Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7743

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
24-04-2003
Zaaknummer
AWB 03/15057
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bewaring / vervolgberoep / overplaatsing.

Eiser stelt dat de bewaring onrechtmatig is omdat hij in strijd met artikel 5.4 Vb 2000 en artikel 9, tweede lid, Penitentiaire beginselenwet (Pbw) verblijft in een gevangenis, te weten de EBI te Vught.

Verweerder deelt mee dat eiser vanuit de Penitentiaire Inrichting Tilburg is overgeplaatst naar de landelijke afzondering van het huis van bewaring te Vught. Hiermee is de bewaring in overeenstemming met artikel 5.4 Vb 2000. De rechtbank heeft voorts bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, waaronder enerzijds de door verweerder bij brief van 19 maart 2003 geschetste aanleiding voor de gewijzigde tenuitvoerlegging en anderzijds door eiser gestelde persoonlijke omstandigheden, geconcludeerd dat de wijze van tenuitvoerlegging van de inbewaringstelling in redelijkheid gerechtvaardigd is. Op grond van artikel 93 Pbw dan wel artikel 61 Pbw staat voor eiser een klachtprocedure open.

Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Penitentiaire beginselenwet 9
Vreemdelingenbesluit 2000 5.4
Vreemdelingenwet 2000 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 03/15057 VRONTN

UITSPRAAK op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

A, geboren op [...] 1977,

alias A, geboren op [...] 1979, van gestelde Algerijnse nationaliteit, eiser,

verblijvende in het Huis van Bewaring te Vught (Landelijke Afzondering),

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: A.H. Kras, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Verweerder heeft op 20 december 2002 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog steeds voort.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 96, eerste lid, Vw in kennis gesteld van het voortduren van de bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

Verweerder heeft een kopie van het op 5 maart 2003 opgemaakte model M 121 met de (voortgangs)gegevens met betrekking tot de uitzetting van eiser overgelegd.

Vervolgens heeft de rechtbank eiser de gelegenheid geboden om binnen twee werkdagen schriftelijk te reageren op de door verweerder verstrekte voortgangsgegevens en daarbij gemotiveerd aan te geven, waarom de behandeling van de vervolgkennisgeving ter zitting niet achterwege mag blijven, alsmede of de vreemdeling in persoon door de rechtbank gehoord wil worden.

Eiser heeft hierop gereageerd en daarbij aangegeven dat de behandeling van deze zaak ter zitting aangewezen lijkt.

De rechtbank heeft op 13 maart 2003 het vooronderzoek gesloten en daarbij op grond van artikel 96, tweede lid, Vw bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege blijft.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van deze rechtbank van 19 maart 2003.

Eiser is aldaar niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft met gebruikmaking van artikel 8:64, eerste lid, Awb, het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken omtrent de plaats waar eisers bewaring ten uitvoer wordt gelegd en de reden waarom eiser vanuit het Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg daarheen is overgeplaatst.

Bij brief van 19 maart 2003 heeft verweerder de door de rechtbank gevraagde inlichtingen verstrekt. Deze brief is op 19 maart 2003 door de rechtbank doorgezonden aan eisers gemachtigde teneinde deze in de gelegenheid te stellen hierop te reageren.

Bij brief van 19 maart 2003 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd op de door verweerder verstrekte inlichtingen.

Ter zitting van 19 maart 2003 hebben zowel eiser als verweerder de rechtbank toestemming verleend om te bepalen dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de rechtbank op 20 maart 2003 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 96, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen.

Eiser heeft – kort gezegd – daartoe aangevoerd dat hij, in strijd met de wet, verblijft in de EBI te Vught. Dit is een gevangenis en deze locatie is niet in artikel 5.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) aangeduid als een plaats waar vreemdelingenbewaring mag worden tenuitvoergelegd. Artikel 9, tweede lid, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) bepaalt voorts dat vreemdelingenbewaring in een Huis van Bewaring kan plaatsvinden.

Tevens is eiser van mening dat geen zicht op uitzetting bestaat.

Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende voortvarend wordt gewerkt aan de uitzetting van eiser. Op 13 februari 2003 heeft er ten behoeve van eiser een taalanalyse plaatsgevonden. De daarbij aanwezige tolk heeft aangegeven dat eiser uit Marokko afkomstig zou zijn. Op 4 maart 2003 zijn in het kader van de laissez-passer-aanvraag foto’s en vingerafdrukken afgenomen van eiser. De aanvraag voor de presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten is inmiddels naar de onder verweerder ressorterende afdeling Coördinatie Presentaties Ambassades (CPA) verzonden. In een oud dossier van eiser zijn documenten gevonden van de Spaanse autoriteiten. Naar deze documenten loopt thans eveneens een onderzoek.

Bij brief van 19 maart 2003 heeft verweerder nog meegedeeld dat eiser op 28 januari 2003 is geplaatst in de landelijke afzondering van het Huis van Bewaring te Vught. Reden voor deze overplaatsing is dat eiser een vrouwelijke bewaarder zonder enige aanleiding fysiek heeft mishandeld.

Daarop heeft de gemachtigde van eiser op 19 maart 2003 nog een reactie gegeven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring reeds eerder heeft getoetst en dat bij uitspraak van 11 februari 2003 is komen vast te staan dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan deze uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig waren. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of sedert het moment van het sluiten van genoemd onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is. Hierbij acht de rechtbank met name van belang of nog voldoende zicht op uitzetting van eiser bestaat en of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.

Eisers grief ten aanzien van de omstandigheid dat hij geplaatst is in de gevangenis (EBI) te Vught faalt, gelet op de nadere informatie van verweerder de dato 19 maart 2003. Eiser verblijft immers naar nu is gebleken in het Huis van Bewaring te Vught, hetgeen in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 5.4 Vb.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de verstrekte voortgangsgegevens en mededelingen ter zitting volgt dat voldoende zicht op uitzetting bestaat en verweerder voldoende voortvarendheid betracht bij de voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat het resultaat van de voorgenomen presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten en het resultaat van het onderzoek van de gevonden documenten van de Spaanse autoriteiten vooralsnog door verweerder kunnen worden afgewacht.

Nu voldaan is aan de in artikel 59 Vw voor inbewaringstelling gestelde eisen dient de rechtbank voorts te bepalen of de wijze van tenuitvoerlegging van de inbewaringstelling bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, waaronder enerzijds de door verweerder bij brief van 19 maart 2003 geschetste aanleiding voor de gewijzigde tenuitvoerlegging en anderzijds door eiser gestelde persoonlijke omstandigheden, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Hetgeen eiser ter zitting respectievelijk in zijn brief van 19 maart 2003 heeft gesteld noopt in redelijkheid niet tot die conclusie. Het staat eiser echter vrij om tegen voormelde overplaatsing – die de rechtbank beschouwt als een tenuitvoerlegging in een andere inrichting als bedoeld in artikel 52 Pbw – een klacht in te dienen bij de Beroepscommissie als bedoeld in artikel 73 Pbw dan wel bij de Beklagcommissie als bedoeld in artikel 61 Pbw.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen.

Derhalve bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Gorter, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2003, in tegenwoordigheid van J.W. van Essen, als griffier.

afschrift verzonden op: 21 maart 2003

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.