Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7421

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2003
Datum publicatie
15-05-2003
Zaaknummer
AWB 02/4966 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 02/4966 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

A, wonende te B, verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 4 december 2002 van het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, verweerder, waarbij verzoekers voorzieningen in het kader van de Regeling Opvang Asielzoekers (ROA) per direct beëindigd zijn.

Zitting

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 24 februari 2003.

Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. W.A. Venema.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Dikkers.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de voorzieningenrechter het volgende als voldoende vaststaand aan.

Verzoeker, afkomstig uit de Federatieve Republiek Joegoslavië en van Servische nationaliteit, is 26 augustus 1993 Nederland binnengereisd en heeft op 15 september 1993 een aanvraag ingediend om respectievelijk toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Deze aanvraag is bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 29 september 1994 afgewezen. Bij de uitreiking op 24 oktober 1994 is verzoeker een termijn van 4 weken gegund om Nederland te verlaten. Tevens heeft de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) namens de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 29 september 1994 aan de korpschef van de politieregio Hollands Midden een last tot uitzetting van verzoeker verstrekt.

Op 17 november 1994 heeft verzoeker tegen het besluit van 29 september 1994 bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoeker zich op 1 februari 1995 gewend tot de president van deze rechtbank met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat niet zal worden overgegaan tot uitzetting uit Nederland zolang nog niet is beslist op het door hem ingediende bezwaar. Hierop is aan verzoeker medegedeeld dat hij de uitslag van dit verzoek in Nederland mocht afwachten. Bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 2 oktober 1996, uitgereikt op 16 oktober 1996, is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Bij de uitreiking is verzoeker aangezegd Nederland binnen 4 weken te verlaten, maar dat uitzetting achterwege dient te blijven in afwachting van afhandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Tegen het besluit van 2 oktober 1996 heeft verzoeker bij brief van 25 oktober 1996 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 5 februari 1997 heeft de president van deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Met de uitspraak van 5 februari 1997 is verzoeker asielrechtelijk uitgeprocedeerd.

Bij brief van 17 februari 1997 heeft de IND aan de korpschef van de politieregio Hollands Midden medegedeeld dat ingevolge de uitspraak van de rechtbank geen beletsel meer bestaat tegen de verwijdering van verzoeker uit Nederland en is een last tot uitzetting van verzoeker verstrekt.

Op 13 november 2002 heeft een terugkeergesprek plaatsgevonden tussen verzoeker en een ambtenaar van de IND. Hierbij zijn de eerder verstrekte lasten tot uitzetting aan verzoeker bekendgemaakt en is geconcludeerd dat hij weigert mee te werken aan het verkrijgen van de benodigde reisdocumenten om terug te keren naar het land van herkomst. Voorts is hem te verstaan gegeven dat de gemeente Katwijk geadviseerd zal worden de ROA-verstrekkingen te beëindigen.

Bij brief van 14 november 2002 heeft de IND verweerder het terugkeerdossier van verzoeker overgelegd en medegedeeld dat aan de hand van dit dossier kan worden vastgesteld dat verzoeker onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn terugkeer en dat op grond hiervan tot beëindiging van de ROA-verstrekkingen kan worden overgegaan.

Bij brief van 22 november 2002 heeft verweerder verzoeker medegedeeld voornemens te zijn de verstrekkingen in het kader van de ROA te beëindigen. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker in een gesprek op 28 november 2002 zijn zienswijze naar voren gebracht.

Bij besluit van 4 december 2002 heeft verweerder de ROA-verstrekkingen per direct beëindigd. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 19 december 2002, aangevuld bij brief van 21 januari 2003, bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker bij brief van 19 december 2002 de voorzieningrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot voortzetting van de ROA-verstrekkingen zolang op zijn bezwaar niet is beslist.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat verzoekers ROA voorzieningen worden beëindigd omdat hij niet langer onder de doelgroep van de ROA valt.

Verzoeker heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat op grond van artikel III van de Wijzigingsregeling opvang asielzoekers van 27 maart 2001, Staatscourant 2001, nr.63 (hierna: de Wijziging ROA) aan hem een last tot uitzetting moet worden gegeven en dat de korpschef hem dient mede te delen dat hij Nederland moet verlaten. Hiervan is echter geen sprake geweest. Voorts acht verzoeker artikel III van de Wijziging ROA onverbindend omdat de korpschef niet bevoegd zou zijn aan een vreemdeling mee te delen dat hij de in de het kader van de ROA toegekende verstrekkingen verlaten moet, nu die bevoegdheid bij uitsluiting aan het college van burgemeester en wethouders is geattribueerd.

Ter zitting heeft verzoeker nog aangevoerd dat op grond van artikel 3a van de Wet Centrale Opvang Asielzoekers (Wet COA) niet deze voorzieningenrechter bevoegd is maar de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank.

Ten aanzien van hetgeen verzoeker heeft opgemerkt betreffende de bevoegdheid van deze voorzieningenrechter en de in verband hiermee door hem aangehaalde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 juni 2002 (JSV 2002/245) merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Uit genoemde uitspraak van de Afdeling blijkt slechts dat ingevolge artikel 71 van de Vreemdelingenwet de rechtbank te ’s-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd is te oordelen op een beroep, ingesteld tegen een besluit van het COA tot beëindiging van de verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA, genomen na 1 april 2001. In het onderhavige geval gaat het echter om een besluit van het college van burgemeester en wethouders tot beëindiging van verstrekkingen op grond van de ROA en niet om een bij of krachtens de Wet COA door het COA genomen besluit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hij dan ook bevoegd in deze procedure en niet de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank.

De te beantwoorden vraag in deze procedure is vervolgens of het bestreden besluit in bezwaar kan worden gehandhaafd.

