Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7767

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-01-2003
Datum publicatie
13-05-2003
Zaaknummer
AWB 03/2990 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / informatieverstrekking / zorgvuldigheid.

Gebleken is dat verweerder in de voorgaande procedures de rechtbank stelselmatig van onjuiste informatie heeft voorzien omtrent de door hem ondernomen activiteiten ter fine van uitzetting. Verweerder blijkt ruim vier maanden generlei activiteit te hebben ondernomen en heeft derhalve onvoldoende voortvarend gehandeld. Voorts mag van verweerder, gelet op de mate van ingrijpendheid voor eiser van de toepassing en voortduring van een vrijheidsbenemende maatregel, verwacht worden dat hij een grote mate van zorgvuldigheid betracht jegens eiser. Die zorgvuldigheid omvat mede het op juiste en volledige wijze inwinnen van informatie - al dan niet intern - en vervolgens op juiste en volledige wijze verstrekken van informatie aan de rechtbank en aan eiser die noodzakelijk is om ten behoeve van eiser in rechte te kunnen toetsen of de toepassing dan wel voortduring van bedoelde maatregel gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval de vereiste zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 96
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

Artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

ex artikel 96 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 03/2990 VRONTN

inzake: A, alias A, geboren op [...] 1977, gestelde burger van Congo Brazzaville, verblijvende in het huis van bewaring Ter Apel te Ter Apel, eiser,

gemachtigde: mr S.L.J. Swart, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. S. van Beek, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Op 31 juli 2002 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraken van 16 augustus 2002, 25 september 2002, 5 november 2002 en 18 december 2002 met nummers AWB 02/59444 VRONTN, AWB 02/70017 VRONTN, AWB 02/80295 VRONTN en 02/90931 VRONT heeft deze rechtbank eerdere beroepen tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaard.

2. Bij kennisgeving ex artikel 96, eerste lid, Vw 2000 van 14 januari 2003, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming. Hiermee wordt eiser geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel.

3. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 24 januari 2003. Eiser is niet verschenen en heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Verweerder heeft ter zitting -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Na de datum van de laatste uitspraak is gebleken dat verweerder, als gevolg van interne miscommunicatie, de rechtbank in de voorgaande vervolgberoepsprocedures onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot de gestelde presentatie op 2 oktober 2002 van eiser bij de autoriteiten van Congo Brazzaville. Op 2 oktober 2002 heeft ten aanzien van eiser slechts een interne voorpresentatie bij het CPA van verweerder plaatsgevonden. Op 21 januari 2003 is eiser gepresenteerd bij de autoriteiten van Congo Brazzaville. Van oktober 2002 to 21 januari 2003 blijken in het geheel geen presentaties bij de autoriteiten van Congo Brazzaville te hebben plaatsgevonden, omdat de consul daar geen tijd voor had. In zoverre is eiser derhalve niet in zijn belangen geschaad. De voortduring van de bewaring is gerechtvaardigd. Er bestaat nog steeds zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn. Hoewel eiser zich tijdens de presentatie allerminst coöperatief heeft opgesteld -hij beweerde onder andere de Franse taal niet machtig te zijn en de Senegalese nationaliteit te hebben- heeft de consul eisers aanvraag voor een laissez-passer in behandeling genomen. Het onderzoek bij de autoriteiten van Congo Brazzaville loopt nog steeds. Het ligt op de weg van eiser om nadere gegevens over zijn identiteit en nationaliteit te verstrekken teneinde het onderzoek te bespoedigen, aldus verweerder.

2. Namens eiser is ter zitting aangevoerd dat eiser, gezien de lange duur dat hij nu in bewaring zit, er geen vertrouwen in heeft dat zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn bestaat. Het heeft bijna zes maanden geduurd voordat eiser is gepresenteerd bij de autoriteiten van Congo Brazzaville. Er is ten aanzien van eisers uitzetting onvoldoende voortvarend gehandeld door verweerder.

