Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7768

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
AWB 03/3921VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / regime huis van bewaring.

Eiser is in bewaring gesteld. Eiser stelt dat hij in een huis van bewaring met een te zwaar regime is geplaatst. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar tegen plaatsing in te dienen en heeft ook geen verzoek tot overplaatsing ingediend. De vraag of eiser geplaatst is in een inrichting waarin hem meer beperkingen worden opgelegd dan noodzakelijk zijn, moet beantwoord worden aan de hand van een belangenafweging in het licht van artikel 2 Pbw. Deze belangenafweging dient eerst plaats te vinden binnen de bijzondere, gespecialiseerde en daartoe gecreëerde procedure zoals neergelegd in de artikelen 17, 18, 68 en 73 Pbw. Zolang die procedure niet is benut kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de tenuitvoerlegging bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Penitentiaire beginselenwet 17
Penitentiaire beginselenwet 18
Penitentiaire beginselenwet 68
Penitentiaire beginselenwet 73
Vreemdelingenwet 2000 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

Artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

ex artikel 96 en artikel 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 03/3921VRONTN

inzake: A (alias A, A, A), geboren op [...] 1973, van Marokkaanse dan wel Algerijnse nationaliteit, verblijvende in Penitentiaire Inrichting Over-Amstel, eiser,

gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: drs. S. van Beek, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Op 28 juni 2002 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraken van 12 juli 2002 met nummer AWB 02/49927 VRONTN, van 23 augustus 2002 met nummer AWB 02/61013 VRONTN, van 3 oktober 2002 met nummer AWB 02/71945 VRONTN, van 14 november 2002 met nummer 02/82483 VRONTN en van 23 december 2002 met nummer AWB 02/92317 VRONTN heeft deze rechtbank eerdere beroepen tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaard.

2. Bij kennisgeving ex artikel 96, vijfde lid, Vw 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 17 januari 2003, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming. Hiermee wordt eiser geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Ter zitting heeft de vreemdeling het beroep aangevuld met een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

3. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 24 januari 2003. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. Ph.J. Schüller, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Eiser heeft ter zitting -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Gebleken is dat het rappel van 23 december 2002 slechts een intern rappel is geweest. Indien ook extern, te weten naar de Algerijnse autoriteiten was gerappelleerd, zou het resultaat van het onderzoek door die autoriteiten wellicht eerder dan op 15 januari 2003 bekend zijn geworden. Nu uit de voortgangsrapportage voorts is gebleken dat de laatste concrete actie van verweerder in oktober 2002 heeft plaatsgehad, kan niet worden gezegd dat verweerder voldoende voortvarend is geweest. Ook de omstandigheid dat verweerder zich voorts eerst na het gehoor dat op 4 februari 2003 zal plaatsvinden gaat beraden op vervolgstappen is onvoldoende voortvarend. Nu is gebleken dat eiser niet afkomstig is uit Algerije en evenmin uit Marokko, bestaat thans geen zicht meer op uitzetting, waarbij eveneens van belang is dat de bewaring reeds zes maanden voortduurt. Verweerder is te kort door de bocht in de opmerking dat het zicht op uitzetting door eiser wordt bepaald. Eiser verblijft voorts is een verkeerd huis van bewaring. Er geldt in het huis van bewaring waar eiser verblijft immers een strenger regime dan het regime van beperkte gemeenschap. Eiser verblijft aldaar voorts tussen criminelen. In het geval van eiser wordt dan ook niet voldaan aan de toezegging van de Staatssecretaris van Justitie dat de vreemdeling niet meer dan nodig in mag worden beperkt in de uitoefening van zijn grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van de bewaring en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van de tenuitvoerlegging.

2. Verweerder heeft ter zitting -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. De voortduring van de bewaring is gerechtvaardigd. Verweerder heeft de Algerijnse autoriteiten eens in de twee weken gerappelleerd. Eerst op 15 januari 2003 bleek het onderzoeksresultaat van de Algerijnse autoriteiten negatief te zijn. Omdat geen laissez-passer door de Algerijnse autoriteiten zal worden verstrekt, zal eiser op 4 februari 2003 worden gehoord en zal verweerder zich beraden op nieuw te nemen stappen. Wellicht komt eiser tijdens het gehoor met nieuwe informatie. In de belangenafweging welke dient plaats te vinden nu eiser reeds zes maanden in bewaring zit, dient te worden meegenomen dat eiser ongewenst is verklaard en dat hij voorts het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit frustreert nu hij van verschillende aliassen gebruik heeft gemaakt. Eiser is voorts gevaarlijk en op hem rust de rechtsplicht Nederland te verlaten. Eiser heeft de opmerking dat hij in een zwaarder regime is geplaatst dan door de Staatssecretaris van Justitie zou zijn toegezegd niet middels stukken onderbouwd. Het regime voldoet aan de vereisten. De enkele stelling van de gemachtigde dat dit niet zo zou zijn is niet voldoende. Eiser heeft voorts een en ander niet intern aan de orde gesteld.

De rechtbank overweegt het volgende.

3. Ter beoordeling staat of verweerder sinds de uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2002 het onderzoek inzake de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser met voldoende voortvarendheid heeft voortgezet en of er zicht is op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn.

