Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7731

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
06-05-2003
Zaaknummer
AWB 03/21603
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitzetting / voornemen / besluit.

Eiser, een Nigeriaan, is meegedeeld dat verweerder van plan is hem op 10 april 2003 uit te zetten. Omdat eiser zijn strafzaken wil bijwonen, heeft hij bezwaar gemaakt tegen dit voornemen en een verzoek tot een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningrechter is van oordeel dat de keuze van verweerder om ten aanzien van een bepaalde vreemdeling zijn bevoegdheid tot uitzetting toe te passen geen appellabele beschikking in de zin van de Awb is. De beslissing dat een vreemdeling uitzetbaar is maakt onderdeel uit van de meeromvattende beschikking waartegen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. De feitelijke uitzetting is slechts een toepassing van dat, reeds eerder genomen, besluit. Daarbij blijkt uit de memorie van toelichting dat de wetgever met het samenspel tussen artikel 45 en artikel 62 Vw 2000 heeft beoogd een systeem te creëren waarbij voor het toepassen van de bevoegdheid tot uitzetting geen afzonderlijk besluit nodig is. Blijkens de memorie van toelichting is slechts bij wijze van uitzondering bezwaar en beroep mogelijk tegen uitzettingshandelingen indien er door tijdsverloop een relevante wijziging van de omstandigheden is ingetreden. In casu is er geen sprake van relevante wijziging van omstandigheden. De omstandigheid dat verzoeker is opgeroepen om op 16 juni 2003 als verdachte te verschijnen voor de politierechter vormt geen relevante wijziging van de omstandigheden als hierboven genoemd, omdat de Officier van Justitie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de uitzetting van verzoeker, waardoor de uitzetting ongeacht de oproeping om te verschijnen niet onrechtmatig is.

Afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenwet 2000 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 03/21603 BEPTDN A6

Datum uitspraak: 9 april 2003

Uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

A te B, verzoeker,

gemachtigde mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 7 maart 2002 heeft verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 10 maart 2002, diezelfde datum aan verzoeker bekendgemaakt, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toelating als vluchteling niet ingewilligd en ambtshalve besloten hem geen vergunning tot verblijf te verlenen. Verzoeker heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen ingesteld.

Verweerder heeft op 7 april 2003 aan verzoeker bekendgemaakt dat hij voornemens is verzoeker op 10 april 2003 uit te zetten.

Bij schrijven van 9 april 2003 heeft verzoeker tegen dit voornemen bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank op diezelfde datum om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat uitzetting op 10 april 2003 achterwege dient te blijven. Verzoeker heeft zowel het bezwaarschrift als het verzoek om een voorlopige voorziening op diezelfde dag van nadere gronden voorzien.

Verweerder heeft naar aanleiding van dit verzoek de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten op 9 april 2003 en besloten dat een behandeling ter zitting achterwege kan blijven.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen op een verzoek om een voorlopige voorziening zonder behandeling van de zaak ter zitting, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

Verzoeker heeft zijn verzoek en zijn bezwaarschrift gebaseerd op de omstandigheid dat hij op 16 juni 2003 als verdachte is opgeroepen voor een terechtzitting bij de politierechter te 's-Hertogenbosch en er belang bij heeft deze strafzitting bij te wonen. Hij verzoekt de voorzieningenrechter dan ook om te verbieden dat verzoeker voor 16 juni 2003 zal worden uitgezet.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift geen redelijke kans van slagen heeft omdat het niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen de mededeling dat de vreemdeling zal worden uitgezet. Voorts is uitzetting van verzoeker voor 16 juni 2003, aldus verweerder, niet onrechtmatig omdat de Officier van Justitie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen uitzetting van verzoeker.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en Nederland niet binnen de bij de Vw 2000 gestelde termijn uit eigen beweging heeft verlaten, ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 worden uitgezet. Ingevolge het tweede lid van artikel 63 van de Vw 2000 is verweerder bevoegd tot uitzetting.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de keuze van verweerder om ten aanzien van een bepaalde vreemdeling zijn bevoegdheid tot uitzetting toe te passen niet een appellabele beschikking in de zin van de Awb. Immers, de beslissing dat de vreemdeling uitzetbaar is maakt onderdeel uit van de meeromvattende beschikking als omschreven in artikel 45 van de Vw 2000, waartegen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, en de feitelijke uitzetting is slechts een toepassing van dat, reeds eerder genomen, besluit. Daarbij blijkt uit de memorie van toelichting (TK, 1998-1999, nr. 26 732, nr. 3, pagina 65-66) dat de wetgever met het samenspel tussen artikel 45 en artikel 63 van de Vw 2000 heeft beoogd een systeem te creëren waarbij voor het toepassen van de bevoegdheid tot uitzetting geen afzonderlijk besluit nodig is. In de memorie van toelichting is namelijk het volgende te lezen:

"De last tot uitzetting zal in de nieuwe wet (Vw 2000) niet terugkeren. In het systeem van de nieuwe wet heeft de afwijzing van een aanvraag van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland dient te verlaten binnen de in de wet gestelde termijn. Daarmee is van rechtswege een met de huidige last tot uitzetting (van de Vw (oud)) vergelijkbare aanzegging gedaan. (...) Tegen een beslissing tot uitzetting staat naar onze mening geen rechtsmiddel open. Uit de artikelen 25 (thans: 27) en 43 (thans: 45) vloeit immers rechtstreeks voort dat de vreemdeling kan worden uitgezet indien hij Nederland niet uit eigen beweging verlaat. De beslissing tot uitzetting van de vreemdeling voegt geen rechtsgevolgen toe en is dus geen besluit in de zin van de Awb, waartegen bij de vreemdelingenrechter beroep kan worden ingesteld. De in het eerste lid opgenomen verwijzing naar de artikelen 25 (thans: 27) en 43 (thans: 45) beoogt dit te verduidelijken. Bij wijze van uitzondering is bezwaar en beroep mogelijk tegen uitzettingshandelingen indien er door tijdsverloop een relevante wijziging van de omstandigheden is ingetreden."

De omstandigheid dat verzoeker blijkens de gedingstukken was opgeroepen om als verdachte te verschijnen op een terechtzitting van de politierechter te 's-Hertogenbosch op 3 april 2003, alsmede dat door verzoeker is gesteld -en door verweerder niet is weersproken- dat verzoeker op 3 april 2003 niet was aangevoerd en dat de politierechter de zaak heeft aangehouden tot 16 juni 2003 opdat verzoeker zijn zitting bij kan wonen, vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen relevante wijziging van de omstandigheden als hierboven bedoeld. Immers, nu de Officier van Justitie blijkens de gedingstukken heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de uitzetting van verzoeker, maakt de omstandigheid dat verzoeker een dagvaarding heeft ontvangen om op 16 juni 2003 als verdachte voor de politierechter te verschijnen de uitzetting van verzoeker niet onrechtmatig.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voornemen van verweerder om verzoeker op 10 april 2003 uit te zetten geen appellabele beslissing is in de zin van de Awb. Het door verzoeker ingediende bezwaarschrift is dan ook niet-ontvankelijk.

Nu het bezwaarschrift om voornoemde reden op geen redelijke kans van slagen heeft, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. J.K.B. van Daalen als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Verdouw als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: