Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8321

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
AWB 99/3453
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / strafrechtelijke veroordeling / artikel 8 EVRM.

De toelating als vluchteling is ingetrokken en eiser is ongewenst verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van zijn wettelijke bevoegdheid om de aan eiser verleende toelating als vluchteling in te trekken. Volgens vaste jurisprudentie kan aan het Vluchtelingenverdrag op zichzelf, mogelijke schending van artikel 3 EVRM geen aanspraak op toelating als vluchteling worden ontleend. De intrekking van de toelating als vluchteling levert op zichzelf geen strijd op met deze verdragen. Slechts de uitzetting naar een land waar gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag bestaat dan wel een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM levert schending van deze verdragen op. Vanwege mogelijke schending van artikel 3 EVRM wordt eiser niet bedreigd met uitzetting naar Iran, zodat van verdragsschending geen sprake is.

Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens zes strafbare feiten, waaronder vier opzettelijk begane misdrijven waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer was bedreigd.

Gelet op de lange duur van de gevangenisstraf en het ernstige karakter van de feiten heeft verweerder op goede gronden kunnen oordelen dat sprake was van gewichtige redenen ontleend aan het algemeen belang (openbare orde) op grond waarvan de toelating als vluchteling kon worden ingetrokken. Er is geen sprake van schending van artikel 8 EVRM. Aangenomen dat sprake is van inmenging in het recht op respect voor family life, is de inmenging gerechtvaardigd door het belang dat wordt gediend met het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM. Relevant is dat de aanleiding voor de ongewenstverklaring onder meer is gelegen in de veroordeling wegens mishandeling van zijn (ex)-echtgenote en bedreigingen tegen zijn (ex)-echtgenote en zijn oudste dochter. Eiser woonde niet met zijn jongste dochter samen, heeft niet gesteld dat hij intensief contact met haar onderhield en een zinvolle bijdrage leverde aan haar opvoeding en verzorging en heeft niet onderbouwd dat zijn dochter zijn aanwezigheid op prijs stelde.

De stelling dat ongewenstverklaring achterwege had moeten blijven omdat eiser niet uitzetbaar is naar Iran, noch naar enig ander land wordt niet gevolgd. De ACV heeft geadviseerd de ongewenstverklaring niet achterwege te laten en heeft overwogen dat eventueel kan worden nagegaan of enig ander land dan Iran zich bereid toont eiser als vluchteling toe te laten. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat er een verplichting op verweerder rust om inspanningen te verrichten om eiser uit Nederland te verwijderen alvorens tot (handhaving in bezwaar van de) ongewenstverklaring over te gaan. Het ligt primair op de weg van eiser om Nederland te verlaten. Dit geldt ook in een situatie waarbij een gedwongen uitzetting naar het land van herkomst mogelijk in strijd is met artikel 3 EVRM.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 99/3453

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1954,

van Iraanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9105.30.0019,

gemachtigde: mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle,

eiser;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr.T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 Feiten en procesverloop

1.1 Op 30 mei 1991 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Eiser is bij beschikking van 29 juni 1992 toegelaten als vluchteling.

1.2 Bij vonnis van 23 april 1996 van de meervoudige strafkamer van de arrondissementsrechtbank te Almelo is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren.

1.3 Bij beschikking van 28 mei 1997 is de toelating als vluchteling ingetrokken en is eiser ongewenst verklaard. Bij brief van 23 juni 1997 is daartegen bezwaar gemaakt. Op 16 december 1998 is eiser gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV). De ACV heeft bij advies van 16 december 1998 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Bij beschikking van 1 april 1999 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is aan eiser bericht dat hij Nederland zelfstandig dient te verlaten en de behandeling van een eventueel in te stellen beroep niet in Nederland zal mogen afwachten. Tevens is daarbij bericht dat een gedwongen verwijdering naar Iran, vanwege mogelijke strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), niet aan de orde is.

1.4 Bij brief van 15 april 1999 heeft eiser tegen deze beschikking beroep ingesteld. Het beroep is ter zitting van 8 januari 2003 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Standpunten

Standpunt verweerder

2.1 Aanleiding voor de intrekking van de toelating als vluchteling en de ongewenstverklaring vormt het vonnis van 23 april 1996 van de meervoudige strafkamer van de arrondissementsrechtbank te Almelo. Eiser is bij genoemd vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren wegens een complex van een zestal strafbare feiten waarvan vier opzettelijk begane misdrijven waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd, hetgeen impliceert dat hij een inbreuk heeft gemaakt op de openbare orde. Mitsdien kon zijn toelating als vluchteling op grond van artikel 15, derde lid, juncto artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (oud) worden ingetrokken en kon hij op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet ongewenst worden verklaard.

