Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7165

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/11051
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

DRC / geloofwaardigheid asielrelaas / ongedocumenteerden.

Eiser is afkomstig uit de Democratische Republiek Congo. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat het identiteitsbewijs vals is. De rechtbank overweegt dienaangaande dat blijkens het ambtsbericht van 15 april 2002 een groot deel van de Congolese bevolking geen identiteitsdocument bezit, omdat in 1986 de oude kaart is afgeschaft en de nieuwe kaart niet langer wordt verstrekt. Eisers verklaring, dat hij het identiteitsbewijs van een vriend had gekregen zodat hij zich in Congo enigszins zou kunnen legitimeren, sluit naar het oordeel van de rechtbank aan bij voornoemde informatie uit het ambtsbericht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser diverse originele documenten heeft overgelegd, te weten een huwelijksakte en een rijbewijs. Voorts heeft eiser een lidmaatschapskaart van de UDPS overgelegd. Laatstgenoemd document is reeds bij de correcties en aanvullingen op het rapport van nader gehoor overgelegd. In het voornemen noch in het bestreden besluit wordt echter melding gemaakt van dit document. Gezien het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser toerekenbaar onvoldoende is gedocumenteerd.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser als gevolg van tegenstrijdige verklaringen ongeloofwaardig is. Het bestreden besluit ontbeert dan ook een voldoende draagkrachtige motivering.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 02/11051

Datum uitspraak: 12 maart 2003

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1960,

van Congolese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. drs. T.H. Meeuwis,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie),

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder,

gemachtigde mr. P.M. Kruijdenberg.

Het procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2002, bekendgemaakt op 16 januari 2002, heeft verweerder de aanvraag van eiser van 24 augustus 2001 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 11 februari 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 februari 2003. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

3. Eiser heeft, kort samengevat, naar voren gebracht dat hij lid is geweest van en activiteiten heeft verricht voor de verboden oppositiepartij Union pour la Démocratie et le Progrès Social (UDPS) en de Société Civile. Eiser wordt verdacht van betrokkenheid bij de moord op president Laurent Kabila op 16 januari 2001, omdat zijn zus een relatie had met de moordenaar van Kabila. Eiser is gearresteerd, gevangengezet en mishandeld. Hij is uit gevangenschap ontsnapt en gevlucht.

4. Verweerder heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van eisers relaas, nu eiser ter staving van zijn aanvraag onvoldoende documenten heeft overgelegd en hij voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van (voldoende) documenten niet aan hem is toe te rekenen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser op diverse punten ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Het is niet aannemelijk dat de negatieve aandacht van de autoriteiten op eiser was gericht omdat zijn zus een relatie had met de vermeende moordenaar van Kabila. Voorts is niet aannemelijk dat eiser als gevolg van zijn gestelde lidmaatschap van en activiteiten voor de UDPS ernstige problemen van de autoriteiten heeft ondervonden of zal ondervinden. In het verweerschrift heeft verweerder aan het voorgaande nog toegevoegd dat, nu eiser naar aanleiding van het voornemen tot afwijzing van de aanvraag geen zienswijze heeft ingebracht, geen rekening kan worden gehouden met zijn eerst in beroep naar voren gebrachte standpunt.

5. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank verweerders standpunt, dat het standpunt in beroep tardief is omdat eiser geen zienswijze heeft ingebracht, niet onderschrijft. De omstandigheid dat geen zienswijze is ingebracht, doet er niet aan af dat het instellen van beroep voor eiser het rechtsmiddel is waarmee hij het besluit van verweerder kan bestrijden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd in de onderhavige procedure dient te worden betrokken.

6. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Eiser heeft verschillende documenten overgelegd, waaronder een identiteitsbewijs, een huwelijksakte, een dienstkaart onderwijzer, een schooldiploma en een aantal documenten van de universiteit. In beroep heeft eiser daarnaast nog een rijbewijs overgelegd.

Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat het identiteitsbewijs vals is. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 2002 bezit een groot deel van de Congolese bevolking geen identiteitsdocument, omdat in 1986 de oude kaart is afgeschaft en de nieuwe kaart niet langer wordt verstrekt. Eisers verklaring, dat hij het identiteitsbewijs van een vriend had gekregen zodat hij zich in Congo enigszins zou kunnen legitimeren, sluit naar het oordeel van de rechtbank aan bij voornoemde informatie uit het ambtsbericht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser diverse originele documenten heeft overgelegd, te weten een huwelijksakte en een rijbewijs. Voorts heeft eiser een lidmaatschapskaart van de UDPS overgelegd. Laatstgenoemd document is reeds bij de correcties en aanvullingen op het rapport van nader gehoor overgelegd. In het voornemen noch in het bestreden besluit wordt echter melding gemaakt van dit document.

Gezien het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser toerekenbaar onvoldoende is gedocumenteerd.

7. Verweerder heeft eiser voorts tegengeworpen dat zijn relaas ongeloofwaardig is omdat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor eerst verklaard dat zijn echtgenote op 9 juni 2001 bij hem op bezoek was in de gevangenis en documenten voor hem heeft meegenomen omdat eiser haar had verteld dat hij zou worden overgeplaatst naar een andere gevangenis. Later heeft eiser verklaard dat zijn echtgenote op 9 juni 2001 op bezoek kwam, dat hij op 10 juni 2001 te horen kreeg dat hij zou worden overgeplaatst en dat zijn echtgenote drie dagen later een tas en documenten kwam brengen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze verklaringen niet overeenstemmen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Blijkens het rapport van nader gehoor heeft eiser inderdaad verklaard dat zijn echtgenote op 9 juni 2001 bij hem op bezoek kwam, maar heeft eiser ook verklaard dat hij op die dag aan zijn echtgenote heeft verteld dat hij mogelijk zou worden overgeplaatst naar een andere gevangenis. Op 10 juni 2001 heeft eiser te horen gekregen dat hij (inderdaad) zou worden overgeplaatst, waarna zijn echtgenote drie dagen later een tas met daarin documenten kwam brengen. De rechtbank vermag niet in te zien waarom deze verklaringen onderling tegenstrijdig zouden zijn. Hierbij is tevens van belang dat eiser met betrekking tot deze verklaringen tijdens het nader gehoor aan de contactambtenaar heeft gevraagd: „Heeft u het nu correct genoteerd? Ik ben bang dat het een misverstand is.“ Hieruit maakt de rechtbank op dat eiser in een vroeg stadium heeft getracht mogelijke verwarring omtrent zijn verklaringen weg te nemen. Verweerder is hieraan echter voorbij gegaan.

9. Voorts meent verweerder dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard omtrent zijn ontsnapping uit de gevangenis. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor eerst verklaard dat hij in de gevangenis een blauw uniform droeg, maar dat hij van zijn oud-student een tas heeft gekregen met daarin gewone kleren, welke hij tijdens zijn vlucht heeft gebruikt. Later heeft eiser verklaard dat hij met zijn oud-student had afgesproken dat hij een bewakersuniform zou aantrekken en dat hij op het toilet in het vliegtuig dit bewakersuniform heeft aangetrokken. Deze verklaringen stemmen volgens verweerder niet overeen.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hiertoe wordt overwogen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij op het toilet in het vliegtuig een bewakersuniform heeft aangetrokken. In beroep licht eiser deze verklaring nader toe en geeft hij aan dat de gedetineerden de gewone kleding bij zich mochten houden, dat hij de bewakerskleding voor het vertrek vanaf de luchthaven van Kinshasa van zijn oud-student heeft ontvangen en dat hij deze kleding in het vliegtuig over zijn gevangeniskleding heeft aangetrokken. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van tegenstrijdige verklaringen van eiser. Hierbij laat de rechtbank tevens wegen dat uit eisers verklaringen valt af te leiden dat hij de gewone kleding heeft gebruikt bij het vervolg van zijn vlucht, nadat hij uit het vliegtuig was ontkomen, van Lubumbashi naar Zambia.

11. Gezien het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van eiser als gevolg van tegenstrijdige verklaringen ongeloofwaardig is. Het bestreden besluit ontbeert dan ook een voldoende draagkrachtige motivering.

12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de weigering om eiser in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, evenmin voldoende draagkrachtig gemotiveerd.

13. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens schending van artikel 3:46 van de Awb. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S.M. Bak en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2003 in tegenwoordigheid van mr. J.C.D. Crezée als griffier.

de griffier de rechter

w.g. Crezée w.g. Bak

Voor eensluidend afschrift, de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem,

Verzonden: 12 maart 2003

Rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden.