Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7867

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
AWB 02/92594, 02/92597
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eritrea / desertie.

Verzoekster is sinds 1996 dienstplichtig militair in het Eritrese leger. Zij stelt vanwege haar geloof - zij behoort tot de Pinkstergemeente - niet de mogelijkheid te hebben gekregen vervangende dienstplicht te vervullen. De leider van het onderdeel van het leger waartoe verzoekster behoorde, heeft voorkomen dat haar bijbel is verbrand en dat zij een disciplinaire straf kreeg. Deze leider is gearresteerd door militairen. Daarop heeft een bijeenkomst plaatsgevonden, waarbij verzoekster openlijk kritiek heeft geuit op de legerleiding. Kort daarop is verzoekster gedeserteerd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan verzoekster niet onder categorie a van hoofdstuk C1/2.12 Vc 2000 valt. Verzoeksters asielrelaas valt immers in essentie terug te voeren op problemen die zij in het leger stelt te hebben ondervonden vanwege haar geloof, op de kritiek die zij openlijk op de legerleiding heeft geuit en op haar desertie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder juist de combinatie van deze factoren, in onderling verband beschouwd, bij zijn beslissing onvoldoende heeft meegewogen. Voorts is van belang dat verweerder niet heeft meegewogen dat de meerdere van verzoekster is gearresteerd en haar dan ook geen bescherming meer kon bieden. Dit klemt te meer nu in het ambtsbericht van 1 maart 2002 vermeld staat dat deserteurs zonder proces door hun superieuren worden bestraft en dat onder meer deserteurs vanuit mensenrechtenoptiek meer dan anderen het risico lopen op negatieve bejegening. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 02/ 92594 (voorlopige voorziening), Awb 02/92597 (beroep)

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1978,

van Eritrese nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0212.08.8013,

verzoekster,

gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel Noordoost-Nederland;

en DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. L.C. Harderwijk, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 Op 8 december 2002 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 12 december 2002 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 12 december 2002 heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beschikking van verweerder van 12 december 2002. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 02/92597. Verzoekster is medegedeeld dat zij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten.

1.3 Bij verzoekschrift van 12 december 2002 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 3 januari 2003. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. de Lange. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2 Verzoekster heeft ter ondersteuning van haar asielrelaas, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Verzoekster is van Tigriniaanse afkomst en heeft de Eritrese nationaliteit. Verzoekster is sinds medio 1996 dienstplichtig militair. Ongeveer maart 1999 werd binnen het leger het besluit bekendgemaakt dat een ieder die verdacht werd van (een poging tot) desertie, geëxecuteerd moest worden. Verzoekster had, samen met anderen, principiële bezwaren tegen het besluit. Hun bezwaren werden aan particuliere kranten kenbaar gemaakt. Verzoekster heeft zelf geen brieven geschreven. In totaal zijn er meer dan tien brieven verstuurd vanaf maart 2000 tot september 2001.

Verzoekster begon, samen met anderen, opdrachten van het leger niet uit te voeren. De plicht van iedere soldaat, om bij een vluchtpoging van een soldaat, die soldaat te doden, werd bijvoorbeeld niet uitgevoerd.

Verzoekster stelt dat zij vanwege haar religie - zij behoort tot de Pinkstergemeente -niet de mogelijkheid heeft gekregen om vervangende dienstplicht te vervullen, terwijl dit veel andere vrouwen wel was voorbehouden.

B, de leider van het onderdeel van het leger waartoe verzoekster behoorde, had eerder voorkomen dat verzoeksters Bijbel werd verbrand en dat zij een disciplinaire straf kreeg. Verzoekster had bescherming gekregen van B. Hij deelde met verzoekster en anderen de ontevredenheid en afschuw over de handelingen van het leger en de regering. Op 2 oktober 2002 werd B meegenomen door vier militairen. Vervolgens werd een ieder bij elkaar geroepen, tijdens welke bijeenkomst - er waren ongeveer 120 mensen aanwezig - door verzoekster en anderen tegen de opvolger van B is gezegd dat er duidelijkheid moest komen over de positie van B. Ook verzoekster heeft zich uitgelaten met betrekking tot zaken die in haar ogen veranderd moesten worden. Nadat verzoekster klaar was met haar opmerkingen, werd er door de aanwezigen geklapt en gefloten.

