Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7844

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
25-04-2003
Zaaknummer
AWB 03/14614
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / documenten.

Buiten geschil is dat eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 in de onjuiste vooronderstelling dat er ten behoeve van eiser een laissez-passer is afgegeven ten tijde van zijn inbewaringstelling. Voorts is gesteld noch gebleken dat bedoeld reisdocument alsnog binnen korte termijn aanwezig zou kunnen zijn. Gelet hierop is aan de in artikel 59, tweede lid, Vw 2000 genoemde voorwaarde niet voldaan en kan er geen sprake zijn van een fictieve inbreuk op de openbare orde zoals bedoeld in dat artikel. Aldus is eiser op een onjuiste grondslag in bewaring gesteld.

Indien zou moeten worden aangenomen dat de grondslag van de onderhavige bewaring zou moeten worden gevonden in artikel 59, eerste lid, Vw 2000, dan kan het niet hebben van een identiteitsdocument als enige grond voor de in bewaring stelling van eiser niet (voldoende) dragend zijn voor de aanname van een inbreuk op de openbare orde zoals bedoeld in die bepaling omdat niet is gemotiveerd dat en waarom het enkel niet beschikken over noodzakelijke papieren leidt tot het vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. Aldus dient de bewaring van eiser onrechtmatig te worden geacht.

Beroep gegrond, toekenning schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: 03/14614

Datum uitspraak: 20 maart 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 94, derde lid, en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de zaak van de vreemdeling, genaamd althans zich noemende,

[eiser] ,

geboren op [datum] 1955,

van Bosnische nationaliteit,

CRV-nummer [nummer] ,

eiser,

gemachtigde mr. W.A. Venema,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

gemachtigde S. van Hoof, ambtenaar bij de IND.

De beoordeling

1. Eiser heeft op 6 maart 2003 beroep ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de maatregel van bewaring ingevolge artikel 59 van de Vw 2000 met ingang van 5 maart 2003. De bewaring van eiser is op 11 maart 2003 opgeheven. Openbare behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 maart 2003. Partijen zijn verschenen bij gemachtigde.

2. Nu de bewaring is opgeheven en namens eiser om schadevergoeding is verzocht dient te worden getoetst of toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring tot het moment van de opheffing in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is geweest.

3. Eiser is op 5 maart 2003 bij gelegenheid van zijn wekelijkse meldplicht opgehouden voor verhoor en aansluitend in bewaring gesteld omdat het (gefingeerde) belang van de openbare orde zijn inbewaring stelling vorderde zoals aangegeven in de maatregel van bewaring (artikel 59, lid 2 van de Vw 2000).

4. Artikel 59, lid 2, van de Vw 2000 bepaalt (voor zover hier van belang) dat; “Indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen….”. In het onderhavige geval is buiten geschil dat eiser in bewaring is gesteld op grond van de onjuiste vooronderstelling dat er ten behoeve van eiser een laissez-passer is afgegeven ten tijde van eisers in bewaring stelling. Daarnaast is gesteld noch gebleken, dat bedoeld reisdocument alsnog binnen korte tijd aanwezig zou kunnen zijn. Gelet hierop is aan de voorwaarde zoals is gesteld in het hiervoor genoemde tweede lid, van artikel 59, van de Vw 2000, niet voldaan en kan er daarom geen sprake zijn van een (fictieve) inbreuk op de openbare orde. Aldus is eiser op een onjuiste grondslag in bewaring gesteld. Voorts overweegt de rechtbank dat in de hiervoor bedoelde maatregel van bewaring (op grond van artikel 59, lid 2, van de Vw 2000) als bewaringsgrond is vermeld “het niet hebben van een identiteitsdocument, zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000”. In verband hiermee overweegt de rechtbank, dat indien zou moeten worden aangenomen dat de grondslag van de onderhavige bewaring zou moeten worden gevonden in het eerste lid, van artikel 59, van de Vw 2000, het niet hebben van een identiteitsdocument als enige grond voor de in bewaring stelling van eiser, niet (voldoende) dragend kan zijn voor de aanname van een inbreuk op de openbare orde zoals bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000, omdat niet is gemotiveerd dat en waarom het enkel niet beschikken over noodzakelijke papieren leidt tot het vermoeden dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, van 1 mei 2002 (200201695/1, JV 2002/205) waarin zulks met zoveel woorden is overwogen. Aldus dient de in bewaring stelling van eiser onrechtmatig te worden geacht.

5. Op grond van het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiser, in aanmerking genomen, zijn gronden van billijkheid aanwezig om hem ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 95,— per dag voor de zes dagen die hij ten onrechte heeft doorgebracht in een politiecel. Derhalve zal een schadevergoeding van € 570,00 worden toegekend. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten gunste van eiser, te betalen aan de griffier, aangezien aan hem een raadsman is toegevoegd.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 570,00;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van

€ 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.A.P. van der Roest en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2003 in tegenwoordigheid van mr. H. Rouwenhorst als griffier.

de griffier de rechter

w.g. Rouwenhorst w.g. van der Roest

Voor eensluidend afschrift, de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,

nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 21 maart 2003

De voorzitter van de rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 760,00.

de voorzitter