Eiser heeft de strafbare feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld gepleegd in de periode vanaf 1 mei 1994 tot 20 december 1995, derhalve op tijdstippen waarop hij minder dan drie jaar, doch in elk geval minder dan vier jaar hier te lande verbleef. Bij een verblijf in Nederland van even vermelde duur geldt - behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen - als uitgangspunt dat een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 18 maanden tot verblijfsbeëindiging en ongewenst verklaring zal leiden. De aan eiser opgelegde straf bedraagt meer dan 18 maanden onvoorwaardelijk, zodat ingevolge het ter zake gevoerde beleid verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring geïndiceerd is. In aanmerking is genomen de aard, ernst en de omvang van de door eiser gepleegde strafbare feiten, alsmede het feit dat de delicten zich hebben verspreid over een lange periode zodat gesteld kon worden dat er sprake is van recidivegevaar.

Hetgeen door en namens eiser voorafgaand aan de intrekking van de toelating als vluchteling en ongewenstverklaring en vervolgens bij de ACV is aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat ten aanzien van eiser sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat, bij afweging van alle aan de orde zijnde belangen, aanleiding had moeten bestaan verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring - in afwijking van het gevoerde beleid - achterwege te laten. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat hij zich na bovengenoemde veroordeling niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, dat zijn ex-echtgenote op dit moment geen problemen met hem heeft en dat zijn thans zelfstandig wonende dochter B geen bezwaar heeft tegen zijn verblijf in C. Deze argumenten leiden volgens verweerder niet tot een ander oordeel, nu eiser niet uitsluitend is veroordeeld ter zake van mishandeling van zijn echtgenote en bedreiging van zijn dochter. Eiser heeft - als gezegd - meermalen en over een langere periode strafbare feiten gepleegd. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat voor recidive niet behoeft te worden gevreesd.

De verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring leiden volgens verweerder niet tot schending van artikel 8 EVRM. Eisers huwelijk met D was ten tijde van de beslissing op bezwaar ontbonden. Weliswaar leveren de onderhavige maatregelen inmenging op in het respect voor het familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarige dochter E, doch deze vindt zijn rechtvaardiging in het belang dat wordt gediend met het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, als bedoeld in het tweede lid van vermeld Verdragsartikel. Het algemene belang bij handhaving van de openbare orde dient in dit geval te prevaleren boven de persoonlijke belangen van eiser bij voortgezet verblijf in Nederland. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser herhaaldelijk de persoonlijke integriteit van zijn gezinsleden als ook de Nederlandse rechtsorde heeft geschaad.

Tenslotte heeft verweerder in de bestreden beschikking overwogen dat vanwege de aard en inhoud van de strafbare feiten zoals deze door eiser zijn gepleegd, aanleiding bestaat om de oprechtheid en betrouwbaarheid van eiser ten zeerste te betwijfelen. Dit geeft tevens aanleiding om aan de geloofwaardigheid van de eerder door hem afgelegde verklaringen omtrent zijn asielmotieven te twijfelen. Een gedwongen uitzetting naar Iran is echter niet aan de orde vanwege een mogelijke schending van artikel 3 EVRM. Eiser is aangezegd Nederland zelfstandig te verlaten.

Standpunt eiser

2.2 Eiser stelt zich op het standpunt dat er in redelijkheid onvoldoende aanleiding bestond om de toelating als vluchteling in te trekken en tot ongewenstverklaring over te gaan. De ACV is er bij de beoordeling vanuit gegaan dat verweerder de erkenning als vluchteling in stand heeft gelaten. Ook uit de bestreden beschikking blijkt dat verweerder van mening is dat eiser bij terugkeer naar Iran mogelijk het risico loopt te worden behandeld als bedoeld in artikel 3 EVRM. In een begeleidend schrijven van 1 april 1999 van verweerder aan de vreemdelingendienst staat immers vermeld dat een gedwongen verwijdering naar Iran niet aan de orde is vanwege mogelijke strijd met artikel 3 EVRM.

Verder is aangevoerd dat door verweerder in het kader van artikel 8 EVRM geen adequate belangenafweging is gemaakt. Eiser heeft in dit verband gesteld dat hij na zijn laatste veroordeling geen strafbare feiten meer heeft gepleegd en dat hij regelmatig omgang heeft met zijn kinderen en overigens ook met zijn ex-echtgenote. Het belang van de kinderen zou zich verzetten tegen zijn uitzetting uit Nederland.