Met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 per 1 april 2001 is ook de Wijziging ROA in werking getreden.

In artikel III van deze regeling is het overgangsrecht neergelegd voor beslissingen in eerste aanleg en bezwaar die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 zijn genomen.

Dit artikel luidt als volgt:

“ Indien er ten aanzien van de asielzoeker:

a. voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling op diens asielaanvraag in eerste aanleg of bezwaar in negatieve zin is beslist;

b. een last tot uitzetting is gegeven, en

c. door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft is medegedeeld dat hij de verstrekkingen moet verlaten, eindigen de verstrekkingen na de inwerkingtreding van deze regeling in afwijking van artikel 15, derde lid, onder c, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de Korpschef dient te verlaten.”

Met verzoeker bevreemdt het de voorzieningenrechter dat de korpschef volgens het onder c gestelde van bovengenoemd artikel zou dienen mede te delen dat de vreemdeling de verstrekkingen zou moeten verlaten.

De voorzieningenrechter wijst hiertoe op het bepaalde in artikel 15, derde lid aanhef en onder c, van de ROA, zoals deze gold tot 1 april 2001. Daarin was bepaald dat de opvang van een asielzoeker, indien het een asielzoeker betreft voor wie een last tot uitzetting is gegeven en die ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de plaatselijke politie Nederland moet verlaten, in elk geval eindigt op de dag waarop hij Nederland ingevolge die mededeling dient te verlaten. Volgens deze bepaling was het tijdstip waarop de verstrekkingen eindigden derhalve afhankelijk van een mededeling van de plaatselijke politie over de dag van vertrek van de vreemdeling uit Nederland. Gegeven het doel en de strekking van het in artikel III van de Wijziging ROA neergelegde overgangsrecht, mag worden aangenomen dat daarmee is beoogd voor de categorie vreemdelingen die vóór 1 april 2001 op grond van de oude Vreemdelingenwet een negatieve beschikking in eerste aanleg of bezwaar hebben ontvangen, wat betreft het tijdstip van beëindiging van de verstrekkingen op grond van de ROA aan te sluiten bij hetgeen daarover was bepaald in artikel 15, derde lid, onder c, van de ROA, zoals deze gold tot 1 april 2001. Daarop wijst naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook het bepaalde in artikel III, onder c, van de Wijzigingsregeling Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva), Stcrt. 2001, nr. 63 (hierna: Wijzigingsregeling RVA), die gelijktijdig met de Vreemdelingenwet 2000 per 1 april 2001 in werking is getreden. Daarin is bepaald dat indien door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft is meegedeeld dat hij Nederland moet verlaten, de verstrekkingen eindigen na de inwerkingtreding van deze regeling, in afwijking van artikel 8, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient verlaten. Aan de redactie van deze overgangsrechtelijke bepaling, waarin geen sprake is van het vereiste van een mededeling van de korpschef over de beëindiging van de verstrekkingen en die kan worden beschouwd als het pendant van artikel III, onder c, van de Wijziging ROA, kan derhalve steun worden ontleend voor de conclusie dat voor de in laatstgenoemde bepaling vermelde mededeling van de korpschef over de beëindiging van de verstrekkingen moet worden gelezen de mededeling van de korpschef over de dag van vertrek uit Nederland.

De voorzieningenrechter zal in deze procedure derhalve artikel III, onder c, van de Wijziging ROA dienovereenkomstig lezen en toepassen.

Met betrekking tot de vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat in dit geval aan alle in artikel III van de Wijziging ROA gestelde voorwaarden is voldaan, overweegt de voorzieningenrechter voorts als volgt.

Aan de voorwaarde onder a is voldaan nu in het voorliggende geval van verzoeker vast staat dat vóór 1 april 2001 negatief is beslist op zijn asielaanvraag van 15 september 1994. Voorts is voldaan aan de voorwaarde onder b nu op 17 februari 1997 een last tot uitzetting is gegeven.

Niet gebleken is echter dat ook aan de voorwaarde onder c is voldaan, nu in de gedingstukken geen mededeling van de korpschef is aangetroffen waarbij verzoeker wordt verzocht Nederland te verlaten. Verweerder kon ter zitting desgevraagd ook niet aantonen dat die mededeling door de korpschef is gedaan. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat onder de gedingstukken ook geen mededeling van de korpschef aan verzoeker over de beëindiging van de verstrekkingen is aangetroffen.

Uit het vorenstaande volgt dat thans niet is komen vast te staan dat verweerder per direct tot beëindiging van de verstrekkingen van eiser heeft mogen besluiten. Derhalve is niet de verwachting gerechtvaardigd dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal kunnen houden. Gelet op de belangen van verzoeker ziet de voorzieningenrechter daarom aanleiding het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb in te willigen in dier voege dat het bestreden besluit wordt geschorst tot 6 weken na de beslissing op bezwaar.

Gelet op het hiervoor overwogene ziet de voorzieningenrechter voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, in samenhang met artikel 8:75 van de Awb, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten. Het bedrag van de kosten wordt vastgesteld op 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting door een gemachtigde in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1, € 322,- per punt, in totaal € 644,-). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is aangevraagd krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient betaling van dit bedrag, indien de toevoeging wordt verleend, te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Tevens ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, gelet op het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, te bepalen dat het griffierecht door de gemeente Katwijk wordt vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in dier voege dat het bestreden besluit wordt geschorst tot 6 weken na de beslissing op bezwaar;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de gemeente Katwijk als de rechtspersoon die dit bedrag aan de griffier dient te vergoeden;

Gelast dat de gemeente Katwijk als rechtspersoon aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht, zijnde € 109,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: