Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8283

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
AWB 03/11297, 03/11962
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / uitzetting / verklaring van geen bezwaar.

De aard van de schorsing van de voorlopige hechtenis is dat aan een verdachte voorwaarden worden opgelegd ter verwezenlijking van het doel van de voorlopige hechtenis. Door het binden aan voorwaarden is een vrijheidsbeneming niet meer noodzakelijk, maar kan volstaan worden met een lichter middel. Door de schorsing van de voorlopige hechtenis komt derhalve geen einde aan de strafvervolging. Het doel van de voorlopige hechtenis in aanmerking genomen kan het standpunt van het openbaar ministerie, dat betrekking heeft op de situatie van strafvorderlijke heenzending, niet zonder verificatie worden toegepast op verdachten die onder voorwaarden uit de voorlopige hechtenis worden geschorst. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat moet worden aangenomen dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie zoals bedoeld in hoofdstuk A4/3.1:3 Vc 2000, zodat, nu niet expliciet blijkt dat het openbaar ministerie geen bezwaar heeft, niet tot uitzetting mag worden overgegaan. Er is derhalve geen zicht op uitzetting.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 03/11297 en 03/11962

UITSPRAAK

op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1963 te Suriname,

nationaliteit Surinaamse,

IND dossiernummer 7612.31.0084,

thans verblijvende in het politiebureau te Amsterdam,

raadsman mr. H.A. Belfor,

eiser,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

vertegenwoordigd door mr. P. Mulder,

ambtenaar bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1 Procesverloop

Op 20 februari 2003 om 8:00 uur is eiser na executie van vervolgvonnissen, in aansluiting op de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van 26 november 2002 door de rechtbank te Amsterdam, overgedragen aan de Vreemdelingendienst. Vervolgens is hij op grond van artikel 50, derde lid, Vw 2000 overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor.

Op 20 februari 2003 om 9:50 uur is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000).

Eiser heeft hiertegen op 20 februari 2003 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder nummer Awb 03/11297. Verweerder heeft op 24 februari 2003 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het opleggen van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is geregistreerd onder nummer Awb 03/11962. De rechtbank heeft beide beroepen als één beroep aangemerkt.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 februari 2003. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en aan verweerder de mogelijkheid geboden uiterlijk op 28 februari 2003 schriftelijk te reageren op ter zitting gestelde vragen. Eiser heeft gelegenheid gekregen om daarop te reageren. Per fax van 28 februari 2003 heeft de rechtbank verweerder verzocht voor 3 maart 2003 12:00 uur de gedragslijn van het openbaar ministerie te Amsterdam inzake het gestelde in hoofdstuk A4/3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) aan de rechtbank te zenden. Eiser heeft tot 4 maart 2003 12:00 uur de tijd gekregen om hierop te reageren. Partijen hebben per fax aangegeven geen bezwaar te hebben tegen verdere afdoening buiten zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

2 Standpunten

Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren en de opheffing van de bewaring te bevelen.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren.

3 Overwegingen

Beoordeeld dient te worden of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd zijn.

Niet in geschil is dat eiser na de executie van vervolgvonnissen, in aansluiting op de schorsing van de voorlopige hechtenis is overgedragen aan de vreemdelingendienst en vervolgens in bewaring is gesteld. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting betoogd dat nu uit het dossier niet blijkt dat het openbaar ministerie een verklaring van geen bezwaar tegen de uitzetting heeft afgegeven zoals vereist in hoofdstuk A4/3.1 onder 3, Vc 2000, bij voorbaat geen zicht is op uitzetting en de bewaring op die reden onrechtmatig is.

Verweerder heeft in repliek opgemerkt dat de gedragslijn van het openbaar ministerie in Amsterdam zodanig is dat geen bezwaar bestaat tegen inbewaringstelling en uitzetting tenzij dat nadrukkelijk is aangegeven.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Hoofdstuk A4/3.1 Vc 2000 bepaalt, voor zover van belang:

In de volgende gevallen vindt geen uitzetting plaats:

...

3. indien het betreft een vreemdeling die als verdacht van een strafbaar feit is aangehouden, of tegen wie een strafvervolging wegens misdrijf is ingesteld, of die tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld of ten aanzien van wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Een en ander zolang het onderzoek nog niet is beëindigd, of omtrent de strafvervolging nog niet onherroepelijk is beslist, of de opgelegde straf of maatregel nog niet is ondergaan. In zodanige gevallen mag niet tot uitzetting worden overgegaan tenzij het openbaar ministerie daartegen geen bezwaar heeft.

Verweerder heeft per fax van 28 februari 2003 een brief van 31 maart 1999 overgelegd van R. Poulissen, Chef Bureau Vertrekregeling DVRP, waarin het standpunt van het openbaar ministerie, bij telefonische mededeling van mevrouw mr. Voorhuis, officier van justitie te Amsterdam, als volgt wordt verwoord:

Als het OM niet aangeeft dat betrokkene niet mag worden verwijderd, is er geen bezwaar tegen vreemdelingenbewaring/verwijdering. Wil het OM dat betrokkene blijft dan wordt dat per zaak aangegeven. Het OM voelt er niets voor bij elke verdachte die strafvorderlijk wordt heengezonden een verklaring van "geen bezwaar" te voegen.

De rechtbank leest dit standpunt aldus dat het openbaar ministerie in geval van strafvorderlijk heenzenden geen bezwaar heeft tegen vreemdelingenbewaring of verwijdering tenzij dat expliciet is aangegeven. De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 2001, nr. 200106052/1, leest de rechtbank aldus dat daarin het standpunt van het openbaar ministerie, zoals verwoord in de brief van R. Poulissen, beoordeeld is.

In het onderhavige geval is eiser niet strafvorderlijk heengezonden, maar door de raadkamer van de rechtbank te Amsterdam bij uitspraak van 26 november 2002 onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Enkele van deze voorwaarden zijn de volgende:

- dat verdachte aan iedere oproeping in deze zaak vanwege de justitie of de politie gevolg zal geven;

- dat verdachte zal verblijven op het adres [...]straat 35 te B, bij zijn moeder.

De aard van de schorsing van de voorlopige hechtenis is dat aan een verdachte voorwaarden worden opgelegd ter verwezenlijking van het doel van de voorlopige hechtenis. Door het binden aan voorwaarden is een vrijheidsbeneming niet meer noodzakelijk, maar kan volstaan worden met een lichter middel. Door de schorsing van de voorlopige hechtenis komt derhalve geen einde aan de strafvervolging.

In aanmerking genomen het doel van de voorlopige hechtenis kan het standpunt van het openbaar ministerie dat betrekking heeft op de situatie van strafvorderlijke heenzending, niet zonder verificatie worden toegepast op verdachten die onder voorwaarden uit de voorlopige hechtenis worden geschorst. De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat moet worden aangenomen dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie zoals bedoeld in hoofdstuk A4/3.1, onder 3, Vc 2000, zodat, nu niet expliciet blijkt dat het openbaar ministerie geen bezwaar heeft, niet tot uitzetting mag worden overgegaan. Er is derhalve geen zicht op uitzetting.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bewaring van eiser van meet af aan onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden.

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

4 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Y. Kliphuis als griffier op 4 maart 2003.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 5 maart 2003