Op 3 oktober 2002 bevond verzoekster zich samen met anderen in een kamp op een heuvel, in welk kamp zich ongeveer 100 tot 120 mensen bevonden. Men zag een tank en open militaire auto’s aankomen. Omdat de eerder vermelde bijeenkomst op een grimmige manier was beëindigd en de militaire voertuigen – ondanks het hijsen van de witte vlag - op agressieve wijze naderden, is verzoekster, samen met drie anderen, weggerend. Na een uur is een metgezel van verzoekster omgekomen. Op 3 oktober 2002 is verzoekster de grens met Sudan overgestoken.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig procesuren kon worden afgewezen. Verweerder overweegt hiertoe dat, nu verzoekster ter staving van haar aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, documenten of andere bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar asielaanvraag en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar is toe te rekenen, de oprechtheid van haar asielrelaas op voorhand is aangetast en afbreuk wordt gedaan aan haar verklaringen.

Ten aanzien van verzoeksters verklaringen inzake haar betrokkenheid bij de Pinkstergemeente, is verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat sprake was van dusdanige discriminatoire behandeling dat er van vervolging in de zin van het Verdrag sprake is. Blijkens verzoeksters verklaringen heeft zij geen noemenswaardige problemen ondervonden en mocht zij van haar leidinggevende haar geloof belijden. Bovendien heeft verzoekster verklaard haar land niet te hebben verlaten vanwege haar geloofsovertuiging.

Inzake de verklaringen over haar desertie uit het Eritrese leger, is verweerder van oordeel dat uit die verklaringen niet blijkt dat verzoekster is gedeserteerd vanwege internationaal veroordeelde dan wel in haar ogen ontoelaatbare militaire acties. Aangaande de door verzoekster vermelde gewetensbezwaren die haar vanaf 1999 hadden beziggehouden, overweegt verweerder dat uit verzoeksters verklaringen geenszins kan worden afgeleid dat zij tot desertie heeft besloten vanwege ernstige gewetensbezwaren. Met betrekking tot de gebeurtenis op 3 oktober 2002 overweegt verweerder dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de negatieve aandacht van de autoriteiten is komen te staan. Verzoekster vermoedt slechts dat men iets van plan was, vanwege de kritiek die zij de vorige dag tijdens een bijeenkomst had geuit. Nu verzoekster dit echter uitsluitend baseert op vermoedens en niet op concrete feiten, kan aan deze verklaring niet de waarde worden toegekend die verzoekster daar-aan toegekend wil zien. Ditzelfde geldt voor verzoeksters verklaring dat er op hen geschoten is. Verzoekster weet immers niet door wie er is geschoten en waarom. Voor desertie kan iemand ten hoogste vijf jaar gevangenisstraf krijgen. Onder verwijzing naar het Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 1 maart 2002, kenmerk DPC/AM-737579, overweegt verweerder dat deserteurs in het algemeen niet worden berecht, ook niet door de militaire rechtbank. In onderhavig geval is dan ook niet gebleken van een risico op onevenredige, dan wel discriminatoire bestraffing. Bovendien is in eerder genoemd ambtsbericht vermeld dat er geen vonnissen bekend zijn, betrekking hebbend op dienstweigeraars of deserteurs.

