. Er bestaat geen Noord-Iraakse vertegenwoordiging waartoe hij zich kan wenden voor het verkrijgen van de benodigde papieren, bovendien is bekend dat Turkije niet meewerkt aan de terugkeer naar Noord-Irak via het Turkse grondgebied.

1.3 Volgens eiser is sprake van tenminste drie jaren relevant tijdsverloop op grond waarvan hij in aanmerking meent te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid.

2.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hierbij is van belang dat verweerder bij brief van 20 november 1998 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal kenbaar heeft gemaakt dat Iraakse asielzoekers niet langer in aanmerking komen voor een vvtv. Bij uitspraken van de Rechtseenheidskamer (REK) van 13 september 1999 heeft de REK geoordeeld dat deze beleidswijziging de rechterlijke toets kan doorstaan. Nu de beslissing omtrent het al dan niet laten voortduren van een vvtv-beleid een categoriale beslissing is, kunnen individuele feiten en omstandigheden in de procedure tegen de intrekkingen van de vvtv geen rol spelen.

2.2 Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van drie jaren relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid hoe dan ook geen sprake is, zodat eiser niet voor een vergunning op grond van voornoemd beleid in aanmerking komt.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Aan eiser is op grond van artikel 12b van de Vreemdelingenwet (hierna Vw (oud)) een vvtv verleend, omdat naar het oordeel van verweerder gedwongen verwijdering van eiser naar Irak van bijzondere hardheid was in verband met de algehele situatie aldaar. Ingevolge artikel 12a, vierde lid, van de Vw (oud) kan een vvtv worden ingetrokken of niet verlengd indien de beletselen voor uitzetting zijn opgeheven.

3. In de brief van 20 november 1998 aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft verweerder bericht dat het vvtv-beleid voor Irakese asielzoekers wordt beëindigd. In haar uitspraken van 13 september 1999 heeft de REK geoordeeld dat deze beleidswijziging niet onredelijk is.

4. Gelet op de veiligheidssituatie in geheel Irak heeft verweerder eiser enige tijd bescherming geboden. Na beëindiging van het vvtv-beleid bood verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit die bescherming - kort samengevat - nog slechts aan Irakezen die behoren tot met name genoemde risicogroepen en aan Irakezen die afkomstig zijn uit Centraal-Irak en niet beschikken over een vestigingsalternatief in Noord-Irak.

5. Gelet op het feit dat eiser afkomstig is uit Noord-Irak, behoort hij niet tot de groeperingen als bedoeld in rechtsoverweging IV.4, zodat verweerder niet gehouden was hem uit dien hoofde een vergunning tot verblijf te verlenen. Reeds gelet op eisers afkomst behoefde verweerder evenmin rekening te houden met het inmiddels gewijzigde beleid ten aanzien van Centraal-Irakezen.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten individuele aspecten buiten beschouwing te laten in het bestreden besluit. De rechtbank verwijst naar het standpunt van verweerder, zoals verwoord in rechtsoverweging III.2.1, welk standpunt de rechtbank hier overneemt. De rechtbank is van oordeel dat individuele aspecten in het geval van uit Noord-Irak afkomstige Koerden niet bij het besluit tot intrekking van de vvtv behoeven te worden betrokken, nu deze groep in beginsel bij terugkeer naar Noord-Irak niet in een humanitaire noodsituatie zal komen te verkeren. De rechtbank voegt hier ten overvloede nog aan toe dat dit derhalve ook geldt voor eiser die afkomstig is uit Ranya, gelegen in Noord-Irak, en tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft geen concrete individuele omstandigheden aangevoerd - voor zover daarover overigens niet reeds onherroepelijk is geoordeeld in de uitspraak van 2 augustus 1999 - waaruit blijkt dat hij zich niet in Noord-Irak zou kunnen handhaven.

7. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder dan ook in redelijkheid besluiten tot het intrekken van de aan eiser verleende vvtv.

8. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid, overweegt de rechtbank dat uit het besluit van 10 oktober 2001 niet kan worden afgeleid dat dit mede strekt tot weigering van een dergelijke vergunning. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2003 (AWB 200206784/1) kan de rechtbank in de onderhavige procedure dan ook niet oordelen over de vraag of aan eiser op grond van het driejarenbeleid een vergunning moest worden verleend. Dit geldt evenzeer voor de ter zitting door eiser ingenomen stelling dat hij in aanmerking dient te komen voor een vergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Eiser dient terzake een nieuwe (reguliere) aanvraag in te dienen.

9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

10. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

11. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. B.A. Jong, voorzitter, en mrs. W.J. van Bennekom en H.B. van Gijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Quist, griffier, en openbaar gemaakt op: 14 april 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 14 april 2003

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.