Voorts is namens eiser aangevoerd dat de ACV destijds aan verweerder in overweging heeft gegeven om na verloop van een redelijke termijn de beslissing tot ongewenstverklaring te heroverwegen. Inmiddels is geruime tijd verstreken zodat aanleiding bestaat de beslissing tot ongewenstverklaring te heroverwegen.

Tenslotte is aangevoerd dat door verweerder niet is onderzocht of enig ander land dan Iran zich bereid toont eiser als vluchteling toe te laten. In concreto is er geen reëel zicht op uitzetting naar welk land dan ook. In de gegeven omstandigheden zijn volgens eiser de gevolgen van de ongewenst verklaring onevenredig in verhouding tot het met dit beleid te dienen doel.

3 Overwegingen

3.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking, strekkende tot intrekking van de toelating als vluchteling en tot ongewenstverklaring, toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Dit vereist een beoordeling ex-tunc. Niet ter zake doet of nadien optredende omstandigheden reden zouden vormen tot opheffing van de ongewenstverklaring. De wet voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring in te dienen (thans neergelegd in artikel 68 Vw 2000 junco 6.6 Vb 2000). Eventuele redenen om tot opheffing van de ongewenstverklaring te komen liggen niet ter toetsing voor in onderhavige procedure.

3.2 Bij de beoordeling van dit geschil is voorts van belang dat verweerder de erkenning als vluchteling in stand heeft gelaten, althans in het kader van de besluitvorming onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser in Iran geen gegronde vrees voor vervolging (meer) zou hebben. Verweerder heeft in dat verband bij verweerschrift van 1 november 2000 het standpunt ingenomen dat bij de toetsing van het onderhavige besluit uitgangspunt dient te zijn dat eiser in Iran nog steeds een reëel risico loopt om te worden vervolgd, dat de overwegingen in het bestreden besluit omtrent de gerezen twijfel over de geloofwaardigheid van de eerder door eiser afgelegde verklaringen over zijn asielmotieven complementair zijn en niet de dragende motivering van dat besluit vormen en dat daar in de onderhavige procedure dan ook verder geen aandacht aan hoeft te worden besteed.

3.3 Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van zijn wettelijke bevoegdheid om de aan eiser verleende toelating als vluchteling in te trekken.

Het is vaste jurisprudentie dat aan het Vluchtelingenverdrag op zichzelf geen aanspraak op toelating als vluchteling kan worden ontleend en dat aan een mogelijke schending van artikel 3 EVRM evenmin aanspraak op een verblijfstitel ontleend kan worden. Ook de intrekking van de toelating als vluchteling levert op zichzelf geen strijd op met deze verdragen. Slechts de uitzetting naar een land waar gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag bestaat, dan wel een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM levert schending van deze verdragen op. Eiser wordt niet bedreigd met (indirecte) uitzetting naar Iran zodat van verdragsschending geen sprake is.

Op grond van artikel 15, derde lid juncto 14, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet (oud) kan de toelating als vluchteling worden ingetrokken, indien de vreemdeling bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens het opzettelijk begaan van een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd. Op grond van het ten tijde van de bestreden beschikking terzake geldende beleid, neergelegd in Vc 1994 A4/4.3, werd het voortgezet verblijf van een vreemdeling hier te lande na een veroordeling alleen ontzegd, indien er aanleiding bestond de vreemdeling overeenkomstig het gestelde in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet ongewenst te verklaren, hetgeen impliceert dat ongewenstverklaring en verblijfsbeëindiging samenvallen, indien sprake is van een misdrijf, dan wel meerdere misdrijven, waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd. Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren wegens een zestal strafbare feiten, waaronder vier opzettelijk begane misdrijven waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer was bedreigd. Noch het beleid noch de juiste toepassing daarvan is door eiser betwist zodat bij de beoordeling van dit geschil van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan.

Gelet op de lange duur van de opgelegde gevangenisstraf en het ernstige karakter van de feiten waarvoor eiser is veroordeeld heeft verweerder op goede gronden kunnen oordelen dat sprake was van gewichtige redenen ontleend aan het algemeen belang (openbare orde) op grond waarvan de toelating als vluchteling kon worden ingetrokken. Aan de door eiser in dit verband naar voren gebrachte belangen heeft verweerder in redelijkheid minder gewicht kunnen toekennen. Dat eiser, zoals bij de ACV verklaard, zich na de veroordeling niet opnieuw schuldig zou hebben gemaakt aan strafbare feiten en dat de kans op herhaling nihil zou zijn, hoefde verweerder niet op voorhand aannemelijk te achten. De door eiser gepleegde misdrijven zijn aanzienlijk in aantal en hebben zich over een ruime periode uitgestrekt. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het vonnis van 22 juni 1995 van de politierechter van de arrondissementsrechtbank te Almelo waarbij eiser veroordeeld werd terzake van twee diefstallen. Ontbreken van recidivegevaar noopt overigens op zichzelf niet tot het achterwege laten van de intrekking van de vluchtelingenstatus.