De maximale straf op desertie in vredestijd, vijf jaar gevangenisstraf, kan niet worden aangemerkt als een onevenredig zware bestraffing. In het overgelegde bericht van 10 oktober 2002 van Amnesty International zijn geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van eerder genoemd ambtsbericht. Evenmin zijn uit dat bericht van Amnesty International concrete aanwijzingen te halen, waaruit blijkt dat verzoekster persoonlijk een behandeling als vermeld in het bericht van 10 oktober 2002 staat te wachten. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat juist zij ten gevolge van uitzetting een reëel risico loopt te zullen worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

2.4 Verzoekster stelt dat haar niet aangerekend kan worden dat zij geen reisdocumenten heeft overgelegd. Nu zij met de reisagent de afspraak had gemaakt dat zij de documenten weer aan hem zou teruggeven, had verzoekster – juist gezien de afhankelijke positie van verzoekster ten opzichte van de reisagent – geen andere keus. Verzoekster heeft verzocht de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Verzoekster stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat vaststaat dat verweerder niet twijfelt aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoekster. Nu verweerder zich in het voornemen uitsluitend richt op de desertie van verzoekster, is verweerder kennelijk van oordeel dat sprake is van desertie. Vanwege haar geloofsovertuiging werd het verzoekster keer op keer niet toegestaan de dienst te verlaten. Verweerder gaat er bij zijn stelling dat niet gebleken is dat verzoekster vanwege gewetensbezwaren de dienst heeft verlaten, aan voorbij dat verzoekster, sinds haar indiensttreding op haar achttiende, een ontwikkeling heeft doorgemaakt, welke ontwikkeling heeft geresulteerd in het standpunt dat zij zich niet langer kan verenigen met de uitgangspunten van het Eritrese leger. Verweerder heeft het standpunt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat, onvoldoende gemotiveerd. De omstandigheid dat bij verzoekster sprake is van een optelsom van factoren, zijnde dat zij discriminatie als gevolg van haar geloofsovertuiging heeft ondervonden, bij de legerleiding bekend staat als kritisch, gedeserteerd is en vervolgens naar het buitenland gevlucht, maakt dat zij bij terugkeer naar haar land gegronde vrees voor vervolging heeft. Verzoekster loopt bij terugkeer naar Eritrea het risico dat haar een eerlijk proces onthouden zal worden. In het meest gunstige geval zal zij worden overgedragen aan haar meerdere. Nu dit dezelfde meerdere zal betreffen, die op 3 oktober 2002 tanks op verzoekster heeft afgestuurd, maakt verzoekster weinig kans op de (milde) straf die in het ambtsbericht is genoemd. Hierbij heeft verzoekster verwezen naar het rapport van 10 oktober 2002 van Amnesty International. Verzoekster merkt op dat hetgeen in zojuist vermeld rapport staat, een meer reële optie is dan waar verweerder vanuit gaat, te meer nu in het ambtsbericht staat dat zich met name vanaf september 2001 verslechteringen hebben voorgedaan op het gebied van de mensenrechten. Nu in het ambtsbericht van 1 maart 2002 staat dat het Eritrese leger nog niet is gedemobiliseerd, bestaat er in Eritrea voor wat betreft de strafmaat bij desertie een schemergebied. De stelling van verweerder dat verzoekster geen onevenredige of discriminatoire bestraffing staat te wachten is onvoldoende gemotiveerd. Bij terugkeer naar Eritrea loopt verzoekster een reëel risico te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verzoekster stelt niet dat het ambtsbericht van 1 maart 2002 niet juist is, maar wel dat dat ambtsbericht mogelijk onvolledig is, gezien het rapport van Amnesty International van een latere datum. Een en ander had voor verweerder aanleiding dienen te zijn de persoonlijke vrees van verzoekster nader te onderzoeken en alleen al daarom had de zaak niet in het AC mogen worden afgedaan. De bestreden beschikking is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel tot stand gekomen.

Beoordeling van het verzoek

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.6 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.7 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Eritrea zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, voor zover hier van belang, moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een verblijfsvergunning op die grond moet worden verleend.

2.8 De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

De geloofwaardigheid van het asielrelaas staat vast, nu verweerder uitsluitend de zwaarwegendheid van het asielrelaas heeft beoordeeld.

