Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7748

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2003
Datum publicatie
24-04-2003
Zaaknummer
AWB 03/9694
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bewaring / connexiteit / spoedeisend belang.

De rechtbank stelt de vraag voorop of de bewaringsprocedure wel als connexe bodemprocedure van een voorlopige voorziening kan gelden. Gelet op hetgeen in de uitspraak verder wordt overwogen kan het antwoord op deze vraag in het midden worden gelaten.

Het beroep tegen het opleggen van de maatregel van bewaring dient op 21 februari 2003.

Gelet op het feit dat de bewaringsrechter zich nog moet uitspreken over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring, die ingevolge artikel 59 Vw 2000 wordt opgelegd met het oog op de uitzetting, moet de voorzieningenrechter op zijn minst zeer alert zijn om de bewaringsprocedure niet te doorkruisen of feitelijk overbodig te maken door het uitspreken van een verbod op uitzetting.

Tegen deze achtergrond, gevoegd bij het snelle verloop van de beroepsprocedure tegen de bewaring, zal de voorzieningenrechter er in een geval als het onderhavige extra scherp op moeten toezien of wel sprake is van onverwijlde spoed als genoemd in artikel 8:81 Awb. Van dergelijke spoed is niet gebleken. Afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:83, geldigheid: 2003-02-20
Algemene wet bestuursrecht 8:84, geldigheid: 2003-02-20
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2003-02-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Uitspraak

Artikel 8:84 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet (Vw) 2000

reg.nr: AWB 03/9694 BEPTDN

inzake: A, verblijvende in het politiebureau te Amsterdam, verzoeker,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

I. OVERWEGINGEN

Verzoeker, geboren op [...] 1977, bezit de Braziliaanse nationaliteit. Op 12 februari 2003 is verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 opgelegd. Bij beroepschrift van 14 februari 2003 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen deze maatregel.

Namens verzoeker heeft mr. M. Hersman, advocaat te Amsterdam, bij verzoekschrift van 14 februari 2003 verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende „de staat te verbieden hem voor 20 maart 2003 uit Nederland te verwijderen“. Verzoeker heeft daarbij verwezen naar (het beroep tegen) de maatregel van bewaring als connexe bodemprocedure.

De rechtbank stelt voorop, dat het nog maar de vraag is of voor het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening wel de bewaringsprocedure als connexe bodemprocedure kan gelden. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen kan en zal de rechtbank het antwoord op deze vraag echter in het midden laten.

Het beroep tegen het opleggen van de maatregel van bewaring dient op 21 februari 2003 bij deze rechtbank, zittingsplaats Almelo (hierna: bewaringsrechter). Dit beroep strekt tot een oordeel over rechtmatigheid van de toepassing of ten uitvoerlegging van de maatregel dan wel of deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

Gelet op het feit dat de bewaringsrechter zich nog moet uitspreken over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring, die ingevolge artikel 59 van de Vw 2000 wordt opgelegd met het oog op de uitzetting, moet de voorzieningenrechter op zijn minst zeer alert zijn om de bewaringsprocedure niet te doorkruisen of feitelijk overbodig te maken door het uitspreken van een verbod op uitzetting. Dit laatste verbod zou de oordeelsruimte van de bewaringsrechter (te) zeer kunnen inperken.

Tegen deze achtergrond, gevoegd bij het snelle verloop van de beroepsprocedure tegen de bewaring, zal de voorzieningenrechter er in een geval als het onderhavige scherp op moeten toezien of wel sprake is van onverwijlde spoed als genoemd in artikel 8:81 van de Awb.

Concrete redenen die nopen tot het treffen van een voorlopige voorziening voordat de bewaringsrechter oordeelt zijn in casu gesteld noch gebleken. Zo is niet een concrete, voor de behandeling van het beroep door de bewaringsrechter gelegen, datum van uitzetting genoemd.

Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Nu het verzoek kennelijk ongegrond is, is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:83 lid 3 van de Awb uitspraak te doen zonder zitting.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

II. BESLISSING

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Siezen, griffier, en openbaar gemaakt op 20 februari 2003.

de griffier de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op: 20 februari 2003

Coll: JG

D: B

Bp:-

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.