4. Nu is gebleken dat verweerder de Algerijnse autoriteiten tweewekelijks heeft gerappelleerd, op 15 januari 2003 is gebleken dat het onderzoeksresultaat bij de Algerijnse autoriteiten negatief was en verweerder voorts naar aanleiding daarvan heeft besloten eiser op 4 februari 2003 te horen alvorens te bepalen op welk land het onderzoek zich in het vervolg zal richten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Daarbij is van belang dat is gebleken dat eiser het onderzoek naar de vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit heeft bemoeilijkt door het voeren van meerdere aliassen. Nu voorts is gebleken dat verweerder na en naar aanleiding van het gehoor dat op 4 februari 2003 zal gaan plaatsvinden zal bepalen welke stappen zullen worden ondernomen teneinde eisers uitzetting te effectueren, is de rechtbank voorts van oordeel dat er nog voldoende zicht bestaat op eisers uitzetting binnen een korte termijn.

5. De bewaring duurt thans langer dan zes maanden. Bij de beoordeling van de vraag of de toepassing van de bewaring bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid nog gerechtvaardigd is te achten, is de duur van de bewaring van belang. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld groter. In het algemeen zal na ommekomst van zes maanden vrijheidsontneming het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld van groter gewicht zijn dan het belang van verweerder om de bewaring ter fine van uitzetting te doen voortduren. Dit omslagpunt kan zich onder omstandigheden vroeger of later dan na zes maanden voordoen, zoals is overwogen in de uitspraken van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken van deze rechtbank van 21 augustus 1997 (MR 1997, 119). De termijn kan onder meer worden overschreden indien het belang van verweerder bij de verwijdering van de betrokken vreemdeling aanmerkelijk groter is dan in het algemeen het geval is, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van ongewenstverklaring of zware criminele antecedenten; de vreemdeling het onderzoek naar de vaststelling van de identiteit of nationaliteit frustreert; de vreemdeling na de inbewaringstelling één of meerdere procedures ter verkrijging van een verblijfstitel is gaan voeren met het kennelijke doel om de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te vertragen; bij het bereiken van de termijn van zes maanden een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestaat dat de vreemdeling op korte termijn wordt verwijderd.

6. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in het onderhavige geval vooralsnog in het voordeel van verweerder dient uit te vallen. Daarbij is van belang dat eiser de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit bemoeilijkt doordat hij meerdere aliassen voert en voorts is gebleken dat eiser op 16 januari 1997 ongewenst is verklaard.

7. Voor zover eiser klaagt dat in het huis van bewaring waar hij zich thans bevindt een strenger regime wordt gehanteerd dan in huizen van bewaring die speciaal zijn ingericht voor vreemdelingenbewaring, overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een bevel tot bewaring onder meer ten uitvoer worden gelegd in een huis van bewaring, waarbij de vreemdeling niet verder wordt beperkt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging. Ingevolge artikel 15, eerste lid, en artikel 9, tweede lid, aanhef en d, Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kunnen personen in vreemdelingenbewaring in een huis van bewaring, of een afdeling daarvan worden geplaatst. De keuze van de inrichting of afdeling daarvan geschiedt met inachtneming van hetgeen in artikel 2, tweede tot en met vierde lid, Pbw is bepaald omtrent het doel van de vreemdelingenbewaring en de beperkingen als daar omschreven. De betrokkene kan tegen een dergelijke plaatsing ingevolge artikel 17 Pbw een bezwaarschrift indienen. Hij kan ook op voet van artikel 18 Pbw een verzoekschrift tot (over-)plaatsing indienen. Tegen een beslissing van de selectiefunctionaris op een dergelijk bezwaarschrift of verzoek staat ingevolge hoofdstuk XIII Pbw beroep open bij de beroepscommissie van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Niet gebleken is dat eiser een van deze middelen heeft aangewend om te komen tot een andere dan de huidige plaatsing in een huis van bewaring.

Ingevolge artikel 96, vierde lid, Vw 2000 verklaart de rechtbank een beroep tegen vreemdelingenbewaring gegrond onder meer indien de tenuitvoeringlegging van die maatregel in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. Zij kan dan een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging bevelen. De genoemde beroepscommissie heeft gelet op artikel 73 in verbinding met artikel 68 Pbw een vergelijkbaar toetsingskader en beslissingsbevoegdheid.

8. De tenuitvoeringlegging van eisers vreemdelingenbewaring in een huis van bewaring is niet in strijd met de wet. De vraag of eiser geplaatst is in een inrichting waarin hem meer beperkingen worden opgelegd dan noodzakelijk zijn, zoals hij stelt, dan wel of die beperkingen gerechtvaardigd zijn, zoals verweerder stelt, moet beantwoord worden aan de hand van een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging vooreerst dient plaats te vinden binnen de bijzondere, gespecialiseerde en daartoe gecreëerde procedure zoals neergelegd in de Pbw. Zij is daarom van oordeel dat zolang eiser die procedure niet benut heeft om tot de in zijn ogen juiste plaatsing te komen, de rechtbank met betrekking tot een dergelijke plaatsing niet tot het oordeel kan komen dat de tenuitvoerlegging bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

9. Uit het voorgaande volgt dat de voortduring en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is te achten met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Nu voor dat oordeel ook overigens in de stukken en het verhandelde ter zitting geen grond is gebleken, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

10. Nu de bewaring niet wordt opgeheven, komt het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.

III. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2001 door mr. O.L.H.W.I. Korte, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt als griffier.

Afschrift verzonden op: 13 februari 2003

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Conc: PvdV

Bp: -

D: B