Op grond van het UNHCR Handboek, paragrafen 168 tot en met 172, opgenomen in C1/2.12 Vreemdelingencirculaire, is een dienstweigeraar of deserteur een vluchteling indien hij:

a. vanwege zijn ras, religie, nationaliteit, zijn lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf wegens dienstweigering of desertie of als hij vanwege (één van) de in de aanhef van deze categorie genoemde redenen gegronde vrees heeft voor andere discriminatoire behandeling dan bovenmatige bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf;

b. tot zijn weigering komt doordat hij ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft op grond van zijn godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging die zijn dienstweigering of desertie voorschrijven en er in zijn land van herkomst geen mogelijkheid is om ter vervanging van militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen of

c. is gekomen tot dienstweigering of desertie, omdat hij niet betrokken wenst te worden bij een (soort) militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dit geldt ook indien hij tot desertie of dienstweigering heeft besloten, omdat hij gegronde vrees heeft in conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan verzoekster niet onder categorie a. valt. Verzoeksters asielrelaas valt immers in essentie terug te voeren op problemen die zij in het leger stelt te hebben ondervonden vanwege haar geloof, op de omstandigheid dat zij geen vervangende dienstplicht mocht verrichten vanwege het geloof, op de kritiek die zij openlijk op de legerleiding heeft geuit en op haar desertie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder juist de combinatie van deze factoren, in onderling verband beschouwd, bij zijn beslissing onvoldoende heeft meegewogen.

Verzoekster heeft aangegeven dat zij in het leger problemen heeft ondervonden vanwege haar geloof. Zij heeft aangegeven welke problemen dat waren en voorts dat het haar in het leger werd verboden haar geloofsovertuiging uit te oefenen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder hierbij de omstandigheid dat B, de leider van het onderdeel in het leger waartoe verzoekster behoorde, verzoekster heeft beschermd, ten onrechte niet heeft meegewogen. B heeft voorkomen dat verzoeksters bijbel werd verbrand en voorts heeft hij voorkomen dat verzoekster een disciplinaire straf kreeg vanwege haar geloof. Nu B op 2 oktober 2002 is gearresteerd door militairen, ontbeerde verzoekster zijn bescherming.

Tijdens de bijeenkomst op 3 oktober 2002, tijdens welke bijeenkomst ongeveer 120 mensen aanwezig waren, heeft verzoekster openlijk kritiek geuit op de legerleiding. De voorzitter van de bijeenkomst was de vervanger van B en derhalve de nieuwe leidinggevende van verzoekster. Dit klemt te meer, daar in het Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 1 maart 2002, kenmerk DPC/AM-737579, onder 3.4 vermeld staat dat deserteurs zonder proces worden bestraft, door hun superieuren. Voorts staat in meergenoemd Ambtsbericht onder 3.5 dat onder meer deserteurs vanuit mensenrechtenoptiek meer dan anderen het risico lopen op negatieve bejegening. Gezien het voorgaande heeft verweerder zijn standpunt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico bestaat dat zij zal worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM, onvoldoende gemotiveerd.

Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beslissing in strijd met artikel 3:2 Awb niet zorgvuldig is voorbereid en dat het bestreden besluit geacht moet worden te zijn genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, welk artikel een deugdelijke motivering vereist.

2.9 Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikking niet in stand kan worden gelaten. Het beroep is derhalve gegrond. Nu het beroep gegrond is verklaard, is het belang aan de gevraagde voorziening komen te ontvallen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal derhalve worden afgewezen.

2.10 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de voorlopige voorziening en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, zijnde een bedrag ad € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting: in totaal 2 x € 322,- = € 644,-).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 02/92597, gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr.dr. M.M. Beije, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.M. Eleveld als griffier op 8 januari 2003.

griffier voorzieningenrechter

Tegen de uitspraak in de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 9 januari 2003