3.4 De intrekking van de vluchtelingenstatus en de ongewenstverklaring leveren in deze zaak geen schending op van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Er is geen grond voor het oordeel dat de persoonlijke belangen van eiser niet zorgvuldig zijn afgewogen tegen het algemene belang dat uit oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend. Het huwelijk tussen eiser en D was ten tijde van de beschikking niet meer in stand. Alleen ten aanzien van eisers dochter E was sprake van "family life" in de zin van artikel 8 EVRM. Zij was ten tijde van de beschikking 13 jaar. Aangenomen dat de onderhavige beschikking een inmenging oplevert in het recht op respect voor dat family life, is de inmenging gerechtvaardigd door het belang dat wordt gediend met het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. In dit verband is relevant dat de aanleiding voor de ongewenstverklaring onder meer is gelegen in de veroordeling wegens mishandeling van zijn (ex)-echtgenote en bedreigingen tegen zijn (ex)-echtgenote en zijn oudste dochter. Verder is van belang dat eiser ten tijde van de bestreden beschikking niet met zijn jongste dochter samenwoonde, niet heeft gesteld dat hij intensief contact met haar onderhield en een zinvolle bijdrage leverde aan haar opvoeding en verzorging en tenslotte niet heeft onderbouwd dat zijn jongste dochter zijn aanwezigheid op prijs stelde.

3.5 Eerst ter zitting is namens eiser aangevoerd dat ongewenstverklaring achterwege had moeten blijven omdat eiser niet uitzetbaar is naar Iran, noch naar enig ander land. In dat verband is gewezen op het ACV advies waaruit volgens eiser volgt dat verweerder eerst had moeten nagaan of een ander land bereid is eiser bescherming te verlenen tegen refoulement alvorens over te gaan tot handhaving in bezwaar van de beslissing tot ongewenstverklaring. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, moet volgens eiser worden geconcludeerd dat de bestreden beschikking niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

De rechtbank verenigt zich niet met dat betoog. De rechtbank stelt vast dat de ACV in haar advies van 16 december 1998 heeft geadviseerd om - ondanks het feit dat uitzetting van eiser naar Iran in concreto strijd zou kunnen opleveren met artikel 3 EVRM - de ongewenstverklaring niet achterwege te laten en voorts heeft overwogen dat eventueel kan worden nagegaan of enig ander land dan Iran zich bereid toont eiser als vluchteling toe te laten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat er een verplichting op verweerder rust om inspanningen te verrichten om eiser uit Nederland te verwijderen alvorens tot (handhaving in bezwaar van de) ongewenstverklaring over te gaan.

Het ligt primair op de weg van eiser, die ongewenst is verklaard, om Nederland te verlaten. Dit uitgangspunt geldt ook in een situatie waarbij een gedwongen uitzetting naar het land van herkomst mogelijk in strijd is met artikel 3 EVRM. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij zich voorafgaand aan het bestreden besluit en ook daarna nimmer heeft ingespannen om toelating te verkrijgen tot enig ander land. Het voert te ver om, zoals namens eiser ter zitting gesteld, op voorhand aan te nemen dat eiser nimmer toelating zal kunnen verkrijgen tot enig ander land en dat inspanningen om Nederland te verlaten bij voorbaat illusoir zijn. Het gaat niet aan om verweerder aan te rekenen dat geen pogingen zijn ondernomen om eiser te verwijderen.

3.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er geen grond is voor een oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen.

3.7 Het beroep is, gelet op het vorenstaande, ongegrond.

3.8 Op 15 januari 2003 heeft de rechtbank stukken van verweerder ontvangen. Deze stukken zijn niet bij de beoordeling betrokken reeds vanwege het feit dat deze stukken niet tijdig zijn overgelegd. Er bestaat geen aanleiding voor heropening van het onderzoek op de voet van artikel 8:68 Awb. Bedoelde informatie heeft betrekking op de periode van na de bestreden beschikking. In het kader van de ex-tunc beoordeling van het onderhavige beroep heeft deze informatie geen toegevoegde waarde.

3.9 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4 BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester, mr. E. Steendijk en mr. J.F.M.J. Bouwman, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Pinners als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 5 maart 2003