3. De rechtbank overweegt als volgt. De bewaring duurt thans op één week na zes maanden. Gebleken is dat verweerder de rechtbank in de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van 25 september 2002, 5 november 2002 en 18 december 2002 met nummers AWB 02/70017 VRONTN, AWB 02/80295 VRONTN en 02/90931 VRONT stelselmatig onjuist informatie heeft verschaft omtrent de door hem ondernomen activiteiten ter fine van uitzetting van eiser. Eiser is niet op 2 oktober 2002, doch eerst op 21 januari 2003, derhalve ruim vijfeneenhalve maand na zijn inbewaringstelling, gepresenteerd aan de autoriteiten van Congo Brazzaville. Afgezien daarvan heeft verweerder blijkens het zich in het dossier bevindende formulier M121 d.d. 13 januari 2003 sedert 9 september 2002 geen enkele (externe) activiteit verricht ter fine van uitzetting van eiser. Dat een eerdere presentatie, zoals ter zitting door verweerder gesteld, niet mogelijk was omdat de consul van Congo Brazzaville tussen oktober 2002 en 21 januari 2003 geen tijd had is door eiser bestreden. Door verweerder is zijn stelling voorts niet met stukken onderbouwd, hetgeen wel van hem gevergd mag worden nu op hem de last daartoe rust. De rechtbank acht verweerders stelling dienaangaande derhalve niet aannemelijk. Bovendien is dit een omstandigheid die, zoals door verweerder ter zitting meegedeeld, pas kort voor de uiteindelijke presentatie aan verweerder is gebleken en derhalve niet redengevend kan zijn geweest voor verweerders stilzitten daaraan voorafgaand. Nu is gebleken dat de bewaring van eiser als gevolg van een interne communicatiefout van verweerder ruim vier maanden heeft voortgeduurd zonder dat verweerder enigerlei activiteit ter fine van uitzetting heeft ondernomen is de rechtbank van oordeel dat verweerder dienaangaande onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard.

4. Voorts mag van verweerder, gelet op de mate van ingrijpendheid voor eiser van de toepassing en voortduring van een vrijheidsbenemende maatregel, verwacht worden dat hij een grote mate van zorgvuldigheid betracht jegens eiser. Die zorgvuldigheid omvat mede het op juiste en volledige wijze inwinnen van informatie –al dan niet intern- en vervolgens op juiste en volledige wijze verstrekken van informatie aan de rechtbank en aan eiser die noodzakelijk is om ten behoeve van eiser in rechte te kunnen toetsen of de toepassing dan wel voortduring van bedoelde maatregel gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval de vereiste zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen. Eiser is daardoor in zijn belangen geschaad, omdat de mogelijkheid bestaat dat de rechtbank bij een eerdere uitspraak tot een ander oordeel had kunnen komen. Het feit dat eiser op 21 januari 2003 alsnog aan de autoriteiten van Congo Brazzaville is gepresenteerd doet daar niet aan af. Hieruit volgt dat het beroep eveneens gegrond dient te worden verklaard wegens schending door verweerder van het zorgvuldigheidsbeginsel zoals hiervoor omschreven.

5. Of verweerders onzorgvuldigheid tot gevolg heeft gehad dat de rechtbank in de voorgaande procedures anders heeft geoordeeld dan zij zou hebben gedaan, indien verweerder van meet af aan juiste informatie zou hebben verstrekt, is een vraag die in een procedure ex artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden beantwoord en hier derhalve niet aan de orde kan zijn.

6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De opheffing van de bewaring zal worden bevolen, ingaande 24 januari 2003.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, welke zijn begroot op € 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de bewaring, ingaande 24 januari 2003;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 322,- (zegge: driehonderd en tweeentwintig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Steijnen, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2003, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt als griffier.

Afschrift verzonden op: 4 februari 2003

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Conc: PS

Bp: -

D: B